26 846
Verdrag inzake technische en financiële samenwerking tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Georgië; 's-Gravenhage, 23 juni 1999

nr. 1
BRIEF VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN

Aan de Voorzitters van de Eerste en van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 5 oktober 1999

Ter griffie van de Eerste en van de Tweede Kamer der Staten-Generaal ontvangen op 6 oktober 1999.

De wens dat het verdrag aan de uitdrukkelijke goedkeuring van de Staten-Generaal wordt onderworpen kan door of namens één van de Kamers of door ten minste vijftien leden van de Eerste Kamer dan wel dertig leden van de Tweede Kamer te kennen worden gegeven uiterlijk op 5 november 1999.

Overeenkomstig het bepaalde in artikel 2, eerste lid, en artikel 5, eerste lid, van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen, de Raad van State gehoord, heb ik de eer U hierbij ter stilzwijgende goedkeuring over te leggen het op 23 juni 1999 te 's-Gravenhage tot stand gekomen verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Georgië inzake technische en financiële samenwerking (Trb. 1999, 124).1

Een toelichtende nota bij dit verdrag treft U eveneens hierbij aan.

De goedkeuring wordt alleen voor Nederland gevraagd.

De Minister van Buitenlandse Zaken,

J. J. van Aartsen

TOELICHTENDE NOTA

Algemeen

Het verdrag heeft ten doel een juridisch raamwerk vast te stellen voor de uitvoering van door Nederland gesteunde projecten voor technische en financiële assistentie in Georgië. Het gaat daarbij in hoofdzaak om projecten ontwikkeld onder het Programma Samenwerking Oost-Europa (PSO). In voorkomende gevallen vallen ook projecten in het kader van het Programma Maatschappelijke Transformatie (MATRA) en transporten van humanitaire goederen onder het verdrag. Verder kunnen onder meer ook door Nederland medegefinancierde projecten van multilaterale instellingen onder het verdrag vallen. De belangrijkste in het verdrag geregelde onderwerpen zijn belastingvrijstelling voor in het kader van de projecten in Georgië geïmporteerde materialen en apparatuur, en de privileges en immuniteiten van uitgezonden personeel.

De noodzaak van een verdrag is van Georgische zijde naar voren gebracht. Van 1998 tot en met heden verleende de Georgische regering belastingvrijstelling op basis van het Memorandum of Understanding inzake het PSO tussen het Nederlandse Ministerie van Economische Zaken en het Georgische Ministerie van Handel en Buitenlandse Economische Betrekkingen. Het ontbreken van een grondslag voor de belastingvrijstelling kan de voortgang van de PSO-projecten ernstig belemmeren. Om deze reden is de totstandkoming van dit verdrag van groot belang.

Het verdrag voorziet niet in een verplichting voor Nederland om hulp te verlenen.

Hoewel in de verdragstekst de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Bevoegde autoriteit van Georgië als verdragspartijen worden aangemerkt, zal het verdrag uiteraard tussen beide staten gelden.

Koninkrijkspositie

Het verdrag zal uit zijn aard, wat het Koninkrijk betreft, alleen voor Nederland gelden.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1 schetst de reikwijdte van het verdrag. Het verdrag beoogt een juridisch kader voor de samenwerking te scheppen teneinde een voorspoedig verloop van de programma's en projecten te bevorderen. Niet alleen projecten overeengekomen tussen de bevoegde autoriteiten aan beide zijden vallen onder het verdrag, maar ook projecten en programma's die worden uitgevoerd in samenwerking met derden. Met dit laatste wordt onder meer bedoeld de co-financiering van multilaterale projecthulp uitgevoerd door internationale financiële instellingen zoals de Wereldbank en de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling. Ook projecten van particuliere organisaties kunnen met instemming van de verdragspartijen en van die organisaties onder de werking van het verdrag vallen. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om projecten in het kader van MATRA en om humanitaire hulpverlening. Jaarlijks zal een lijst worden overeengekomen met projecten en programma's die onder de reikwijdte van het verdrag zullen vallen.

Artikel 2 definieert een aantal belangrijke begrippen die in het verdrag worden gehanteerd. In het eerste lid wordt het begrip «middelen» verduidelijkt, welke zonder kosten voor de overheid van Georgië zullen worden geleverd. In het tweede lid wordt aangegeven ten aanzien van welke personen de verdragsbepalingen van toepassing zijn. In beginsel is dit iedereen die op basis van een overeenkomst werkzaamheden ten behoeve van projecten of programma's uitvoert, behalve Georgische onderdanen en permanente bewoners van Georgië. Er wordt bewust niet van «Nederlands personeel» gesproken aangezien niet iedereen die door Nederland wordt uitgezonden de Nederlandse nationaliteit heeft. Onder personeelsleden vallen niet alleen degenen die zelf een overeenkomst hebben met de Nederlandse regering, maar ook zij die een contract hebben met bedrijven of organisaties die op contractbasis werkzaamheden in het kader van projecten of programma's uitvoeren. Ook door de Georgische regering gecontracteerde toegevoegde experts kunnen als personeel worden beschouwd (onderdeel c).

Artikel 3 biedt voor Nederland de mogelijkheid tot inspectie, beoordeling, controle en dergelijke van projecten en programma's.

In artikel 4 is de vrijstelling van belastingen en heffingen geregeld ten aanzien van door Nederland gefinancierde diensten en goederen in het kader van een onder het verdrag vallend project of programma. Deze vrijstelling omvat een vrijstelling van belastingen en andere heffingen voor import en export, waaronder een vrijstelling van belasting over de toegevoegde waarde. Het artikel heeft alleen betrekking op door of namens een Nederlandse partij aangeschafte middelen.

Het tweede lid bepaalt dat alle middelen in principe eigendom blijven van Nederland, tenzij anders wordt overeengekomen. Dit geldt uiteraard alleen voor zover eigendomsrechten kunnen gelden op de in artikel 2 bedoelde middelen. Voor diensten bij voorbeeld zal deze bepaling geen betekenis hebben.

Op grond van artikel 5 is de toepassing van voorrechten en immuniteiten op personeel slechts mogelijk na aanmelding van het personeel door Nederland en na aanvaarding daarvan door Georgië.

De diverse onderdelen van artikel 6 hebben een standaardkarakter en zijn eveneens te vinden in verdragen inzake ontwikkelingssamenwerking die Nederland met veel landen heeft gesloten. De strekking van dit artikel is het bij de uitvoering van projecten en programma's betrokken personeel te vrijwaren van allerlei belastingen en heffingen over hun inkomen en over hun (tijdelijk) ingevoerde goederen en vrij te stellen van nationale dienstverplichtingen. Verder wordt onder meer voorzien in het verlenen van assistentie aan het personeel bij douaneformaliteiten en het tijdig verstrekken van visa. In het eerste lid, onderdeel g, wordt in de Nederlandse tekst van het verdrag gesproken over Nederlandse personeelsleden, terwijl de Engelse tekst spreekt van personeelsleden. Het is niet de bedoeling de in het verdrag opgenomen rechten te beperken tot personeel dat de Nederlandse nationaliteit heeft (zie de toelichting op artikel 2, tweede lid). Dat geldt ook ten aanzien van de in artikel 6, eerste lid, onderdeel g, bedoelde repatriërings- en evacuatiefaciliteiten. De Nederlandse tekst van het verdrag zal dan ook worden gecorrigeerd; dat zal in het Tractatenblad worden aangegeven. Overigens heeft het verschil in tekst geen consequenties daar in het geval van verschil in interpretatie de Engelse tekst doorslaggevend is.

In het tweede lid is bepaald dat het personeel niet ongunstiger zal worden behandeld dan vergelijkbaar personeel van andere staten of organisaties. De vergelijkbaarheid heeft in dit geval betrekking op deskundigen uit dezelfde disciplines.

Artikel 7 regelt immuniteiten en claims. Het personeel geniet immuniteit van juridische acties ten gevolge van hun professionele handelen of nalaten. In het tweede lid is bepaald dat Georgië de Nederlandse staat vrijwaart van (contractuele) aansprakelijkheid voor programma's en projecten. Verder worden de Nederlandse staat en het personeel gevrijwaard van buiten-contractuele aansprakelijkheid voor handelen en nalaten voortvloeiend uit uitvoering van een verplichting op grond van een programma of een project en dat de dood, fysiek letsel of schade aan de bezittingen van derden ten gevolge heeft. Een en ander geldt voor zover die aansprakelijkheid niet door een verzekering wordt gedekt. In geval van opzettelijk handelen of grove nalatigheid van het Koninkrijk of personeel kunnen wel vorderingen worden ingesteld of gerechtelijke stappen worden ondernomen. Het derde lid bepaalt dat de Georgische overheid in geval van vrijwaring alle rechten mag uitoefenen die anders aan de Nederlandse staat of het personeel zouden toekomen (subrogatie).

De bepalingen in artikel 8 hebben betrekking op het gedrag van personeel en het effect van een negatieve beoordeling daarvan. Bij onwenselijk gedrag van een personeelslid of bij nalatigheid van het personeel bij het uitvoeren van de verplichtingen voortvloeiend uit het verdrag of uit een project of programma kan Georgië – na overleg met de Nederlandse regering – verzoeken het desbetreffende personeelslid terug te roepen.

Artikel 9 betreft de samenwerking tussen de verdragspartijen ingeval van arrestatie of het vasthouden van personeel. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen indien een personeelslid bij een verkeersongeluk betrokken raakt.

Artikel 10 regelt de beslechting van geschillen die voortkomen uit het onderhavige verdrag.

De Staatssecretaris van Economische Zaken,

G. Ybema

De Minister van Buitenlandse Zaken,

J. J. van Aartsen


XNoot
1

Ter inzage gelegd bij de afdeling Parlementaire Documentatie.

Naar boven