26 655
Wijziging van de wet tot wijziging van de Wet algemene regels herindeling, de Provinciewet en de Gemeentewet (Wijziging procedurele bepalingen) (Begrip grenscorrectie)

nr. 4
VERSLAG

Vastgesteld 16 september 1999

De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties1, belast met het voorbereidend onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer van haar bevindingen als volgt verslag uit te brengen. Onder het voorbehoud dat de regering de gestelde vragen genoegzaam zal hebben beantwoord, acht de commissie de openbare beraadslaging over dit wetsvoorstel voldoende voorbereid.

Bij de leden van de VVD-fractie leven de volgende vragen met betrekking tot het bovenstaande wetsvoorstel:

De minister schrijft in de memorie van toelichting dat de reden om te komen tot de novelle is gelegen in de bezwaren van de zijde van de Eerste Kamer.

Welke inhoudelijke bezwaren van de Eerste Kamer deelt de minister? Of is slechts sprake van de wens om deze wetswijziging snel tot stand te brengen?

Volgens de memorie van toelichting neemt de voorgestelde wijziging van de Wet algemene regels herindeling (Arhi) een aantal belemmeringen weg die nu nog bestaan voor de minister. Kan de minister aangeven welke belemmeringen dit zijn?

Het door de Tweede Kamer aangenomen amendement strekkende tot verruiming van het begrip grenscorrectie is indertijd door de regering geaccepteerd. Nu stelt de minister dat ieder percentage arbitrair is. Op welke wijze leidt een vergroting van het percentage tot een verwijdering van het doel waarvoor de bevoegdheid aan de provincie is toegekend?

Dit voorstel tot wetswijziging in de vorm van een novelle is een verkapte toekenning van het recht van amendement aan de Eerste Kamer. Wat is de visie van de regering in staatsrechtelijke zin op dit verkapte recht van amendement?

Bij het debat in de Tweede Kamer over de gemeentelijke herindeling van Twente is de positie van de ondernemingsraden bij het herindelingsproces aan de orde geweest. De minister heeft toegezegd hier duidelijkheid over te verschaffen. Betekent dit dat te verwachten is dat binnen afzienbare tijd andermaal een voorstel tot wijziging van de Wet Arhi aan de Kamer wordt gezonden?

De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennis genomen van dit wetsvoorstel dat in feite een novelle is. Het wijzigingsvoorstel waarbij het percentage van 15 weer wordt teruggebracht tot 10 kan rekenen op de instemming van de leden van de CDA-fractie. Grenscorrecties waarbij 15% van de bevolking van een gemeente is betrokken zijn geen grenscorrecties meer, dat zijn gewoon herindelingen en die worden bij wet geregeld.

De leden van de CDA-fractie hebben wel nog een aantal vragen over de tweede wijziging en wel over artikel I, onderdeel B. Argument is dat hierdoor duidelijker wordt aangegeven dat de algemene regel van artikel 10, dat een provincie geen voorbereidingen (meer) treft, indien de minister voorbereidingen ter hand heeft genomen, ook van toepassing is op een wijziging van de provinciale indeling. Is er door de Eerste Kamer eveneens aangedrongen op deze wijziging van de wet? Zo ja, wat waren dan daarbij de overwegingen? Zo neen, waarom stelt de minister deze wijziging voor?

Voorts willen de aan het woord zijnde leden een nadere onderbouwing van de noodzaak van deze wijziging.

De leden van de fracties van GPV en RPF hebben kennis genomen van onderhavig wetsvoorstel. Het voorstel is totstandgekomen naar aanleiding van breed verzet in de Eerste Kamer tegen een onderdeel van de Wijziging van de wet Arhi, de Provinciewet en de Gemeentewet (kamerstuk nr. 25 234). Dit onderdeel betrof de verhoging van de grens van het inwonertal van betrokken gemeenten naar 15%, waaronder Provinciale Staten mogen besluiten tot een grenscorrectie. Naast de kritiek op deze verhoging bestonden er in de Eerste Kamer aanzienlijke andere bezwaren tegen dit wetsvoorstel. De leden van de fracties van GPV en RPF zouden graag van de regering willen weten waarom middels deze novelle alleen aan de kritiek ten aanzien van de verhoging tegemoet wordt gekomen en niet op de andere bezwaren wordt ingegaan.

De bovengenoemde leden zijn van mening dat een grenscorrectie bedoeld is om kleine grenswijzigingen te regelen. Deze wijzigingen kunnen bijvoorbeeld een overheveling van grondgebied voor een bouwlocatie betreffen of het opheffen van ondoelmatig grensverloop. Het gaat hier om technische aanpassingen van gemeentegrenzen. Hoewel iedere grens arbitrair is, vinden de leden van GPV- en RPF-fracties grenswijzigingen waarbij tussen de 10% en 15% van de bevolking van gemeenten betrokken is, verstrekkende grenswijzigingen en geen technische aanpassingen meer. Daar komt bij dat bij het hanteren van de huidige grens van 10% reeds bij een zeer laag percentage een complete kern van de ene gemeente naar de andere kan overgaan. Wanneer nu het grenspercentage wordt verhoogd tot 15 kan dat betekenen dat zelfs omvangrijke kernen buiten een herindelingsprocedure om bij een andere gemeente worden ingedeeld. Dat lijkt de leden van de fracties van GPV en RPF geen goede weg. Indien het gaat om verstrekkende grenswijzigingen moet, aldus de genoemde leden, de wetgever hierover belsissen. Er dient dan een herindelingsprocedure gestart te worden.

Wanneer een grenscorrectie plaatsvindt als gevolg van een besluit van Provinciale Staten kunnen in de betrokken gemeenten geen verkiezingen worden gehouden. Provinciale Staten hebben immers hiertoe niet de bevoegdheid. De fracties van GPV en RPF zouden het een slechte zaak vinden als bij een grenswijziging waarbij meer dan 10% van de bevolking van een gemeente betrokken is, dit deel niet zijn invloed in de nieuwe gemeente mag laten gelden door middel van het uitbrengen van een stem voor de gemeenteraad. Hierdoor zal een aanzienlijk deel van een gemeente zich niet vertegenwoordigd voelen. Verder kunnen door een dergelijke grenswijziging de politieke verhoudingen binnen een gemeente veranderen. De leden van de GPV- en RPF-fractie zouden het verkeerd vinden als deze veranderde verhoudingen niet zichtbaar werden in de samenstelling van de gemeenteraad.

De genoemde leden willen verder opmerken dat het criterium van 10% niet bedoeld is om een herindelingsprocedure te voorkomen indien dat wel de eigenlijke weg zou zijn. De leden van de fracties van GPV en RPF wijzen in dit verband naar de situatie rond Den Haag en randgemeenten. Daar werd door de provincie Zuid-Holland op z'n minst de indruk gewekt dat zij enkel onder de grens van 10% van de betrokken inwoners gebleven was omdat anders de wetgever er zich ook over uit zou moeten spreken. Een zodanig omgaan met het criterium draagt het ernstige gevaar in zich dat de kwaliteit van het grenscorrectievoorstel ondergeschikt wordt gemaakt aan de te volgen procedure. De leden van de genoemde fracties vinden dat bij wijziging van gemeentegrenzen de kwaliteit voorop moet staan. Indien een situatie vraagt om een herindelingsprocedure dan dient deze gestart te worden. Een dergelijke situatie mag niet door middel van een grenswijzigingsprocedure geregeld worden omdat dat nu eenmaal sneller gaat. De leden van de fracties van GPV en RPF zouden graag de reactie van de regering hierop vernemen.

De leden van de SGP-fractie hebben met instemming kennisgenomen van het voorliggende voorstel.

Zij constateren naar hun tevredenheid dat de regering besloten heeft om het begrip grenscorrectie, dat in een eerder stadium van de behandeling van de wet door deze Kamer vastgesteld was op 15%, opnieuw vast te stellen op de oorspronkelijke 10%.

Zij constateren dat het gewicht van het argument – door deze leden in de plenaire behandeling van de Wet Arhi naar voren gebracht – dat een grenscorrectie, waardoor tot 15% van het inwonertal van de betrokken gemeente geraakt wordt, niet aan de provincie overgelaten kan worden, door de regering onderkend is en dat daaraan door de onderhavige novelle gevolg gegeven is.

Daarnaast zijn deze leden van mening dat de regering in de memorie van toelichting terecht opmerkt dat vaststelling van het begrip grenscorrectie op 10% meer in overeenstemming is met artikel 123 van de Grondwet dan de eerder voorgestelde 15%.

De leden van de SGP-fractie vragen of de behandeling op 21 april 1998 in de Eerste Kamer van het voorstel om de Wet Arhi te wijzigen, de regering geen aanleiding heeft gegeven om over de onafhankelijke toetsing (commissie-Van Splunder) en de rol van de provincie tegemoet te komen aan de kritiek uit de Eerste Kamer. Zij vragen hoe de regering denkt over de haalbaarheid van de gewijzigde Wet Arhi nu de voorliggende novelle alleen betrekking heeft op het punt van de grenscorrectie, en niet op die van de onafhankelijke toetsing en de rol van de provincie. Deze leden zouden het zeer op prijs stellen wanneer de regering in de kritiek uit de Eerste Kamer aanleiding zou vinden om een voorstel te doen terzake de handhaving van de onafhankelijke toetsing.

De voorzitter van de commissie,

De Cloe

De griffier van de commissie,

Coenen


XNoot
1

Samenstelling: Leden: Terpstra (VVD), Schutte (GPV), Te Veldhuis (VVD), ondervoorzitter, De Cloe (PvdA), voorzitter, Van den Berg (SGP), Van de Camp (CDA), Scheltema-de Nie (D66), Van der Hoeven (CDA), Van Heemst (PvdA), Noorman-den Uyl (PvdA), Oedayraj Singh Varma (GL), Dankers (CDA), Hoekema (D66), Rijpstra (VVD), Cornielje (VVD), Rehwinkel (PvdA), Luchtenveld (VVD), Wagenaar (PvdA), De Boer (PvdA), Duijkers (PvdA), Verburg (CDA), Rietkerk (CDA), Halsema (GL), Kant (SP), Balemans (VVD).

Plv. leden: Van den Doel (VVD), Rouvoet (RPF), Van Beek (VVD), Zijlstra (PvdA), Ravestein (D66), Van Wijmen (CDA), Augusteijn-Esser (D66), Balkenende (CDA), Barth (PvdA), Gortzak (PvdA), Rabbae (GL), Wijn (CDA), Dittrich (D66), Cherribi (VVD), Nicolaï (VVD), Van Oven (PvdA), Brood (VVD), Apostolou (PvdA), Kuijper (PvdA), Belinfante (PvdA), Mosterd (CDA), Eurlings (CDA), Van Gent (GL), Poppe (SP), Essers (VVD).

Naar boven