nr. 1
KONINKLIJKE BOODSCHAP
Aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Wij bieden U hiernevens ter overweging aan een voorstel van wet houdende
een verbod tot het maken van onderscheid op grond van leeftijd bij werving,
selectie, scholing en bevordering bij de arbeid (Wet verbod op leeftijdsdiscriminatie
bij de arbeid).
De memorie van toelichting, die het wetsvoorstel vergezelt, bevat de gronden
waarop het rust.
En hiermede bevelen Wij U in Godes heilige bescherming.
's-Gravenhage
9 november 1999
Beatrix
nr. 2
VOORSTEL VAN WET
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het maken
van onderscheid op grond van leeftijd bij werving, selectie, scholing en bevordering
bij de arbeid te verbieden;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der
Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en
verstaan bij deze:
Artikel 1
In deze wet wordt verstaan onder:
a. onderscheid: direct en indirect onderscheid;
b. direct onderscheid: onderscheid op grond van leeftijd;
c. indirect onderscheid: onderscheid op grond van andere hoedanigheden
dan leeftijd, dat direct onderscheid tot gevolg heeft.
Artikel 2
Onderscheid is verboden bij:
a. het aanbieden van een vacature of bij de behandeling bij de vervulling
van een openstaande vacature;
b. het aangaan van een arbeidsverhouding;
c. het aanstellen tot ambtenaar;
d. de arbeidsbemiddeling;
e. het laten volgen van onderwijs, de scholing en de vorming voorafgaand
aan of tijdens een arbeidsverhouding;
f. de bevordering.
Artikel 3
1. Het in artikel 2 neergelegde verbod van onderscheid geldt niet ten
aanzien van indirect onderscheid dat objectief gerechtvaardigd is.
2. Het in artikel 2 neergelegde verbod van onderscheid geldt niet in gevallen
waarin:
a. vanwege een zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang, niet zijnde een
louter financieel belang, onderscheid noodzakelijk is;
b. in verband met de vervulling van de functie onderscheid noodzakelijk
is ter bescherming van de gezondheid en de veiligheid;
c. vanwege de aard van de functie of de voorwaarden voor de uitoefening
daarvan, de leeftijd bepalend is;
d. in verband met de vervulling van de functie eisen worden gesteld die,
gelet op het privé-karakter van de werkverhouding, redelijk zijn;
e. het stellen van een leeftijdsgrens voor arbeidsbemiddeling, voorafgaand
aan of tijdens een arbeidsverhouding of aanstelling, in verband met de aard
of het doel daarvan noodzakelijk is;
f. het stellen van een leeftijdsgrens voor het laten volgen van onderwijs,
scholing en vorming, voorafgaand aan of tijdens een arbeidsverhouding of aanstelling,
in verband met de aard of het doel daarvan noodzakelijk is;
g. het onderscheid gebaseerd is op geschreven of ongeschreven regels van
internationaal recht.
3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld
over de in het tweede lid bedoelde gevallen.
Artikel 4
Indien bij een openlijke aanbieding van een vacature een leeftijdsgrens
wordt gesteld, wordt de grond daarvan uitdrukkelijk vermeld.
Artikel 5
1. Beëindiging van de arbeidsverhouding wegens de omstandigheid dat
de werknemer in of buiten rechte een beroep heeft gedaan op artikel 2, is
vernietigbaar.
2. Onverminderd hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht, vervalt
twee maanden na de beëindiging van de arbeidsverhouding de bevoegdheid
van de werknemer een beroep te doen op de vernietigingsgrond, bedoeld in het
eerste lid. Artikel 55 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek is niet van toepassing.
3. Een rechtsvordering in verband met de vernietiging verjaart door verloop
van zes maanden na de dag waarop de arbeidsverhouding is geëindigd.
Artikel 6
Bedingen in strijd met deze wet zijn nietig.
Artikel 7
De Commissie gelijke behandeling, genoemd in artikel 11 van de Algemene
wet gelijke behandeling, kan onderzoeken of een onderscheid is of wordt gemaakt
als bedoeld in deze wet. De artikelen 12, 13, 14, 15, 20, tweede lid, en 33
van de Algemene wet gelijke behandeling zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 8
Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zendt in overeen-stemming
met Onze Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal
een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.
Artikel 9
Deze wet is niet van toepassing op onderscheid dat is gebaseerd op:
a. werkgelegenheids- of arbeidsmarktbeleid ter bevordering van de arbeidsparticipatie
van bepaalde leeftijdscategorieën voor zover dit beleid is vastgesteld
bij of krachtens enige andere wet, welke voorafgaand aan deze wet in werking
is getreden;
b. een verschil in beloning dat is toegestaan op grond van het bepaalde
bij of krachtens artikel 8, derde lid, van de Wet minimumloon en mini- mumvakantiebijslag.
Artikel 10
Deze wet treedt in werking met ingang van de eerste dag van de vierde
kalendermaand na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt
geplaatst.
Artikel 11
Deze wet wordt aangehaald als: Wet verbod op leeftijdsdiscriminatie bij
de arbeid.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat
alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat,
aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
De Minister van Justitie,
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,