26 800 V
Vaststelling van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (V) voor het jaar 2000

nr. 10
VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 28 oktober 1999

De vaste commissie voor Buitenlandse Zaken1 heeft op 13 oktober 1999 overleg gevoerd met minister Van Aartsen van Buitenlandse Zaken over:

– de brief van de minister van Buitenlandse Zaken d.d. 12 mei 1999 (26 200 V, nr. 77);

– de brief van de minister van Buitenlandse Zaken d.d. 7 juni 1999 (26 200 V, nr. 82);

– de reactie van de regering d.d. 20 september 1999 op het AIV-advies (BuZa-99–497) «Naar rustiger vaarwater: een advies over betrekkingen tussen Turkije en de Europese Unie».

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand beknopt verslag uit.

Vragen en opmerkingen uit de commissie

De heer Wilders (VVD) herinnerde aan de aardbeving die Turkije heeft getroffen, betoonde zijn medeleven aan de nabestaanden van de vele slachtoffers en sprak zijn waardering uit vanwege de substantiële hulpverlening door de Europese Unie, het IMF, de Wereldbank en Nederland.

Voorts sprak hij over de huidige situatie in Turkije en merkte op dat ondanks het verheugende feit dat de nieuwe Turkse regering het seculiere karakter van de Turkse staat nadrukkelijk wenst voort te zetten, het land toch nog heel ver af staat van wat een open en transparante democratie wordt genoemd. De civil society is onvoldoende ontwikkeld en de mensenrechten worden te weinig geëerbiedigd. Het Turkse rechtsstelsel kent volgens de Adviesraad voor internationale vraagstukken (AIV) en Amnesty International structurele tekortkomingen. Nog steeds worden mensen gemarteld, is er sprake van straffeloosheid van mensen die zich schuldig maken aan de schending van mensenrechten, wordt de vrijheid van meningsuiting beperkt, vinden buitengerechtelijke executies plaats, is de positie van vrouwen verre van ideaal en worden rechten van werknemers, vakbonden en minderheden geschonden.

De regering ziet het kandidaat-lidmaatschap van Turkije als een middel om hierin verbetering te brengen. Daarmee wordt die verbetering echter een middel voor de kandidatuur voor het EU-lidmaatschap, terwijl juist het nastreven van handhaving van bijvoorbeeld de mensenrechten voor elke staat een doel op zichzelf dient te zijn.

Terecht kiest de regering in haar beleid jegens Turkije voor engagement in plaats van voor «isolation» al gaat de minister in zijn brief niet in op het advies van de AIV om de economische samenwerking te versterken. Om het engagement vorm te geven, dient de EU zich een goed en betrouwbaar buurman van Turkije te tonen en eindelijk haar verplichtingen jegens dat land na te komen. De verbeterde relatie tussen Griekenland en Turkije schept in dit verband verwachtingen, evenals de in Cardiff gemaakte afspraken, die door het Europese Parlement goedgekeurd zouden moeten worden.

Op de agenda van de Algemene Raad in Helsinki, staat de vraag of Turkije kandidaat-lid van de EU moet worden centraal. Om die vraag te kunnen beantwoorden, dient meer duidelijkheid te bestaan over de status die Turkije nu heeft. De Nederlandse regering spreekt weliswaar voortdurend over herbevestiging van de Turkse kandidatuur voor toetreding tot de EU, maar niet duideljk is of Turkije ooit officieel kandidaat is gesteld. Wat zouden de formele en materiële gevolgen zijn van een Turks kandidaat-lidmaatschap?

Gelet op de onvolkomenheden van de Turkse democratie zal Turkije nog vele jaren nodig hebben, om te kunnen voldoen aan de criteria die in 1993 in Kopenhagen zijn geformuleerd. Niet geheel duidelijk is de positie van de EU en Nederland ten aanzien van het beginnen van toetredingsonderhandelingen. Volgens de media zou de Europese Commissie voor Turkije een aparte status hebben bedacht: het land wordt officieel wel kandidaat-lid, maar er mag nog niet mee worden onderhandeld. De eurocommissaris Günter Verheugen meldde in het Europese Parlement evenwel dat de toetredingsonderhandelingen met Turkije binnen afzienbare termijn zouden moeten beginnen.

De heer Wilders vroeg voorts aandacht voor het Groot-Anatoliëpoject. Met dat project zullen door Turkije dammen in de Eufraat en Tigris worden gebouwd, maar daardoor zullen Syrië en Irak in 2003 nog maar een derde van hun huidige watervolume ontvangen. Dit kan tot spanningen tussen deze landen en Turkije leiden. Op welke manier kan de internationale gemeenschap bevorderen dat het beschikbare water rechtvaardig wordt verdeeld? Hoe kan zij voorkomen dat over een aantal jaren de spanningen tussen Syrië, Irak en Turkije escaleren?

De heer Van Middelkoop (GPV) vond dat op het goede advies van de AIV een enigszins teleurstellende reactie van de regering is gekomen. Die reactie is summier en op enkele cruciale punten onduidelijk. Er staat in dat Nederland zal aandringen op bevestiging van de Europese EU-kandidatuur. Evenwel wordt niet duidelijk gemaakt wanneer Turkije EU-kandidaat is geworden, zodat ook niet duidelijk is of een bevestiging van de kandidatuur aan de orde kan zijn. De mogelijke beloften in het verleden zijn gedaan in de periode waarin de EU nog niet bestond, maar er een EEG was. Bovendien wordt in het vage gelaten wat het kandidaat-lidmaatschap van Turkije zou inhouden. Gaat dat land daarmee tot de pre-ins behoren? Wat zal het standpunt van Nederland op de top van Helsinki zijn?

In aanmerking moet worden genomen dat in Turkije de krijgsmacht een belangrijke rol speelt. Die krijgsmacht hangt evenwel de Kemalistische staatsideologie aan en die verdraagt zich weer moeilijk met de criteria die in Kopenhagen voor toetreding tot de EU zijn geformuleerd. Verder is Turkije een overwegend islamitisch land dat, evenals andere islamitische landen, de parlementaire democratie en de handhaving van de mensenrechten niet op dezelfde wijze als de EU-landen in de wetgeving heeft verankerd.

De omfloerste omschrijvingen in zowel het AIV-advies als in de brief van de regering geven eveneens aan dat toetreding van Turkije nog ver weg is. De AIV zegt zelfs op dit moment geen discussie te willen over de wenselijkheid van het lidmaatschap van Turkije van de EU als zodanig. Gelet op deze realiteit zou het onverstandig zijn toetredingsonderhandelingen met Turkije te beginnen. Dat laat onverlet dat de geopolitieke verstrengeling met Turkije vormen van overleg nodig maakt. Turkije en de EU dragen bijvoorbeeld beide verantwoordelijkheid voor het functioneren van de NAVO en de Raad van Europa en zij hebben elkaar nodig in hun contacten met Griekenland.

De heer Van Middelkoop vroeg voorts om verduidelijking op enkele punten. Op welke manier zullen de Turkijefaciliteiten worden gerealiseerd en waarvoor zullen de middelen eventueel worden bestemd? Zal de minister in de Raad van Europa aandringen op beëindigen van de noodtoestand in Zuidoost-Turkije? Wat is de opvatting van de regering over de politieke, de culturele en burgerlijke rechten van de Koerden in de Turkse staat?

De heer Verhagen (CDA) dankte de regering voor de uitvoerige informatie over de gevolgen van de aardbeving en over de steun die door de EU-landen en met name door Nederland is gegeven. De aardbeving, die op zichzelf veel menselijk leed heeft veroorzaakt, heeft wel een positief neveneffect gehad: toenadering tot Griekenland. Daardoor is een dialoog op andere terreinen mogelijk geworden. Misschien zal er nu eindelijk een einde komen aan het Griekse veto ten aanzien van de Douane-uniegelden. Hoe groot schat de minister die kans in?

Naast de blokkering van de Douane-uniegelden is er een andere kwestie geweest die geleid heeft tot het ontstaan van een patstelling: het besluit op de top van Luxemburg in 1997 om Turkije niet als kandidaat-lid aan te merken. Volgens de AIV zou de kandidaatsstelling van Turkije nog steeds niet aan de orde zijn, maar die raad kon bij het opstellen van zijn advies de huidige ontwikkelingen niet voorzien. Thans is zowel bij de Europese Commissie als bij het Europese Parlement sprake van bewegingen die duiden op een andere opstelling en die een kandidaat-lidmaatschap van Turkije wel binnen bereik brengen. Voor die kandidaatsstelling gelden de Kopenhagencriteria. Aan het voldoen aan die criteria mag niet getornd worden en helaas moet geconstateerd worden dat Turkije nog vele tekortkomingen kent. Het ontbreekt dat land aan respect voor de mensenrechten, aan respect voor minderheden en aan democratische controle op het leger. Het voordeel van een kandidaat-lidmaatschap van Turkije zou evenwel zijn dat deze onderwerpen daardoor in een open dialoog kunnen worden besproken. Zou men, zoals in Luxemburg is gebeurd, voor «isolation» kiezen, dan dreigt weer het gevaar dat een open debat over deze onderwerpen wordt geblokkeerd. Daardoor bereikt men niet wat men uiteindelijk beoogt: verbetering van de situatie in Turkije op de terreinen waarover de Kopenhagencriteria gaan.

Wat heeft Nederland op het oog met de Turkijefaciliteit? Ziet de Nederlandse regering kans om, nu er sprake is van verandering binnen de PKK, te bemiddelen, opdat er een vreedzame oplossing kan komen voor het Koerdenvraagstuk?

Mevrouw Karimi (GroenLinks) vond eveneens een goede relatie met Turkije van belang vanwege zijn geopolitieke positie en de mogelijkheden die daarmee geboden worden om de stabiliteit van het land te bevorderen. Terecht heeft eurocommissaris Günter Verheugen gezegd dat de kandidaatsstelling van Turkije een van de belangrijkste strategisch-politieke kwesties van Europa in de komende jaren is. De discussie moet thans dan ook gaan over de vraag wat de beste strategie is om Turkije te helpen. Getracht moet worden het rechtsstelsel daar zodanig te veranderen dat het past bij dat van de Europese Unie. Aangezien Turkije niet meer het Turkije van voor de aardbeving en van voor de kidnapping van Öcalan is, dient het proces dat nu op gang is gekomen gestimuleerd te worden, opdat een duurzame verandering doorgang vindt, maar kandidaatsstelling van Turkije voor de EU is geen goede strategie hiervoor. Door een halfslachtige keuze over de kandidaatsstelling, een aparte status van Turkije, bestaat het gevaar dat een teleurgestelde Turkse regering terugvalt in oude fouten.

Nederland beschikt over een aantal instrumenten om Turkije ertoe te bewegen de mensenrechten beter te handhaven. Is de regering bereid in het kader van de Raad van Europa Turkije aan te spreken op naleving van het EVRM? Wil Nederland meewerken aan een vreedzame oplossing van de Koerdische kwestie?

Turkije is een van de belangrijkste afnemers van wapens van Nederland. Sinds 1996 zijn vijftien vergunningen afgegeven voor de export van onderdelen van F16's. Die F16's worden ingezet tegen de Koerden in het zuidoosten van Turkije. Sinds 1997 is er een embargo op de export van lucht- en landmachtproducten naar Turkije. Hoe is het dan mogelijk dat nog steeds onderdelen aan Turkije worden verkocht?

Nog onderzocht wordt wat er is gebeurd met door Nederland teruggestuurde en vervolgens verdwenen Koerdische asielzoekers. De minister heeft beloofd een ambtsbericht op te stellen. Dat ambtsbericht had de Kamer in juni moeten bespreken. Hoever is het onderzoek gevorderd en wanneer zal de Kamer het ambtsbericht ontvangen?

Tussen Duitsland, het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk zou in het geheim een overeenkomst zijn gesloten. Met die overeenkomst zou men een tijdsplan hebben opgesteld voor de toetreding van Turkije tot de EU. Tussen 2011 en 2012 zou Turkije moeten toetreden. Is dat bericht juist?

Mevrouw Van 't Riet (D66) vond de lijst van hulpverlenende landen naar aanleiding van de afschuwelijke aardbeving, waarbij ook veel Nederlandse Turken omkwamen, indrukwekkend. Niet duidelijk is evenwel aangegeven hoe de hulp wordt gecoördineerd en of de getroffenen nog voor de winter een dak boven hun hoofd hebben.

Mevrouw Van 't Riet sprak eveneens over de verstrengeling van Turkse en Nederlandse belangen alsmede over de gebreken die de Turkse staat nog vertoont. De AIV stelt voor de dialoog tussen Nederlandse en Turkse non-gouvernementele en gouvernementele organisaties te verbeteren en periodieke Turks-Nederlandse conferenties met vertegenwoordigers van de regering en NGO's te houden. Dit zijn goede suggesties in het uitstekende rapport van de AIV. Zij kunnen de relatie met Turkije ten goede komen en ertoe leiden dat Turkije te zijner tijd op strakke voorwaarden aangemerkt kan worden als kandidaat-lid van de EU.

Mevrouw Van 't Riet ging voorts op enkele afzonderlijke kwesties in en vroeg wat de stand van zaken is naar aanleiding van het verzoek van de openbare aanklager van het constitutionele hof in Ankara om de partijen HADEP en Fazilet te verbieden. Voorts vroeg zij zich af of het eventueel voltrekken van het doodvonnis tegen Öcalan terroristische aanslagen zal opleveren. In hoeverre houdt de minister rekening met aanslagen in Nederland?

Griekenland blokkeert de uitbetaling van de Douane-uniegelden. Is het mogelijk met de overige veertien landen, buiten de formele kaders van de EU om, de financiële middelen vrij te maken? Is de minister bereid voor Turkije fondsen op basis van de Euromediterrane associatie beschikbaar te stellen? Hoe staat het met bestrijding van de drugssmokkel via Turkije en de Turkse criminele organisaties in Nederland?

De AIV concludeert dat het kandidaat-lidmaatschap van Cyprus niet aan de orde is. De opstelling van D66 op dit punt is niet veranderd en zij pleit nog steeds voor het kandidaat-lidmaatschap van Cyprus. Wat is de mening van de regering op dit punt?

De heer Koenders (PvdA) vond eveneens dat Turkije nog ver af is van het EU lidmaatschap, maar zag in de recente ontwikkelingen een positieve dynamiek. Die dynamiek zou vooral benut moeten worden om op verschillende terreinen verbeteringen in Turkije aan te brengen. Te denken valt daarbij aan de mensenrechten, de positie van de minderheden, het rechtsstelsel en de antiterreurwet. Voorzover in Turkije sprake is van een Europese oriëntatie, doet die zich voor bij de niet-gouvernementele organisaties en het bedrijfsleven. Daarom zal vooral via die kanalen gewerkt moeten worden.

Om het defensie- en buitenlandbeleid van de EU een nieuwe impuls te kunnen geven, zal ook op gouvernementeel vlak moeten worden samengewerkt met Turkije. Verder zal de EU zo snel mogelijk projecten op de terreinen van armoedebestrijding, democratisering, de mensenrechten, de hervorming van de politie en het leger moeten financieren. De samenwerking op die terreinen kan als een hefboom werken. De EU kan veel doen via het project PHARE. Zij zal daarbij voor een heldere strategie moeten kiezen, maar zich op het punt van de mensenrechten compromisloos moeten opstellen. Bilateraal kan eventueel gebruik worden gemaakt van het project Samenwerking Oost-Europa (PSO) en het project Maatschappelijke transformatie (Matra).

De Nederlandse regering mag ondertussen haar ogen niet sluiten voor het Koerdische vraagstuk. Hoewel de guerrilla-activiteiten afnemen, is Turkije toch met een invasie in Noord-Irak gekomen. Het is van belang dat de regering zich actief opstelt en tracht ook voor de Koerdische kwestie, die al 30 000 doden heeft gekost, een oplossing te vinden.

Het antwoord van de regering

De minister ging in zijn antwoord allereerst in op de opmerkingen over de gevolgen van de aardbeving. Hij herinnerde aan de steun die de EU en Nederland al hebben gegeven en zei nog overleg te voeren met de VNG over de inspanningen van die organisatie en van individuele gemeenten. Zodra hiervoor een programma is opgesteld, zal de Kamer nader geïnformeerd worden.

De minister sprak vervolgens over het belang van een goede relatie met Turkije. Hij wees erop dat in de landen van de EU veel grote Turkse gemeenschappen voorkomen en de relatie met Turkije daarom niet alleen gekenmerkt wordt door strategische, politieke en economische overwegingen, maar ook door cultureel-maatschappelijke. Ook om deze reden kan de EU niet voorbijgaan aan de ontwikkelingen in Turkije en dient zij te trachten daaraan een positieve bijdrage te leveren. Het is dan ook verheugend dat Turkije sinds april een stabiele regering kent en dat die regering positieve uitspraken heeft gedaan over het handhaven van de mensenrechten en de relatie met de Europese Unie. Voorts hebben twee grondwetswijzigingen plaatsgevonden en is de relatie met Griekenland verbeterd.

Dit alles neemt niet weg dat de antiterreurwet nog niet is gewijzigd, mensen verdwijnen en gefolterd worden en er sprake is van onverantwoord militair optreden. Terecht is er ook kritiek op de kwaliteit van de rechtspraak, op de situatie in de gevangenissen, de corruptie binnen de overheid, de controle van de politiek op de krijgsmacht en het ontbreken van rechten voor de Koerden. Op dit moment voldoet Turkije dan ook niet aan de politieke en economische criteria die in Kopenhagen voor toetreding tot de EU zijn vastgesteld en is het land nog ver verwijderd van toetreding. De brief die premier Ecevit aan de vooravond van de top in Keulen aan de Duitse bondskanselier heeft geschreven, maakt echter duidelijk dat Turkije zich bewust is van het feit dat in Turkije nog veel moet veranderen om lid te kunnen worden van de EU.

De top in Helsinki vormt een goede gelegenheid om voort te gaan op de weg die tot de top van Luxemburg in 1997 is bewandeld. Die weg bood via het associatieverdrag EEG-Turkije Turkije perspectief op toetreding. Op 29 mei 1997, voordat de Europese Raad in Luxemburg bijeenkwam, heeft Nederland met zijn brief van staatssecretaris Patijn de Kamer laten weten dat Turkije met dezelfde objectieve normen en criteria zal wordenbeoordeeld als de andere kandidaten. Bij die objectieve normen gaat het om de zogenaamde Kopenhagencriteria. Staatssecretaris Patijn verwoordde daarmee het standpunt van de Europese Commissie dat door de Europese Raad werd bevestigd. De EU, die de wettige opvolger is van de EEG, zal dat standpunt ook in Helsinki moeten verwoorden. Het doet er vervolgens niet toe of Turkije wordt aangemerkt als een pre-in of een kandidaat-lid. Het gaat erom dat er consensus over bestaat dat pas als Turkije aan de Kopenhagencriteria voldoet, over toetreding kan worden onderhandeld. Evenwel zal voor die toetreding door de Raad een apart besluit moeten worden genomen. Ook eurocommissaris Günter Verheugen heeft bepaald dat Turkije eerst een democratische rechtsstaat moet worden en dat nog onzeker is wanneer met Turkije onderhandelingen over toetreding kunnen worden begonnen. Thans zijn berichten over termijnen dan ook onjuist.

De AIV heeft eveneens aanbevelingen op economisch terrein gedaan. Die aanbevelingen komen grotendeels overeen met de Europese strategie voor Turkije. Gestreefd wordt naar samenwerking op het gebied van landbouw en diensten en verdieping van de dialoog over de Douane-unie en macro-economische kwesties. Tevens kunnen via de NGO's de contacten met Turkije verbeterd worden. Ook op economisch terrein zal Turkije nog een grote inspanning moeten verrichten om aan de economische Kopenhagencriteria te kunnen voldoen.

Bij de Turkijefaciliteit zal sprake moeten zijn van een bilaterale financieringsrelatie van Nederland met Turkije naar analogie van het EU-preaccessieprogramma. Hierbij kan gedacht worden aan de Matra-steun en het PSO. Steun op grond van het PHARE-programma zou na de top van Helsinki eveneens overwogen kunnen worden. Daarbij gaat het evenwel, in tegenstelling tot Matra en PSO, om een Europees programma.

Door Griekenland is de blokkade van de gelden voor de Douane-unie niet opgeheven. Daarnaast komen ook de gelden van MEDA voor Turkije in onvoldoende mate beschikbaar. Op dat punt is er geen vooruitgang. Natuurlijk wordt over de opheffing van de blokkade gesproken. Evenwel is op dit punt voorafgaande aan de top van Helsinki geen doorbraak te verwachten.

Toetsing van het doodvonnis van Öcalan vindt door het Turkse hooggerechtshof plaats. Als dat hof het vonnis verwerpt, zal een nieuwe rechtszaak moeten volgen. In het geval van bevestiging moet het parlement het vonnis in de vorm van een wet goedkeuren. Een dergelijke parlementaire behandeling kan enige tijd in beslag nemen. Indien het werkelijk tot een behandeling in het parlement komt en indien het parlement het doodvonnis verwerpt, zal de straf automatisch omgezet worden in levenslang. Indien het parlement het doodvonnis aanvaardt, maar de president de wet niet zou ondertekenen, komt de zaak opnieuw in het parlement aan de orde. Er kan dus sprake zijn van een lange rechtsgang. Uiteraard zal Nederland, als zij daartoe in de gelegenheid mocht zijn, een bijdrage leveren aan het oplossen van de Koerdische kwestie. Het onderwerp zal in ieder geval op de agenda staan van het gesprek met minister Cem in november, evenals een aantal andere onderwerpen, waaronder het Groot-Anatoliëproject.

Nadere gedachtewisseling

De heer Koenders (PvdA) vroeg of de minister tijdens het overleg met de Turkse minister van buitenlandse zaken ook zal spreken over de inval van Turkije in Noord-Irak, over het kandidaat-lidmaatschap en over de verbetering van de bilaterale betrekkingen op zowel gouvernementeel als non-gouvernementeel niveau.

Mevrouw Van 't Riet (D66) verwees naar het advies van de AIV om Turkije deel te laten nemen aan de discussie over de EVDI. Wat is de positie van de Nederlandse regering op dit punt? Is het bericht dat de Europese Commissie Turkije reeds heeft aangemerkt als kandidaat-lid juist?

Mevrouw Karimi (GroenLinks) vroeg opnieuw aandacht voor de kwesties van de wapenexport naar Turkije en de teruggestuurde asielzoekers. Zij stipuleerde dat de Nederlandse regering niet duidelijk heeft gemaakt wat haar opstelling in Helsinki jegens kandidaatsstelling van Turkije zal zijn. Eerder heeft de regering aangegeven Turkije niet anders te willen behandelen dan de reeds aangemerkte twaalf kandidaat-leden. Nu lijkt Turkije weer een apart geval te worden en niet in aanmerking te komen voor toetredingsonderhandelingen.

De heer Verhagen (CDA) vond ook dat de minister beter duidelijk had moeten maken met welke opstelling Nederland de onderhandelingen ingaat. De minister heeft nadrukkelijk gesteld geen vaste termijnen voor toetreding van Turkije in aanmerking te willen nemen. Zijn opmerkingen hierover nu lijken in tegenspraak met zijn opmerkingen eerder in het debat met de Kamer. Daarbij verklaarde hij zich wel te willen binden aan een termijn voor toetreding van kandidaat-leden. Betekent dit dat de minister onderscheid maakt tussen kandidaat-lidstaten?

De heer Verhagen vroeg voorts aandacht voor de Koerdische kwestie en de blokkade van Griekenland van de Douane-uniegelden. Welke positie neemt de Nederlandse regering in ten aanzien van de PKK en wat is haar bekend over mogelijke activiteiten van de PKK in Nederland? Wat zal Nederland ondernemen om Griekenland ertoe te bewegen zijn veto ten aanzien van de Douane-uniegelden te beëindigen?

De heer Van Middelkoop (GPV) concludeerde dat onderhandelingen met Turkije pas zullen beginnen als aan de Kopenhagencriteria is voldaan. Dat betekent dat op dat moment de situatie in Turkije wezenlijk zal moeten zijn veranderd en het land een democratische rechtsstaat zal moeten zijn. Dat zou betekenen dat voorlopig Turkije niet kan worden aangemerkt als een kandidaat-lid en dat de positie van Turkije een wezenlijk andere is dan die van de andere mogelijke toetreders.

De heer Wilders (VVD) concludeerde dat de geschiedenis leert dat bij Turkije verwachtingen zijn gewekt, maar dat er nooit een formeel besluit van de EU is geweest om Turkije als kandidaat aan te merken. Voor het aangaan van toetredingsonderhandelingen met Turkije zal dan ook een apart besluit van de Europese Raad nodig zijn. Het besluit om Turkije als kandidaat-lid aan te merken, heeft, gelet op de vele inspanningen die het land nog moet leveren, niet de voorkeur van de VVD. Het gegeven dat de minister niet uitsluit dat op korte- of middellange termijn onderhandelingen met Turkije kunnen aanvangen, sterkt hem in deze conslusie. De heer Wilders constateerde dat de minister dit najaar met de Turkse regering overleg zal plegen over de diverse onderwerpen en hoopte dat de Kamer over dit overleg nader geïnformeerd zal worden.

De minister antwoordde dat hij tijdens zijn overleg met zijn Turkse collega alle genoemde onderwerpen, zoals de waterproblematiek, de invasie van Turkije in Noord-Irak, het Öcalanproces enzovoorts, aan de orde zal stellen. Gelet op de gevoeligheid van de onderwerpen zal het niet een eenvoudig gesprek worden, maar minister Cem van Turkije staat volledig open voor kritiek. Daardoor is een echte dialoog mogelijk.

Ten behoeve van het GBVB zal het noodzakelijk zijn dat de Europese Unie overleg voert met die Europese landen die niet lid zijn van de Europese Unie, maar wel van de NAVO. Een werkgroep EU-NAVO zou dan ook in het belang zijn van de transatlantische band.

De staatssecretaris van Justitie heeft naar aanleiding van de berichten over terugkeerde Koerdische asielzoekers de uitzetting van Koerdische uitgeprocedeerde asielzoekers opgeschort. Voor het onderzoek naar het verdwijnen van teruggekeerde Koerdische asielzoekers heeft de Turkse regering alle medewerking verleend. Zij heeft mogelijk belastende documenten aan Nederland gegeven. Het ambtsbericht terzake moet nog afgerond worden.

De kwestie van de levering van onderdelen voor de fabricage van F16's zal kunnen worden behandeld op 9 november tijdens het wapenexportoverleg.

De minister bevestigde voorts dat voor het starten van toetredingsonderhandelingen met Turkije een apart besluit van de Europese Raad nodig zal zijn. Termijnen kunnen uiteraard niet genoemd worden. Mede gelet op het feit dat ook door de Unie het nodige werk gedaan moet worden, zal ook zij wel aan de hand van een schema moeten werken. De Europese Unie zelf moet er eveneens voor klaar zijn om op een gegeven moment nieuwe leden te kunnen toelaten.

Wat de PKK betreft, verwees de minister naar eerdere rapportages van de kant van het ministerie van Buitenlandse Zaken. Hij meende dat er thans geen aanwijzingen zijn dat de PKK in Nederland activiteiten onderneemt die in strijd zijn met de Nederlandse wet. Zodra er evenwel dergelijke aanwijzingen zijn, zal de Nederlandse regering, in het bijzonder de ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, optreden. Overigens is de BVD in dit verband alert.

De blokkade van de Douane-uniegelden door Griekenland staat permanent op de agenda. Alle overige lidstaten spannen zich in voor opheffing van die blokkade. In aanmerking moet worden genomen dat de Griekse regering de tijd moet worden gegund om tot een andere opstelling te komen. Daarom valt niet te verwachten dat de blokkade voorafgaande aan de top in Helsinki zal worden opgeheven.

De voorzitter van de commissie,

De Boer

De griffier van de commissie,

Hommes


XNoot
1

Samenstelling: Leden: Blaauw (VVD), Weisglas (VVD), Van den Berg (SGP), Ter Veer (D66), Van Middelkoop (GPV), Apostolou (PvdA), Van Gijzel (PvdA), Voorhoeve (VVD), Hillen (CDA), Valk (PvdA), Verhagen (CDA), ondervoorzitter, Hessing (VVD), Van Ardenne-van der Hoeven (CDA), Hoekema (D66), Marijnissen (SP), M.B. Vos (GroenLinks), Dijksma (PvdA), Van den Doel (VVD), Koenders (PvdA), De Boer (PvdA), voorzitter, Van der Knaap (CDA), Ross-van Dorp (CDA), Karimi (GroenLinks), Timmermans (PvdA) en Wilders (VVD).

Plv. leden: Dijkstal (VVD), Van Baalen (VVD), De Graaf (D66), Van 't Riet (D66), Rouvoet (RPF), Belinfante (PvdA), Duivesteijn (PvdA), Patijn (VVD), Visser-van Doorn (CDA), Zijlstra (PvdA), Eurlings (CDA), Cherribi (VVD), De Haan (CDA), Scheltema-de Nie (D66), Van Bommel (SP), Harrewijn (GroenLinks), Bussemaker (PvdA), Remak (VVD), Albayrak (PvdA), Van Oven (PvdA), Van den Akker (CDA), Leers (CDA), Rosenmöller (GroenLinks), Feenstra (PvdA) en Balemans (VVD).

Naar boven