26 573
Van beleidsbegroting tot beleidsverantwoording

nr. 17
BRIEF VAN DE MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 8 mei 2000

Inleiding

Tot mijn genoegen kan ik u het voorbeeld van de «beleidsbegroting» van Economische Zaken aanbieden1. Met deze voorbeeldbegroting – en het daarmee in samenhang te lezen plan van aanpak – leg ik mijn gedachten over de uitwerking van de regeringsnota «Van beleidsbegroting tot beleidsverantwoording» aan u voor, in de hoop op een constructieve dialoog over de begroting voor de 21e eeuw.

De in mei 1999 verschenen regeringsnota «Van beleidsbegroting tot beleidsverantwoording» (VBTB) vormde het startschot voor een ingrijpende heroriëntatie van de opzet van de rijksbegroting. De centrale gedachte van VBTB is het transparant maken van de relatie tussen beleid, prestaties en geld. «Wat willen we bereiken?», «Wat gaan we daarvoor doen?» en «Wat mag dat kosten?» zijn de vragen die daartoe beantwoord moeten worden.

Deze heroriëntatie op de begroting is geen geringe opgave gebleken. Allereerst moesten keuzes gemaakt worden over een nieuwe begrotingsindeling die een heldere afspiegeling dient te vormen van het EZ-beleid. Daarna moest afgewogen worden welke algemene en operationele beleidsdoelstellingen, streefwaarden en prestatie-indicatoren zich lenen voor de nieuwe begrotingsopzet. Dit alles in het perspectief van een toegankelijke, informatieve en beleidsmatig georiënteerde begroting, met nu juist die informatie waaraan behoefte bestaat in het verkeer tussen ministerie en Kamer.

De voorbeeldbegroting en het plan van aanpak geven weer waar mijn gedachten naar uitgaan. Overeenkomstig de rijksbrede lijn, heb ik het voornemen om – na consultatie van uw Kamer – het in de voorbeeldbegroting geschetste perspectief te vertalen in een formele begroting voor 2002. Ik stel het daarom op prijs om uiterlijk dit najaar het overleg met u over de gewenste inhoud van de VBTB-begroting af te ronden, zodat ik rekening kan houden met uw wensen bij de voorbereiding van de begroting 2002.

Inhoud van deze brief

Aansluitend ga ik op de volgende punten in:

• Toelichting bij de voorbeeldbegroting

• Het plan van aanpak voor het implementatietraject

• Reactie op werkgroep Financiële verantwoording (Cie. Van Zijl-II/Van Walsem)

Toelichting bij de voorbeeldbegroting

Opbouw van de voorbeeldbegroting

De nieuwe begroting kent de volgende opbouw:

1. De begrotingswet

2. De begrotingsstaten voor verplichtingen, uitgaven en ontvangsten

3. De leeswijzer (index)

4. De beleidsparagraaf

– de beleidsagenda

– de beleidsparagraaf

5. De agentschapsparagraaf (Senter)

6. De verdiepingsbijlage

N.B. In de voorbeeldbegroting zijn nog niet alle elementen uitgewerkt. Daar waar dit nog niet het geval is, is telkens wel aangegeven hoe dit bij de huidige inzichten uitgewerkt zal worden.

Status van de voorbeeldbegroting

• De voorbeeldbegroting dient uitsluitend beschouwd te worden als een eerste proeve van een VBTB-begroting voor EZ. Dit stuk treedt dus niet in de plaats van de reeds vastgestelde begroting 2000. Evenmin hebben de in deze begroting gepresenteerde doelstellingen, streefwaarden en indicatoren – buiten het bestek van VBTB – enige formele status in het verkeer tussen EZ en de Staten-Generaal.

• De voorbeeldbegroting geeft weer op welke wijze ik, bij mijn inzichten per eind april 2000, de bestaande begroting 2000 zou vertalen naar een VBTB-begroting. Bij het doorlezen van mijn voorbeeldbegroting zal u duidelijk worden dat er op diverse plekken nog knopen doorgehakt moeten worden over precieze streefwaarden en prestatie-indicatoren. Daarnaast sluit ik niet uit dat voortschrijdend inzicht tussen eind april 2000 en Prinsjesdag 2001, mede n.a.v. onze gedachtewisseling, tot amenderingen van de voorbeeldbegroting zal leiden. De voorbeeldbegroting geeft mijns inziens de hoofdlijn van de door mij voorgestane begrotingspresentatie echter voldoende duidelijk weer.

De begrotingsindeling

• Een heldere presentatie van de samenhang tussen beleid, prestaties en geld begint met een goed doordachte clustering van beleidsthema's tot beleidsartikelen. EZ heeft bij de voorbereiding daarom veel aandacht besteed aan de artikelindeling. Overeenkomstig de gedachte van VBTB, is de homogeniteit van beleid als centraal criterium gehanteerd. Invalshoeken als organisatorische indeling (per Directoraat-Generaal), doelgroepen (MKB, grootbedrijven, lagere overheden etc.) of budgettaire omvang zijn daaraan ondergeschikt gemaakt.

• Deze aanpak heeft geleid tot een indeling waarin vijf grote beleidsclusters zijn te onderscheiden, namelijk: Marktwerking, Innovatiekracht, Ruimtelijk economisch beleid, Economische efficiënte en duurzame energievoorziening en Buitenlandse economische betrekkingen. Deze thema's vormen sinds enkele jaren de kern van het beleid dat EZ telkens in haar begroting presenteert.

• Per beleidsartikel is getracht de hoofdbeleidsdoelstelling te operationaliseren in deelthema's. De relevante instrumenten (al dan niet financieel) zijn vervolgens gekoppeld aan het betreffende thema. De concrete prestatie-indicatoren zijn voor het merendeel geformuleerd op het niveau van de instrumenten omdat voor EZ dit het aangrijpingspunt is voor sturing. De instrumenten kunnen in deze gelezen worden als operationalisatie van de deelthema's en worden verondersteld een bijdrage te leveren aan de hoofddoelstelling. EZ is van mening dat op deze wijze de koppeling tussen beleid, instrument en budget optimaal is ingevuld. Daar waar mogelijk en relevant zijn de prestatie-indicatoren geformuleerd op het niveau van de operationele beleidsdoelen.

• Naast de grote beleidsclusters kent EZ enkele specifieke thema's die naar de aard van het beleid aparte vermelding verdienen. Het «op één hoop vegen» van deze thema's zou uiteraard leiden tot een nog overzichtelijker aantal beleidsartikelen, maar dit zou conflicteren met het criterium van beleidsmatige homogeniteit. Op basis van deze argumentatie is gekozen voor aparte beleidsartikelen voor thema's zoals Beheer bodemschatten, Level playing field zeescheepsnieuwbouw en Buitenlandse investeringen in Nederland. In totaal gaat het om acht van dergelijke beleidsartikelen.

• Tot slot zijn drie beleidsmatig niet-relevante posten opgenomen, te weten het artikel Algemeen (alle niet te verbijzonderen apparaatsuitgaven), het artikel Nominaal en onvoorzien (een aantal parkeerposten, o.a. voor nog niet uitgekeerde loon- en prijsbijstelling) en het artikel Afwikkeling oude verplichtingen. Bij de laatste post worden uitsluitend bedragen geraamd ten behoeve van de afwikkeling van beëindigd beleid, voor zover dit thematisch niet past onder andere beleidsartikelen van EZ. Zo wordt de afwikkeling van de reeds vele jaren geleden beëindigde Wet op de Investeringsrekening (WIR) op artikel 16 Afwikkeling oude verplichtingen geraamd. Het beëindigde Programma bedrijfsgerichte technologiestimulering (PBTS) viel echter onder het technologiebeleid van EZ. De afwikkeling daarvan wordt geraamd op artikel 2 Innovatiekracht van de nieuwe begroting.

Causaal verband tussen beleidsinstrumenten en beleidseffecten

De nieuwe begrotingsopzet legt over de gehele linie van het rijksbeleid relaties tussen doelstellingen, instrumenten en effecten. Deze relatie wordt niet alleen ex ante (in de ontwerpbegroting) gelegd, maar ook ex post (in het jaarverslag). Hierover het volgende.

• In lijn met de opzet van VBTB wordt per beleidsartikel een probleemschets gegeven in de vorm van een algemene beleidsdoelstelling. Indien mogelijk wordt daarbij (liefst gekwantificeerd) de «distance to target» gepresenteerd door het actuele doelbereik af te zetten tegen het gewenste doelbereik. Zie bijvoorbeeld de toelichting bij artikel 2 Innovatiekracht. Voorts worden operationele doelen geformuleerd en worden de beleidsinstrumenten toegelicht.

• De mate van doelbereik wordt in veel gevallen sterk beïnvloed door maatschappelijke ontwikkelingen die buiten de directe invloedsfeer van de beleidsmaker liggen. De gekozen instrumenten spelen zo goed mogelijk op deze ontwikkelingen in, maar er is in veel gevallen geen causaal verband te leggen tussen de werking van beleidinstrumenten en de mate waarin het beleidseffect daadwerkelijk wordt bereikt. Anders gezegd: de instrumenten dragen bij tot het bereiken van de beleidsdoelstelling, maar maatschappelijke effecten spelen – in zowel positieve als negatieve zin – een (zeer) belangrijke rol.

• Uit voorgaande constatering vloeit voort dat de realisatie van het gewenste beleidseffect niet altijd binnen de directe invloedsfeer van het departementale beleid ligt. De verantwoording over het gevoerde beleid in het jaarverslag zal zich derhalve toespitsen op de vraag of de gekozen beleidsinstrumenten optimaal zijn ingezet en of deze instrumenten doeltreffend zijn in relatie tot de in begroting geformuleerde beleidsdoelstellingen.

Integrale beleidsartikelen

Om een goed beeld te schetsen van het saldo van uitgaven en ontvangsten dat samenhangt met een bepaald beleidscluster, worden in de VBTB-begroting zowel de programma- als de apparaatsuitgaven, alsmede de ontvangsten in beeld gebracht. Hierover het volgende.

• Uit de begrotingsstaat blijkt dat het saldo van uitgaven (f 3,6 mld) en ontvangsten (f 3,7 mld) bij EZ positief is. Uiteraard spelen daarbij de gasbaten, die geraamd worden op artikel 11 Beheer bodemschatten, een prominente rol.

• Voor de toerekening van apparaatsuitgaven aan de beleidsartikelen heeft EZ het volgende model gehanteerd.

– De apparaatsuitgaven van zelfstandige (uitvoerende) diensten worden 1 op 1 toegewezen aan de beleidsclusters ten aanzien waarvan zij actief zijn.

– De apparaatsuitgaven ten behoeve van de beleidsfunctie binnen het kernministerie (overwegend de Directoraten-Generaal) zijn met verdeelsleutels omgeslagen over de voor hen relevante beleidsartikelen. Deze verdeelsleutels zijn ex ante vastgesteld aan de hand van jaarlijkse werkplannen waarin de beschikbare capaciteit van deze onderdelen wordt verdeeld over de in dat jaar uit te voeren activiteiten. Bij de jaarafsluiting zullen op basis van deze ex ante vastgestelde sleutels de daadwerkelijk gerealiseerde apparaatsuitgaven omgeslagen worden over de beleidsartikelen. Bij significante bijstellingen van de formatieve inzet van de beleidsfunctie over de beleidsclusters, zullen de genoemde sleutels tussentijds worden bijgesteld.

– De apparaatsuitgaven van de staffunctie van het kernministerie (inclusief de algemene leiding) worden geraamd op artikel 14 Algemeen. Deze worden niet verbijzonderd naar beleidsartikelen.

Het hier omschreven model is praktisch uitvoerbaar bij de huidige stand van de interne beheersstructuur voor de apparaatsuitgaven. Een fijnmaziger aanpak zou – bij de huidige beheersstructuur – leiden tot een substantiële verzwaring van de beheerslasten. Dit zou mijns inziens niet opwegen tegen het voordeel van de extra informatie die een dergelijke verfijning zou opleveren1. De verdere ontwikkeling van de beheersstructuur binnen EZ (o.a. met het optimaliseren van het gebruik van het ERP-pakket dat EZ toepast) zal mogelijkheden bieden om de toerekening van apparaatsuitgaven verder te verbeteren.

Integraal overzicht rijksbeleid (overzichtsconstructies, fiscale instrumenten)

• De VBTB-begroting geeft een zo integraal mogelijk beeld van het rijksbeleid. Daartoe kunnen overzichtsconstructies worden opgenomen, waarin het beleid van meerdere ministeries in beeld wordt gebracht. Interdepartementaal is afgesproken dat het aantal overzichtsconstructies vooralsnog zeer beperkt blijft. De voorbeeldbegroting van EZ bevat daarom geen overzichtsconstructies.

• Bij de instrumentatie van een aantal beleidsthema's speelt het fiscale instrumentarium een belangrijke rol. Daar waar de Minister van Economische Zaken ondertekenaar is van een fiscaal instrument, wordt dit instrument in de beleidsparagraaf toegelicht. Vermelding van het volledige overzicht van het op het bedrijfsleven gerichte fiscale instrumentarium blijft in de EZ-begroting achterwege, omdat de Miljoenennota dit overzicht al biedt (ter illustratie: tabel 4.2.1 op blz. 116 van de MN 2000).

EZ-specifieke elementen in de voorbeeldbegroting (afwijkingen van rijksbrede lijn)

• Alle bedragen in de begroting, behoudens de bedragen in de begrotingsstaat, zijn uitgedrukt in miljoenen guldens (afgerond op 1 decimaal). Dit met het oog op de leesbaarheid, met name van de tabellen bij de beleidsartikelen. Het voordeel van een betere leesbaarheid van de begroting weegt mijns inziens ruimschoots op tegen de meerwaarde van de «cijfers achter de komma». Uiteraard voert EZ wel een begrotingsadministratie die op de cent nauwkeurig is. Indien u behoefte heeft aan detailgegevens, dan kunt u die informatie krijgen.

• In de tabellen die de «budgettaire gevolgen van beleid» weergeven, presenteert EZ de kascijfers op totaalniveau en de verplichtingen op instrumentniveau. Dit omdat het aangrijpingspunt van de sturing van het beleid bij de verplichtingen ligt. Bij verreweg het grootste deel van de beleidsinstrumenten van EZ vindt pas enkele jaren nadat verplichtingen zijn aangegaan de daaruit voortvloeiende betaling plaats. Beleidswijzigingen zijn derhalve niet of nauwelijks te traceren aan de hand van de kasramingen van EZ, maar zijn juist in de verplichtingenramingen goed zichtbaar.

Daarentegen ligt het aangrijpingspunt voor de beheersing van de begroting bij de uitgaven (kas). Het (meerjarige) uitgaventotaal geeft immers de grens aan waarbinnen een departement beleid kan voeren. Daarom zijn de kasramingen per instrument niet zo zeer relevant, maar juist de kasramingen op geaggregeerd niveau. Om deze reden zijn de kasramingen op dit geaggregeerde niveau in de tabellen gepresenteerd.

• Volgens de algemene richtlijnen inzake de begrotingspresentatie dienen de programma-uitgaven, zoals subsidies, onderbouwd te worden door volumeen prijsgegevens (P x Q) op het niveau van het beleidsartikel. Deze aanpak is bij EZ-begroting niet zinvol. De beleidsartikelen bestaan veelal uit programma-uitgaven waar uiteenlopende subsidiefaciliteiten onder vallen, daarom zal de vermelding van een «gemiddeld aantal subsidies» en de «gemiddelde omvang van de subsidie» geen beleidsmatig relevante informatie opleveren. Er is derhalve gekozen om – daar waar mogelijk – per instrument informatie op te nemen in de sfeer van «throughput» en «output», zoals de omvang van de gestimuleerde R&D of het aantal nieuwe investeringen en arbeidsplaatsen dat samenhangt met het geraamde bedrag aan subsidietoezeggingen. Dergelijke gegevens zijn mijns inziens een meer dan volwaardig alternatief voor gemiddelde P x Q-cijfers.

Voor de apparaatsuitgaven lijkt mij de toepassing van volume- en prijsgegevens overigens wèl zinvol. In de voorbeeldbegroting is bij artikel 3 Ruimtelijk economisch beleid uitgewerkt waar mijn gedachten op dit gebied naar uitgaan.

Voor het overige onderschrijft EZ de algemene lijn met betrekking tot de presentatie van prestatie-indicatoren. Dit impliceert onder meer dat op het niveau van algemene beleidsdoelstellingen indicatoren worden opgenomen inzake het nagestreefde beleidseffect (outcome van beleid). Deze indicatoren kunnen niet rechtstreeks uit de reguliere beleidsuitvoering worden afgeleid en kunnen veelal alleen verkregen worden met evaluatieonderzoek door EZ en/of met externe studies. De consequentie daarvan is onder meer dat dergelijke gegevens niet altijd betrekking kunnen hebben op de lopende jaren1.

Plan van aanpak implementatie VBTB

De nu voorliggende voorbeeldbegroting moet gezien worden als het raamwerk voor de begroting van de toekomst. Voor het operationeel maken van de beleidsbegroting moet nog veel gebeuren. De noodzakelijke activiteiten zijn tweeledig.

Nadere uitwerking voorbeeldbegroting

• Zoals ik in de inleiding van deze brief reeds aangaf, moeten op diverse plekken nog knopen doorgehakt worden over precieze streefwaarden en prestatie-indicatoren. Bij de afwegingen rond de op te nemen indicatoren zullen de invalshoeken «relevantie» en «doelmatigheid» een belangrijke rol spelen. Hiermee wordt het volgende bedoeld.

– De indicatoren moeten een duidelijke relevantie hebben, zowel voor de Kamer als voor EZ zelf. Wanneer de Kamer geen waarde hecht aan bepaalde indicatoren, dienen deze uit de begroting geweerd te worden, zodat de begrotingsstukken zo compact mogelijk blijven. Evenmin is het goed om indicatoren te presenteren die voor EZ in het beleids- en of beheersproces geen waarde hebben. Het opnemen van indicatoren die door EZ als niet relevant worden beschouwd, zou uitsluitend leiden tot «windowdressing», hetgeen het draagvlak voor de VBTB-begroting ernstig zou ondergraven.

– Omdat indicatoren een zekere mate van consistentie/eenduidigheid moeten hebben, dienen eisen gesteld te worden aan de wijze waarop de indicatoren tot stand komen. Het verkrijgen van indicatoren kan soms de opzet van monitoringsystemen en/of de inkoop van gegevens vergen. Indien indicatoren niet als bijproduct van de reguliere begrotingsuitvoering tot stand komen, maar er voor de verkrijging ervan extra kosten gemaakt moeten worden, zal telkens een kosten/baten-afweging plaatsvinden. Het is daarbij op voorhand niet uit te sluiten dat deze afweging ertoe leidt dat afgezien wordt van het verzamelen van indicatoren die voor een bepaald beleidsartikel niet van cruciale betekenis zijn.

Omdat ik het belangrijk vind dat uitsluitend relevante indicatoren worden opgenomen in de nieuwe begroting, verzoek ik u bij de beoordeling van de voorbeeldbegroting niet alleen aandacht te schenken aan evt. in uw ogen ontbrekende elementen, maar ook aan elementen die in uw visie achterwege kunnen blijven.

• In de huidige voorbeeldbegroting zijn enkele elementen nog niet of nauwelijks uitgewerkt. Het gaat om de meerjarige doorkijk (t-2 en meerjarencijfers) met betrekking tot prestatie-indicatoren, de toelichting op de budgettaire flexibiliteit, de veronderstellingen in effectbereik en de verdiepingsbijlage. Over deze elementen het volgende.

– De gegevens met betrekking tot de meerjarige doorkijk zijn momenteel overwegend niet voor handen. Daar waar relevant en doelmatig zullen deze gegevens wel in de VBTB-begroting voor 2002 worden gepresenteerd.

– Voorbeelden van de toelichtingen die EZ voornemens is te presenteren met betrekking tot de elementen «budgettaire flexibiliteit» en «volume- en prijsgegevens voor apparaatsuitgaven», zijn in de voorbeeldbegroting uitgewerkt bij artikel 3 Ruimtelijk economisch beleid.

– Gegevens over veronderstellingen van effectbereik zijn niet tijdig voorhanden. EZ zal dit punt per beleidsartikel waar relevant invullen door bij de operationele beleidsdoelstellingen en prestatiegegevens de daarbij gehanteerde aannames te formuleren.

– In de voorbeeldbegroting is aangegeven welke informatie EZ voornemens is te presenteren in de verdiepingsbijlage.

Aanpassing beheersorganisatie

Het zal duidelijk zijn dat VBTB leidt tot diverse aanpassingen in de beheersorganisatie.

• Allereerst de noodzakelijke conversie van de begrotingsadministratie. De nieuwe structuur van de begroting vergt een conversie van zowel de begrotingsregistratie (ramingen) als de begrotingsboekhouding.

– Een ordentelijke voorbereiding van de eerste VBTB-begroting 2002 maakt het noodzakelijk dat de begrotingsregistratie reeds ultimo 2000 aangepast is aan nieuwe begrotingsindeling. Mede in dit licht hoop ik op een voorspoedig overleg met u over de door mij voorgestelde begrotingsindeling.

– De conversie van de begrotingsboekhouding kan op een later tijdstip plaatsvinden. Noodzakelijkerwijs zal dit gebeuren na afsluiting van de uitvoering van de (oude) begroting 2001. Complicatie daarbij is dat de conversie van de begrotingsboekhouding naar aanleiding van VBTB zal samenlopen met de conversie als gevolg van de introductie van de euro. Uiteraard is dit lastig, maar het zal naar mijn huidige inzicht geen onoverkomelijke problemen veroorzaken.

• Daarnaast zullen informatiesystemen aangepast en soms ontworpen moeten worden ten behoeve van het verzamelen van en het rapporteren over beleidsinformatie (prestatie-indicatoren). Dit proces is reeds in gang gezet, maar was afhankelijk van de gedachtevorming rond de voorbeeldbegroting. Daarin is namelijk vastgelegd welke beleidsinformatie in beginsel relevant geacht wordt voor de begrotings- en verantwoordingsstukken. Op basis van de nu verschenen voorbeeldbegroting zal een en ander uitgewerkt worden. Daarbij kan de opzet van integere informatiesystemen een proces zijn met een relatief lange doorlooptijd en kan het voorkomen dat het enige jaren duurt voordat eventueel nieuw op te zetten monitoringsystemen de in meerjarig perspectief gewenste beleidsinformatie opleveren.

• Tot slot zal de administratieve organisatie van het ministerie aan de nieuwe situatie worden aangepast, zodat er een goede basis gelegd wordt voor een ordentelijk verloop van het begrotingsproces vanaf het moment van de voorbereiding van de beleidsbegroting tot en met de afronding van de beleidsverantwoording.

Reactie op werkgroep Financiële verantwoording (Cie. Van Zijl-II/Van Walsem)

Eind 1999 heeft u mij het door de Kamer aanvaarde voorstel van de werkgroep Financiële verantwoording met betrekking tot het jaar 2000 doen toekomen. Dit voorstel bevatte geen verruiming van het aantal onderwerpen voor de EZ-begroting. Wel gaf u nadere aandachtspunten ten aanzien van het eerder geselecteerde onderwerp ICT-beleid (Twinning). Uw brief dienaangaande heb ik per 27 januari 2000 beantwoord (Kamerstukken II 1999/00, 26 347, nr. 8). Kortheidshalve verwijs ik naar de inhoud van mijn brief.

Tot slot

Aan de hand van de ervaringen van het afgelopen jaar stel ik vast dat VBTB een waardevolle impuls is voor zowel het beleids- als het begrotingsproces. Meer dan in het verleden zal de begroting op gestructureerde wijze inzicht bieden in doelstellingen, activiteiten en budgetten. Dit heeft niet alleen een toegevoegde waarde voor het debat met de Staten-Generaal over de begroting, maar dit betekent ook dat de samenhang tussen de planning- & controlcyclus en de begrotingscyclus binnen mijn ministerie verder verstevigd wordt. Zo snijdt het mes aan twee kanten.

In mijn beleving zijn er weinig regeringsnota's geweest die zo een Kamerbrede ondersteuning hebben ontmoet als VBTB. Mede gezien dit enthousiasme aan uw zijde, heb ik het volste vertrouwen dat wij in de komende maanden in goed overleg kunnen komen tot de opzet van een VBTB-begroting voor het jaar 2002.

De Minister van Economische Zaken,

A. Jorritsma-Lebbink


XNoot
1

Ter inzage gelegd bij de afdeling Parlementaire Documentatie.

XNoot
1

Bedacht moet worden dat de enigszins globale aanpak uitsluitend het kernministerie betreft, dat bij EZ relatief klein is.

XNoot
1

Ter illustratie: Bij artikel 2 Innovatiekracht zijn indicatoren opgenomen m.b.t. 1996 en 1997. Dit zijn van dat type gegevens de meest recente, afkomstig van CBS, CPB en Eurostat.

Naar boven