26 660
Wijziging van de Mediawet in verband met de invoering van een vernieuwd concessiestelsel voor de landelijke publieke omroep

nr. 16
AMENDEMENT VAN HET LID STELLINGWERF

Ontvangen 17 januari 2000

De ondergetekende stelt het volgende amendement voor:

I

In artikel I, onderdeel J, wordt aan punt 3 een nieuw punt toegevoegd, luidende:

e. Na onderdeel j (nieuw) wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel j (nieuw) door een puntkomma, een nieuw onderdeel toegevoegd, luidende:

k. besluiten, bedoeld in artikel 40, vijfde lid, en artikel 41b, eerste lid, onderdeel e, indien een omroepinstelling een beroep doet op de laatste volzin van artikel 40, vijfde lid, of op artikel 41b, eerste lid, onderdeel e.

II

In artikel I, onderdeel GG, wordt aan artikel 40, vijfde lid, een volzin toegevoegd, luidende: Dit leidt er niet toe dat een op basis van een beleidsplan als bedoeld in artikel 32, tweede lid, een erkende instelling belemmerd wordt in het realiseren van de programmatische doelstellingen vastgelegd in dat beleidsplan.

III

In artikel I, onderdeel KK, wordt na punt 1 een nieuw punt ingevoegd, luidende:

1a. Aan het eerste lid wordt, onder weglating van «en» aan het slot van onderdeel c en onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel d door «; en», een nieuw onderdeel toegevoegd, luidende:

e. de kenmerkende programmaonderdelen van instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep, voor wat betreft het tijdstip, evenwichtig worden uitgezonden.

IV

In artikel I, onderdeel DDD, wordt aan artikel 55b, eerste lid, een volzin toegevoegd, luidende: Een instelling die zendtijd heeft verkregen voor landelijke omroep is verantwoordelijk voor, en bepaalt vorm en inhoud van deze activiteiten.

Toelichting

Het amendement beoogt dat de vergaande bevoegdheden van de Raad van Bestuur niet ten koste mogen gaan van de journalistieke onafhankelijkheid van programmamakers en de missie van omroepinstellingen. Een herkenbare zenderprofilering mag niet ten koste gaan van de eigen identiteit en profileringsmogelijkheden van de omroepinstellingen. Dat geldt ook voor plaatsing van kenmerkende programma's, ook als die programma's voor een smal publiek bedoeld zijn. Indien dergelijke fundamentele belangen in het geding zijn, behoeft het betreffende besluit van de Raad van Bestuur, de instemming van de Raad van Toezicht.

Stellingwerf

Naar boven