26 608
Regeling van het conflictenrecht met betrekking tot verbintenissen uit onrechtmatige daad (Wet conflictenrecht onrechtmatige daad)

nr. 1
KONINKLIJKE BOODSCHAP

Aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Wij bieden U hiernevens ter overweging aan een voorstel van wet tot regeling van het conflictenrecht met betrekking tot verbintenissen uit onrechtmatige daad (Wet conflictenrecht onrechtmatige daad).

De memorie van toelichting, die het wetsvoorstel vergezelt, bevat de gronden waarop het rust.

En hiermede bevelen Wij U in Godes heilige bescherming.

's-Gravenhage

17 juni 1999

Beatrix

nr. 2
VOORSTEL VAN WET

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een wettelijke regeling te geven van het conflictenrecht met betrekking tot verbintenissen uit onrechtmatige daad;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Artikel 1

Voor de toepassing van deze wet wordt met het grondgebied van een Staat gelijkgesteld:

a. de installaties en andere inrichtingen ten behoeve van de exploratie en exploitatie van natuurlijke rijkdommen, aanwezig in, op of boven het buiten de territoriale grens van die Staat gelegen deel van de zeebodem voor zover die Staat daar op grond van het internationale recht soevereine rechten mag uitoefenen ten behoeve van de exploratie en exploitatie van natuurlijke rijkdommen;

b. een zich op volle zee bevindend schip dat door of vanwege die Staat teboekgesteld is of van een zeebrief of daarmee gelijk te stellen document is voorzien, dan wel bij gebreke van enige teboekstelling, zeebrief of daarmee gelijk te stellen document, toebehoort aan een onderdaan van die Staat;

c. een zich in het luchtruim bevindend luchtvaartuig dat door of vanwege die Staat teboekgesteld is of in het nationaliteitsregister van die Staat is ingeschreven, dan wel bij gebreke van enige teboekstelling of inschrijving in het nationaliteitsregister, toebehoort aan een onderdaan van die Staat.

Artikel 2

1. Deze wet laat onverlet het op 4 mei 1971 te 's-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag inzake de wet die van toepassing is op verkeersongevallen op de weg (Trb. 1971, 118) en het op 2 oktober 1973 te 's-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag inzake de wet welke van toepassing is op de aansprakelijkheid wegens produkten (Trb. 1974, 84).

2. Deze wet laat eveneens onverlet het bepaalde in artikel 7 van de Wet van 18 maart 1993, houdende enige bepalingen van internationaal privaatrecht met betrekking tot het zeerecht en het binnenvaartrecht (Stb. 1993, 168).

Artikel 3

1. Verbintenissen uit onrechtmatige daad worden beheerst door het recht van de Staat op welks grondgebied de daad plaatsvindt.

2. In afwijking van het eerste lid wordt, wanneer een daad schadelijk inwerkt op een persoon, een goed of het natuurlijke milieu elders dan in de Staat op welks grondgebied die daad plaatsvindt, het recht toegepast van de Staat op welks grondgebied die inwerking geschiedt, tenzij de dader de inwerking aldaar redelijkerwijs niet heeft kunnen voorzien.

3. Indien dader en benadeelde in dezelfde Staat hun gewone verblijfplaats onderscheidenlijk plaats van vestiging hebben, is in afwijking van het eerste en tweede lid het recht van die Staat van toepassing.

Artikel 4

1. In afwijking van artikel 3 worden verbintenissen wegens ongeoorloofde mededinging beheerst door het recht van de Staat op welks grondgebied de mededingingshandeling de concurrentieverhoudingen beïnvloedt.

2. Het eerste lid is niet van toepassing indien de mededingingshandeling uitsluitend tegen een bepaalde concurrent is gericht.

Artikel 5

Indien een onrechtmatige daad nauw verbonden is met een tussen dader en benadeelde bestaande of gewezen rechtsverhouding, kan in afwijking van de artikelen 3 en 4 op de verbintenis uit onrechtmatige daad het recht worden toegepast dat die andere rechtsverhouding beheerst.

Artikel 6

1. Indien partijen het op de verbintenis uit onrechtmatige daad toepasselijke recht hebben gekozen, is in afwijking van de artikelen 3 tot en met 5 tussen hen dit recht van toepassing.

2. De rechtskeuze dient uitdrukkelijk te zijn gedaan of anderszins voldoende duidelijk te blijken.

Artikel 7

Het op grond van de artikelen 3 tot en met 6 toepasselijke recht bepaalt in het bijzonder:

a) de gronden voor en de omvang van de aansprakelijkheid;

b) de gronden voor uitsluiting, beperking en verdeling van de aansprakelijkheid;

c) het bestaan en de aard van schade die voor vergoeding in aanmerking komt;

d) de omvang van de schade en de wijze van vergoeding ervan;

e) de mogelijkheid tot overdracht of overgang van het recht op schadevergoeding;

f) de personen die uit eigen hoofde recht hebben op schadevergoeding;

g) de aansprakelijkheid van een opdrachtgever voor handelingen van degene die voor hem optreedt;

h) de termijn voor de verjaring of het verval van een aanspraak op schadevergoeding, alsmede het tijdstip van aanvang van de termijn en van zijn stuiting of schorsing.

Artikel 8

Het in de artikelen 3 tot en met 7 bepaalde staat niet eraan in de weg dat rekening wordt gehouden met op de plaats van de onrechtmatige daad geldende verkeers- en veiligheidsvoorschriften of andere daarmee vergelijkbare voorschriften strekkend tot bescherming van personen of zaken.

Artikel 9

Deze wet wordt aangehaald als: Wet conflictenrecht onrechtmatige daad.

Artikel 10

Deze wet treedt in werking met ingang van de eerste dag van de tweede kalendermaand na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven

De Minister van Justitie,

Naar boven