26 570
Ruimtelijk Economisch Beleid

nr. 22
VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 24 november 2005

De vaste commissie voor Economische Zaken1 heeft op 27 oktober 2005 overleg gevoerd met staatssecretaris Van Gennip van Economische Zaken over:

– beleidslijn Regionale Ontwikkelingsmaatschappijen (ROM’s) 2006–2009 (26 570, nr. 21).

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand beknopt verslag uit.

Vragen en opmerkingen uit de commissie

De heer Van Dijk (CDA) zegt dat Regionale Ontwikkelingsmaatschappijen (ROM’s) belangrijke instrumenten zijn bij de uitvoering van het regionale economische beleid. De ROM’s moeten deel uitmaken van de regionale programmacommissies die bezien wat er in het kader van de nota Pieken in de Delta moet worden gedaan aan het regionale economische beleid om structuurversterking te realiseren. Deze commissies moeten voldoende draagvlak hebben. Er moet worden onderzocht welke bijdrage de ROM’s kunnen leveren aan de uitvoering van de opgestelde programma’s. Daar moeten zij hun activiteiten voornamelijk op richten. De beleidsvrijheid om daarnaast nog andere dingen te doen, moet worden ingeperkt. De staatssecretaris wil prestatiecontracten afsluiten met ROM’s voor de periode 2006 tot 2009. Is het niet verstandiger om het jaar 2010 erbij te betrekken, omdat de nota Pieken in de Delta ook de periode tot 2010 betreft?

De staatssecretaris stelt voor om de opbrengsten uit de participaties niet meer te laten gebruiken voor de apparaatskosten en om tegelijkertijd de bijdragen van het Rijk en de provincies voor de apparaatskosten te verhogen. In hoeverre is hierover overleg geweest met de provinciale besturen? Is hier draagvlak voor bij de provincies? Er moet worden voorkomen dat er een bureaucratisering van de ROM’s plaatsvindt. Afhankelijkheid van subsidies werkt een meer bureaucratische werkwijze in de hand. Het is goed dat wordt gekeken naar de vermogens. De regel moet worden vastgelegd dat hetgeen in de regio is verdiend, moet worden besteed in diezelfde regio. Is er overleg gevoerd met de provinciale besturen over het voorstel dat gedeputeerden zich terug moeten trekken uit de raden van commissarissen? De regels voor salarissen die voor overheids- en semi-overheidsinstellingen gelden, moeten volledig van toepassing zijn op de ROM’s.

Mevrouw Smeets (PvdA) vindt de brief over de ROM’s nogal vaag. Er wordt veel doorgeschoven of er wordt verwezen naar andere nota’s. De ROM’s en de provincies weten hierdoor niet meer waar zij aan toe zijn. De ROM’s spelen een belangrijke rol bij de regionale economische ontwikkeling. Welke rol krijgen zij bij de uitwerking van de nota Pieken in de Delta naast Syntens, de kamers van koophandel en overheden? De taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden moeten goed worden geformuleerd. EZ kiest voor meer gezamenlijke aansturing, maar werkt dat niet uit. Waarin onderscheiden de ROM’s zich van andere organisaties op lokaal en regionaal terrein? Hoe opereren de verschillende spelers naast elkaar en met elkaar, bijvoorbeeld op de ondernemerspleinen? Het is goed dat wordt gekeken naar samenwerking tussen ROM’s bij regio-overschrijdende activiteiten, mits de regio daarin wordt gekend.

De centrale aansturing van de ROM’s door het ministerie van EZ mag er niet toe leiden dat de jarenlange regionale praktijkervaring die is opgedaan, aan de kant wordt gezet. Het vermogen dat in de regio is verdiend, moet daar ook besteed worden. Het dividend gaat naar de aandeelhouders, dus het Rijk. Deze opbrengsten moeten weer terugvloeien naar de regio waarin zij zijn verdiend. De verschillen in de vermogensposities van de ROM’s moeten worden verkleind. Wat gebeurt met het «overtollige» vermogen? Ook dit moet ten goede komen van de desbetreffende regio! De apparaatskosten mogen in de toekomst niet meer worden gefinancierd uit de opbrengsten van de participatiebedrijven. Wat heeft dat voor gevolgen voor de huidige exploitatie van de ROM’s? Wat heeft dit voor effect op de regionale taken? Wat is de visie van de provincies hierop? ROM’s moeten zich aansluiten bij regels met betrekking tot corporate governance. In Limburg was er een affaire met betrekking tot het kasteel Wolfrath en de N.V. Industriebank LIOF. Uit onderzoek is gebleken dat de LIOF geen blaam treft. Is de interne organisatie bij de ROM’s voldoende gewaarborgd om dit soort problemen te voorkomen?

De heer Hofstra (VVD) is van mening dat de ROM’s een nuttige functie vervullen. Er zitten mensen in die goed bekend zijn in de regio en die het bedrijfsleven daar goed kennen. De voorstellen met betrekking tot de toepassing van de regels voor corporate governance zijn goed. Het is wellicht verstandig om wat meer onafhankelijke commissarissen neer te zetten bij de ROM’s, zowel van de kant van de provincie als die van het Rijk. Het vermogen dat in de regio is vergaard, moet niet worden onttrokken aan het werkgebied van de betreffende ROM doordat het grootste deel van de aandelen ervan in handen van het Rijk is. Worden de apparaatskosten voldoende gedekt, bijvoorbeeld door bijdragen van het Rijk en de provincie, als deze niet meer mogen worden gefinancierd uit participatiewinsten? De regio moet een grote inbreng houden en het Rijk moet in bestuurlijke zin op afstand blijven staan.

Het antwoord van de staatssecretaris

De staatssecretaris wil de ROM’s blijven inzetten voor het regionale economische beleid. Bij de behandeling van de evaluatie van de ROM’s in 2004 is besloten dat er moest worden nagedacht over de aansturing en de bekostiging. Daaruit is de nieuwe beleidslijn voortgekomen die op 4 oktober 2005 naar de Kamer is gezonden. Het is de bedoeling dat de regio’s in het voorjaar van 2006 hun programma’s, die worden opgesteld in het kader van de nota Pieken in de Delta, aan het Rijk zenden en dat zij hier in de tweede helft van 2006 mee aan het werk gaan. Daarvoor is in 2006 25 mln. beschikbaar.

De ROM’s kunnen een belangrijke rol spelen in de uitvoering van de gebiedsgerichte programma’s omdat zij veel kennis hebben over de regio’s. Zij zitten echter niet automatisch in de programmacommissies. Het is de bedoeling de dat programmacommissies bestaan uit drie bestuurders, inclusief het Rijk, drie vertegenwoordigers van kennisinstellingen en drie ondernemers, onder wie een mkb’er. Inclusief de voorzitter, bestaat die commissie dan uit tien personen. Het is mogelijk dat een directeur of een voorzitter van een ROM goed in een programmacommissie past, maar hij zit er niet automatisch in. De genoemde vorm is niet voorgeschreven, maar er moet worden voorkomen dat de programmacommissies te groot worden. Zij moeten immers slagvaardig zijn. Binnen de gestelde voorwaarden zijn de regio’s overigens verantwoordelijk voor de samenstelling van deze commissies. De programmacommissie kan ervoor kiezen om klankbordsessies op te zetten met verschillende partijen en organisaties uit de regio om draagvlak te creëren. Het samenstellen van de commissies moet de komende twee maanden worden gerealiseerd, omdat zij anders niet in staat zijn om voor 1 april 2006 een programma te presenteren. Bij de bespreking van de brief over de nota Pieken in de Delta, bij de behandeling van de begroting van EZ, zal dit onderwerp ook aan de orde komen. Er kan dan worden bezien aan welke nadere informatie de Kamer behoefte heeft.

Het is de bedoeling dat de ROM’s het merendeel van hun activiteiten focussen op de keuzes die in de regio zijn gemaakt door de programmacommissie. In de komende jaren is een belangrijk speerpunt, naast samenwerking tussen de verschillende rijksorgansaties, samenwerking in de breedte tussen de verschillende ROM’s, met name die tussen de Brabantse Ontwikkelingsmaatschappij (BOM) en de LIOF. Regio’s zijn immers vaak groter dan één provincie. De BOM en de LIOF werken nu goed samen in de ondersteuning van de Regiegroep voor Toptechnologie Regio Zuidoost-Nederland die het programma voor Pieken aan de Delta aan het voorbereiden is.

Naast het ministerie van EZ, spelen provincies een belangrijke rol in de aansturing van de ROM’s. Er worden prestatieafspraken vastgelegd met de ROM’s voor het meerjarige beleidsplan. Daar wordt nu intensief over gesproken met de ROM’s en de provincies. De vier doelstellingen die in elk geval worden opgenomen in de beleidsplannen, hebben betrekking op investeringsbevordering, bedrijventerreinen, participaties en innovatie en ontwikkeling. De afspraken hebben een looptijd tot 2009 omdat het ministerie van Financiën eist dat zaken elke vier jaar worden geëvalueerd. Een looptijd tot 2010 zou op zich logischer zijn in verband met de periode die de nota Pieken in de Delta bestrijkt. Er zal worden bezien of het mogelijk is om de prestatiecontracten tot 2010 te laten lopen.

Er moet worden vastgesteld welk weerstandsvermogen nodig is om de participatietaken op niveau te kunnen uitvoeren. Als het benodigde weerstandsvermogen lager is dan het huidige vermogen, is er sprake van «overtollig» vermogen. Er is gesteld dat geld dat verdiend is in de regio moet worden besteed in de regio. Hierbij moet worden opgemerkt dat het kapitaal dat in de ROM’s is gestoken, afkomstig is van het Rijk. Er zal worden bezien of en, zo ja, hoe het overtollige vermogen terug kan vloeien naar de regio’s. De voorwaarden zijn dan wel dat het geld voor de gehele Pieken in de Delta-regio beschikbaar is en dat het een goede bestemming krijgt. Hierover zal de Kamer in het voorjaar van 2006 worden geïnformeerd.

De kruissubsidiëring en de uitkering van dividend aan de aandeelhouders hebben met elkaar te maken. Het apparaat van de ROM’s wordt nu gedeeltelijk gefinancierd uit de opbrengsten van het vermogen en gedeeltelijk gesubsidieerd. Het is de bedoeling dat er een duidelijkere scheiding wordt aangebracht tussen het apparaat en de participaties. Er mag dus geen geld uit de participaties meer aan het apparaat worden besteed. Als wordt uitgegaan van de huidige omvang van apparaat, moeten extra middelen worden gevonden. Het streven is dat het Rijk en de provincies ieder 50% van de apparaatskosten op zich nemen. Dit zal inderdaad leiden tot extra kosten voor de provincies en het ministerie van EZ. Hierover wordt gesproken met de provincies. Een subsidierelatie met betrekking tot de apparaatskosten zal meer helderheid geven voor de ROM’s, omdat de opbrengsten uit participaties per jaar kunnen verschillen. Het scheiden van de geldstromen leidt ook tot een grotere transparantie. Een ander belangrijk punt is de discussie, onder andere in de EU, over staatssteun. Er moet worden voorkomen dat een gedeelte van de financiering van de ROM’s straks als staatssteun wordt aangemerkt omdat deze komt uit een dividenduitkering uit vermogen van het Rijk. Subsidies worden voor specifieke taken verstrekt en zijn dus volgens de EU-regelgeving wel mogelijk. Subsidiëring leidt niet tot meer bureaucratisering omdat er op output wordt gestuurd en na vier jaar wordt afgerekend. Door het maken van goede outputafspraken wordt als het goed is een ondernemende cultuur gecreëerd.

Een dividenduitkering gaat volgens de regels van het boekhouden naar degene die het vermogen heeft verstrekt. Als het Rijk dus het vermogen heeft verstrekt, gaat daar de dividenduitkering heen. De aandeelhouders kunnen uiteraard zelf beslissen hoeveel dividend wordt uitgekeerd en wat zij daarmee doen. Dat is echter aan de vergadering van aandeelhouders, die wordt geadviseerd door de raad van commissarissen. Dit punt hangt samen met de twee voorgaande punten. Ook hierover vinden gesprekken plaats met de provincies. De Kamer zal worden geïnformeerd over de voortgang van deze overleggen. Voor deze tijd zullen er geen onomkeerbare beslissingen worden genomen.

Er moet voor worden gezorgd dat in de raad van commissarissen personen zitting hebben met kennis van de regio die tegelijkertijd een bepaalde afstand hebben. Er heeft overleg plaatsgevonden met de provincies over het voorstel om de provinciale bestuurders terug te trekken uit de raden van commissarissen. Het is de bedoeling dat het niet meer vanzelfsprekend is dat er een gedeputeerde in de raad van commissarissen zit om de schijn van belangenverstrengeling tegen te gaan. Met de Investerings- en Ontwikkelingsmaatschappij voor Noord-Nederland (NOM) is overeengekomen dat de provinciale vertegenwoordigers in de loop van volgend jaar hun zetel ter beschikking stellen. Voor hen zal een andere commissaris in de plaats komen. Bij de Ontwikkelingsmaatschappij Oost Nederland en de BOM speelt dit al niet meer en bij de LIOF vinden nog gesprekken plaats. De rijkscommissarissen zijn vier jaar geleden om dezelfde reden afgeschaft. Het beloningsbeleid wordt heroverwogen. In overleg met medeaandeelhouders en de raad van commissarissen moeten duidelijke kaders worden aangegeven voor het beloningsbeleid. Die kaders zullen mede gebaseerd worden op het rijksbeloningsbeleid. Minister Remkes bereidt een reactie voor op de motie-Bakker c.s. (30 300, nr. 53) over topinkomens bij semi-publieke instellingen. Die is ook van toepassing op de ROM’s.

De ROM’s zijn nv’s. Dat betekent dat de commissarissen toezien op wat er binnen een ROM gebeurt en dat accountants de boeken controleren en bezien of de interne procedures worden gehandhaafd. Verkoop van participaties, zoals in het geval van het kasteel Wolfrath, verloopt volgens een vastgestelde procedure. De vraag was of die procedures bij de verschillende ROM’s voldoende zijn gewaarborgd. De raden van commissarissen zouden daar zicht op moeten hebben. Hieraan zal aandacht worden besteed in gesprekken met hen.

De ROM’s onderscheiden zich op bijvoorbeeld de ondernemerspleinen door hun eigen kwaliteit en inzet. Het is de bedoeling dat met de ondernemerspleinen de afstemming en samenwerking tussen de verschillende overheidsorganisaties steeds beter wordt en dat zaken duidelijker worden voor ondernemers. Het is soms voor individuele ondernemers niet duidelijk waarvoor zij terecht kunnen bij Syntens, SenterNovem, de kamers van koophandel en de Belastingdienst. Het is de bedoeling dat de ondernemerspleinen worden gevuld met zo veel mogelijk organisaties die iets aanbieden aan ondernemers, zodat zij bij één loket terechtkunnen. Dat dwingt de participanten ook om duidelijke afspraken te maken over afbakening. Het project EZ in de regio heeft ook betrekking op dit soort zaken. Het is de bedoeling om de overlap uit de dienstverlening te halen en de witte vlekken op te vullen zodat er een continuüm ontstaat. Hier wordt hard aan gewerkt.

De voorzitter noemt de toezeggingen die de staatssecretaris heeft gedaan:

– er zal worden geprobeerd om de evaluaties in 2010 te laten plaatsvinden omdat dit beter aansluit bij de nota Pieken in de Delta;

– er zullen voor het samenstel van commissies, de prestatieafspraken, de vaststelling van het overtollig vermogen, besteding in de regio en de subsidieverdeling tussen Rijk en provincies nadere afspraken worden gemaakt. Voordat deze in de Kamer zijn besproken, zullen er geen onomkeerbare zaken in de regio’s gebeuren.

De voorzitter van de vaste commissie voor Economische Zaken,

Hofstra

De adjunct-griffier van de vaste commissie voor Economische Zaken,

De Veth


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Crone (PvdA), Bakker (D66), Hofstra (VVD), voorzitter, Schreijer-Pierik (CDA), ondervoorzitter, Atsma (CDA), Timmermans (PvdA), Vendrik (GroenLinks), Ten Hoopen (CDA), Weekers (VVD), Slob (ChristenUnie), Van As (LPF), Van den Brink (LPF), Kortenhorst (CDA), Hessels (CDA), Van Velzen (SP), Algra (CDA), Aptroot (VVD), Blom (PvdA), Smeets (PvdA), Douma (PvdA), De Krom (VVD), Heemskerk (PvdA), Van Dam (PvdA), Dezentjé Hamming (VVD), Jonker (CDA), Jungbluth (GroenLinks), Irrgang (SP).

Plv. leden: Tichelaar (PvdA), Dittrich (D66), Örgü (VVD), De Nerée tot Babberich (CDA), Van Hijum (CDA), Koenders (PvdA), Duyvendak (GroenLinks), Joldersma (CDA), Van Egerschot (VVD), Van der Vlies (SGP), Varela (LPF), Hermans (LPF), Verburg (CDA), Van Vroonhoven-Kok (CDA), De Haan (CDA), Blok (VVD), Samsom (PvdA), Van Dijken (PvdA), Van Heteren (PvdA), Snijder-Hazelhoff (VVD), Tjon-A-Ten (PvdA), Waalkens (PvdA), Szabó (VVD), Van Dijk (CDA), Van Gent (GroenLinks), Gerkens (SP).

Naar boven