26 494
Aanpak illegaal wapenbezit en -geweld

nr. 4
BRIEF VAN DE MINISTERS VAN JUSTITIE EN VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 27 januari 2000

In onze brief van 22 april 1999 (Kamerstukken II, 1998–1999, 26 494, nr. 1) hebben wij aangegeven een onderzoek te zullen verrichten naar de wettelijke mogelijkheden om wapenbezit en -geweld tegen te gaan en de toereikendheid van de Wet wapens en munitie (WWM) in dit kader. Wij kondigden daarbij aan dat in diverse politieregio's proefprojecten zouden worden opgestart. Daarnaast zou een onderzoek plaatsvinden naar aard, ernst en omvang van het wapengeweld in gebieden met een bijzondere gevaarzetting. De resultaten van dit onderzoek zouden samen met de gegevens die evaluatie van de proefprojecten opleverde, worden afgestemd tijdens een expertmeeting. Deze bijeenkomst heeft op 13 januari jl. plaatsgevonden.

In onze brief van 6 oktober jl. (Kamerstukken II, 1999–2000, 26 494, nr. 2) informeerden wij u onder meer over de stand van zaken van de proefprojecten.

In de brief die de minister van Justitie, mede namens zijn ambtgenoot van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, op 23 december jl. aan uw Kamer zond, bent u geïnformeerd over de actie van eind november in de Millinxbuurt in Rotterdam.

Daarbij is aangegeven dat de rapportage over de proefprojecten en een nader standpunt over de daarin gesignaleerde behoeften omstreeks februari/maart 2000 gereed zou zijn.

De rechter heeft onderdelen van de in Rotterdam gekozen aanpak onrechtmatig bevonden. Op 4 januari heeft de Meervoudige Kamer van de Rotterdamse rechtbank in drie zaken uitspraak gedaan. Anders dan de officier van justitie was de rechtbank van oordeel, dat het feit dat zich in de Millinxbuurt in vijf jaar tijd een groot aantal geweldsdelicten heeft voorgedaan, er niet toe kan leiden dat een ieder die zich in dat gebied na 20.00 uur op de openbare weg bevond kan worden aangemerkt als verdachte van overtreding van artikel 13 of 26 van de WWM tegen wie ernstige bezwaren bestonden. De rechtbank nam daarbij mede in aanmerking dat de Millinxbuurt een woonwijk betreft die zeven straten omvat. Mitsdien was de rechtbank van oordeel dat het fouilleren zonder toestemming van een willekeurig persoon die zich op dat tijdstip in die buurt op de openbare weg bevond, indien er geen andere aanwijzingen waren die een verdenking alsmede ernstige bezwaren als bedoeld in artikel 52, tweede lid van de WWM meebrachten, onrechtmatig was.

Tevens kon het aantal geweldsdelicten niet worden aangemerkt als een voldoende concrete aanwijzing dat een strafbaar feit waarbij wapens worden gebruikt, zal worden gepleegd. De rechtbank was dan ook van oordeel dat er onvoldoende grond was voor het geven van een algemene last op grond van artikel 51, tweede lid, die de politie de bevoegdheid gaf elk vervoermiddel te onderzoeken. Het onderzoek van een willekeurige auto die zich op de openbare weg in de genoemde buurt bevond, waarbij overigens geen concrete aanwijzingen bestonden dat een strafbaar feit waarbij wapens zouden worden gebruikt, zou worden gepleegd, was naar het oordeel van de rechtbank dan ook onrechtmatig. Om die reden kon niet elke passant, tegen wie niet uit andere feiten of omstandigheden een verdenking bestond, worden onderworpen aan een fouillering op wapenbezit.

Overigens achtte de rechtbank de fouillering en de doorzoeking in het onderhavige geval overigens wel rechtmatig, omdat deze was geschied met toestemming van de gefouilleerde respectievelijk de bestuurder.

De rechterlijke uitspraak zal uiteraard betrokken worden bij de analyse van de proefprojecten. Gelet echter op de grote zorg die wij hebben ten aanzien van het wapengeweld in ons land hechten wij er aan thans reeds te verklaren dat wij, op basis van de informatie die tot nu toe tot ons is gekomen, voornemens zijn additionele wetgeving te ontwikkelen. Deze zal gericht zijn op een versterking van de bevoegdheden van de politie, opdat men meer adequaat zal zijn toegerust om gevaar en onveiligheid als gevolg van wapenbezit te voorkomen en de rechtsorde te kunnen handhaven. Uiteraard zullen deze bevoegdheden zodanig worden ingekleed dat deze voldoen aan de grondwettelijke eisen en aan de eisen zoals deze op het gebied van de bescherming tegen aantasting van de persoonlijke levenssfeer, zijn vastgelegd in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM). Wij beraden ons thans op de meest effectieve modaliteit om aan het hiervoor gestelde invulling te geven. Daarbij zullen wij tevens bezien in welke wettelijke regeling de versterking van de bevoegdheden van de politie een plaats zal krijgen. De uiteindelijke keuze zal worden bepaald mede op basis van de analyse van de proefprojecten. Ons uitgewerkte standpunt zult u naar verwachting in maart 2000 tegemoet kunnen zien.

De Minister van Justitie,

A. H. Korthals

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties a.i.,

R. H. L. M. van Boxtel

Naar boven