26 570
Ruimtelijk Economisch Beleid

27 406
Nota «De kenniseconomie in zicht»

nr. 25
VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 5 september 2007

De vaste commissie voor Economische Zaken1 heeft op 4 juli 2007 overleg gevoerd met minister Van der Hoeven van Economische Zaken over:

– uitwerking Beleidslijn Regionale Ontwikkelingsmaatschappijen 2006–2007 (26 570, nr. 24);

– overzicht van de regelingen voor investeerders in innovatie (27 406, nr. 106).

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand beknopt verslag uit.

Vragen en opmerkingen uit de commissie

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA) vindt het teleurstellend dat de Kamer twee jaar moest wachten op de nieuwe beleidsbrief over de ROM’s. In 2005 is al gesproken over de betrokkenheid van de ROM’s bij de programmacommissies voor het beleidsprogramma Pieken in de Delta. Inmiddels is duidelijk dat nagenoeg alle programmacommissies ervoor kiezen om de ROM’s daarvan geen onderdeel te laten uitmaken. Dat neemt niet weg dat de ontwikkelingsmaatschappijen bij het beleidsprogramma worden betrokken. In die werkwijze kan de heer Van Dijk zich vinden.

In de praktijk blijkt dat uitvoering van projecten met ROM’s niet altijd soepel verloopt. Is de minister op de hoogte van de knelpunten en weet zij hoe die te verhelpen zijn?

De bestendige lijn op het punt van de kruissubsidiëring is dat slechts twee ROM’s daarvan gebruik mogen maken. Het lijkt de heer Van Dijk verstandiger om een meer consistent beleid te voeren. Is er voldoende geld voor de ROM’s die geen gebruik kunnen maken van de kruissubsidiëring?

Bij het LIO en de NOM is een overschot aan financiële middelen. Die middelen zouden worden afgeroomd en ingezet in de regio waar die zijn verdiend. Voor het LIO is daarover echter nog geen afspraak gemaakt. Wanneer zal dat gebeuren? Er zijn ook twee ROM’s die een tekort hebben aan financiële middelen. Is de minister bereid om daarin te investeren? Zo nee, is het dan toegestaan dat de provincie dat doet onder de voorwaarde dat de rijksoverheid minimaal 50,1% van de aandelen in handen houdt?

Mevrouw Smeets (PvdA) stelt vast dat in het rapport van de Algemene Rekenkamer van 2006 staat dat forse delen van het vermogen van de ROM’s in de periode 2000–2005 niet zijn ingezet. Een ROM heeft risicovolle beleggingen gedaan in effecten. Wat kan de minister doen om verandering te bewerkstelligen?

Zij heeft van de vier door het Rijk gefinancierde ROM’s begrepen dat zij voorstander zijn van handhaving van de kruissubsidiëring. Mocht dat niet gebeuren, welke andere mogelijkheden zijn er dan om ervoor te zorgen dat de ROM’s hun taken kunnen blijven verrichten?

De vermogens- en liquiditeitspositie van de BOM is relatief ongunstig. Hoe kan die positie worden verbeterd? Is de minister bereid om daaraan bij te dragen?

De bedoeling van de ROM’s is de regionale economie te stimuleren en de werkgelegenheid te bevorderen. De klant moet dus ook tevreden zijn. Zijn er harde prestatiecriteria en is er een mogelijkheid om een aanvullend klantenonderzoek te doen?

De grensregio’s moeten worden geholpen. In hoeverre wil de minister ROM-middelen inzetten voor het aangrenzende buitenland?

Mevrouw Gesthuizen (SP) vindt het belangrijk om de flexibiliteit en daarmee de slagkracht van de ROM’s te bevorderen. Zij is dan ook tevreden met het voorstel voor een nieuwe aansturingsrelatie op basis van vierjarige afspraken. Op welke wijze vindt gedurende die jaren tussentijds evaluatie plaats en hoe wordt met de Kamer gecommuniceerd?

Er is sprake van een rommelig beeld: er zijn veel ROM’s, verspreid over het land, maar er is geen sprake van een landelijke dekking. Wat vindt de minister daarvan? Er zijn verschillende regelingen en subsidies die zijn gericht op innovatieve activiteiten met een hoog risicoprofiel. Mevrouw Gesthuizen pleit ervoor om die regelingen onder te brengen in een zogenaamde parapluregeling met verschillende potjes, bijvoorbeeld voor duurzaamheid en medische technologie. Zij vindt het belangrijk om tot een mix te komen van subsidies en risicodragend kapitaal. De ROM’s zijn geschikt als uitvoerder van een dergelijke regeling. Is de minister bereid om daarvoor een voorstel te doen bij de begroting?

Mevrouw Gesthuizen vindt het wenselijk dat ROM’s duurzaam ondernemen meer stimuleren. Welke bijdrage zouden zij daaraan kunnen leveren?

De heer Aptroot (VVD) betreurt ook dat er vertraging is opgetreden. Hij begrijpt dat de meerjarenafspraak met een jaar wordt verlengd. Wat zijn de gevolgen daarvan voor de begroting?

Het verbaast hem dat de programmacommissies er niet voor zorgen dat de ROM’s daarvan deel kunnen uitmaken om overleg te bevorderen.

De heer Aptroot vraagt de minister een toelichting te geven op de handelwijze ten aanzien van de kruissubsidiëring. De voorgestelde lijn voor het gebruik van overtollige middelen onderschrijft hij. Het is echter ook belangrijk om aandacht te hebben voor ROM’s met een tekort aan middelen, zoals de BOM. Hij pleit voor versterking van het eigen vermogen van de BOM door een bijdrage van het Rijk en van de Brabantse overheden.

Antwoord van de minister

De minister betreurt ook dat er vertraging is opgetreden. De verklaringen daarvoor zijn dat er kabinetswisselingen waren en dat er langdurig is onderhandeld met de regio’s. De eerstvolgende evaluatie is gepland in september 2008. De ROM’s hebben een belangrijke rol gespeeld bij het beleidsprogramma Pieken in de Delta in de vorm van het ontwikkelen van gebiedsgerichte programma’s en het doen van goede projectvoorstellen voor de eerste subsidieronde. Voor de tweede subsidieronde moet dat ook gebeuren. De ROM’s maakten indertijd onderdeel uit van het achterstandsbeleid. Inmiddels is het benutten van kansen de inzet. De ROM’s stimuleren (duurzame) innovatie en werken mee aan energieprojecten in de regio.

Een landelijk dekkend netwerk zou minder financiële middelen voor de vier door het Rijk gefinancierde ROM’s tot gevolg hebben. Regionale overheden kunnen de ROM’s, die niet door het Rijk worden gefinancierd, zelf financiële steun geven. Het beleggingsbeleid behoort strikt genomen tot de taak van de directie. De raad van commissarissen oefent daarop toezicht uit. Risicovolle belegging is toegestaan conform de afspraken tussen de rijksoverheid en de andere overheden (Wet fido). In het rapport van de Algemene Rekenkamer van 2006 staat dat forse delen van het vermogen van de ROM’s in de periode 2000–2005 niet zijn ingezet. Een ROM zou risicovolle beleggingen in effecten hebben gedaan. De minister zegt toe dat zij een informatief gesprek met de betreffende ROM zal voeren.

De eigendomsverhoudingen zijn lang niet overal hetzelfde. Dat neemt niet weg dat de zeggenschapsverhouding tussen het Rijk en de provincies in principe steeds fifty-fifty is. Dat staat los van het percentage aandelenkapitaal. Een wijziging van de huidige zakelijke eigendomsverhoudingen zonder de zeggenschapsverhoudingen te veranderen, is bespreekbaar.

Het is toegestaan dat de provincie geld investeert in de BOM. Het ministerie van EZ is geenszins bereid om bij te dragen aan het aandelenkapitaal van die ontwikkelingsmaatschappij. Laatstgenoemde is zelf verantwoordelijk voor het sluitend maken van de exploitatie en heeft de mogelijkheid om geld te verdienen. De minister wil overigens wel meedenken over mogelijkheden om de provincie een groter aandeel te geven.

In Oost-Nederland zou het provinciaal bestuur bereid zijn om geld in de ROM te investeren, mits de rijksoverheid dat ook doet. Zij zal dat echter niet doen, omdat dan elke andere ontwikkelingsmaatschappij additionele financiering kan vragen. De ontwikkelingsmaatschappij Oost-Nederland heeft naar het idee van de minister niet direct een tekort aan kapitaal. Zij zegt toe dat zij een gesprek met de betreffende ROM aangaat om na te gaan wat er aan de hand is en dat zij de Kamer over de uitkomst informeert.

In 2000 is kruissubsidie mogelijk gemaakt. Dat houdt in dat de ROM’s een deel van hun winst op bedrijfsparticipaties mogen gebruiken voor het exploitatietekort voor de andere, gesubsidieerde kerntaken. De NOM en de LIO maken winst op hun participaties en passen dat principe toe. De andere twee ROM’s maken geen winst en doen dat dus niet. In 2005 is voorgenomen om de kruissubsidie voor alle ROM’s af te schaffen om vooraf zekerheid te geven over de grootte van te subsidiëren activiteiten. Meer participaties zouden dan leiden tot een normale dividenduitkering aan de aandeelhouders. In juli 2006 hebben de noordelijke provincies gezegd dat zij daarmee niet akkoord gaan. Momenteel is er nog geen overeenstemming bereikt. Zij heeft inmiddels een lijn getrokken voor alle ROM’s. De omvang van middelen voor participaties is gebaseerd op het basisprincipe dat er een revolving fund is. Op basis van een inschatting van de toekomstige kasstromen kan een berekening worden gemaakt om antwoord te krijgen op de vraag of er in een reeks van jaren kan worden voldaan aan de eis van een revolving fund. Kruissubsidie is pas toegestaan als aan die eis is voldaan en als de winst voldoende is.

De ROM’s kunnen het budget ongeacht jaargrenzen binnen de contractperiode verschuiven. Zij hoeven zich dus niet aan het jaarbudget te houden en worden zodoende niet steeds geconfronteerd met onder- en overschrijding. Dat draagt bij aan meer flexibiliteit. De minister is geen voorstander van een parapluregeling met verschillende potjes, bijvoorbeeld voor duurzaamheid en medische technologie.

In 2006 is overeenstemming bereikt over afroming van de overtollige middelen van de NOM. Het bedrag van 15 mln. van de NOM wordt toegevoegd aan het budget voor het beleidsprogramma Pieken in de Delta voor Noord-Nederland. In het najaar is vastgesteld dat het LIO 10 mln. aan overtollige middelen heeft. Momenteel wordt nagegaan op welke wijze dat bedrag kan worden ingezet voor projecten die zijn gerelateerd aan het programma Pieken in de Delta in Limburg.

De minister is er geen voorstander van om de ROM-gelden in te zetten in het aangrenzende buitenland, omdat die middelen afkomstig zijn van de Nederlandse belastingbetaler. Dat neemt niet weg dat de ROM’s grensoverschrijdend kunnen samenwerken.

Nadere gedachtewisseling

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA) vindt het antwoord van de minister over de ontwikkelingsmaatschappij Oost-Nederland niet bevredigend en hoopt dat de problemen naar tevredenheid worden opgelost.

Hij wil voortdurend op de hoogte blijven van de rol van de ROM’s bij het programma Pieken in de Delta, ook als er problemen zijn.

De heer Van Dijk stemt in met het voorliggende voorstel.

Mevrouw Smeets (PvdA) heeft begrepen dat de minister de Kamer schriftelijk zal informeren over de uitkomst van het gesprek met de ontwikkelingsmaatschappij Oost-Nederland. Zij vraagt de minister om in die brief ook antwoord te geven op de vraag of en, zo ja, wanneer er overeenstemming is bereikt met de provincie over de BOM en de verdeling van zeggenschap.

Verder wil zij in de evaluatie van 2008 terugzien wat de prestaties zijn en of er signalen zijn dat de ROM’s in de grensregio’s tegen problemen aanlopen.

Mevrouw Gesthuizen (SP) blijft erbij dat het mogelijk moet zijn om te schuiven met gelden met de intentie tot een landelijk dekkend netwerk te komen.

De heer Aptroot (VVD) is niet tevreden met het antwoord van de minister op de vraag over de financiële krapte van de BOM. Hij meent dat het Rijk een stap mag zetten om die ontwikkelingsmaatschappij financieel te steunen. Mocht de minister bij haar standpunt blijven, dan zal dat verschuivingen in de begroting tot gevolg hebben.

De minister zegt toe dat zij de Kamer informatie geeft over het bedrag van 10 mln. van het LIO, alsmede over de uitkomst van het gesprek met de ontwikkelingsmaatschappij Oost-Nederland. Recent heeft de provincie Gelderland aangeboden na te gaan of er meer mogelijkheden zijn om die ontwikkelingsmaatschappij te versterken. Daarover zal worden gesproken.

De minister zegt In relatie tot het programma Pieken in de Delta dat de ervaringen met de eerste tender niet goed waren. De tender in het najaar van 2007 moet beter verlopen. Zij zal de Kamer informeren over de uitkomst.

Uiteraard zijn er prestatiecriteria per kerntaak. De evaluatie is daarop toegespitst. Het lijkt haar goed om bij de begroting van 2008 te bezien of en, zo ja, hoe de grensregio’s moeten worden geholpen.

Het doel is nooit geweest tot een landelijk dekkend netwerk van ROM’s te komen. De minister voelt daar ook niets voor.

De voorzitter van de vaste commissie voor Economische Zaken,

Kraneveldt-van der Veen

De adjunct-griffier van de vaste commissie voor Economische Zaken,

De Veth


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Van der Vlies (SGP), Crone (PvdA), Schreijer-Pierik (CDA), Vendrik (GroenLinks), Ten Hoopen (CDA), Roland Kortenhorst (CDA), Hessels (CDA), ondervoorzitter, Van der Ham (D66), Van Velzen (SP), Aptroot (VVD), Smeets (PvdA), Dezentjé Hamming (VVD), Kraneveldt-van der Veen (PvdA), voorzitter, Irrgang (SP), Jansen (SP), Biskop (CDA), Ortega-Martijn (ChristenUnie), Blanksma-van den Heuvel (CDA), Van der Burg (VVD), Graus (PVV), Zijlstra (VVD), Besselink (PvdA), Gesthuizen (SP), Ouwehand (PvdD) en Vos (PvdA).

Plv. leden: Van der Staaij (SGP), Kalma (PvdA), Jan Jacob van Dijk (CDA), Duyvendak (GroenLinks), Van Vroonhoven-Kok (CDA), Kortenhorst (CDA), Rouwe (CDA), Koşer Kaya (D66), Ulenbelt (SP), Blok (VVD), Samsom (PvdA), Weekers (VVD), Van Dam (PvdA), Karabulut (SP), Luijben (SP), De Nerée tot Babberich (CDA), Cramer (ChristenUnie), Atsma (CDA), Schippers (VVD), Madlener (PVV), Neppérus (VVD), Blom (PvdA), Gerkens (SP), Thieme (PvdD) en Heerts (PvdA).

Naar boven