26 294
Wijziging van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering met betrekking tot verklaringen van getuigen die in ruil voor een toezegging van het openbaar ministerie zijn afgelegd (toezeggingen aan getuigen in strafzaken)

nr. 16
VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 18 september 2000

In de vaste commissie voor Justitie1 bestond bij de leden van onderstaande fracties behoefte een aantal vragen over de brief van de minister van Justitie van 30 maart 2000 met antwoorden op tijdens de eerste termijn van de plenaire behandeling van wetsvoorstel 26 294 (toezeggingen aan getuigen in strafzaken) gestelde vragen aan deze bewindspersoon ter beantwoording voor te leggen. Deze vragen en de daarop ontvangen antwoorden zijn hieronder afgedrukt.

De voorzitter van de commissie,

Van Heemst

De griffier van de commissie,

Pe

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 15 september 2000

Hierbij treft u aan de antwoorden op de schriftelijke vragen gesteld naar aanleiding van mijn brief van 30 maart 2000 in het kader van de behandeling van het wetsvoorstel 26 294 (toezeggingen aan getuigen in strafzaken). Tevens is bijgevoegd de aanwijzing toezeggingen aan getuigen in strafzaken van het College van procureurs-generaal met een daarbij behorende aanbiedingsbrief en de concept algemene maatregel van bestuur inzake getuigenbescherming1. Met de toezending van deze stukken wordt uitvoering gegeven aan toezeggingen die ik eerder aan uw Kamer heb gedaan.

De Minister van Justitie,

A. H. Korthals

Vragen van de PvdA-fractie

1

Voor de leden van de fractie van de Partij van de Arbeid is het, teneinde het wetsvoorstel te kunnen steunen, van het grootste belang dat absoluut duidelijk is welke afspraken met criminelen wel en welke beslist niet mogelijk zijn. Tot op heden hebben zij, ondanks de nota naar aanleiding van het verslag en de afgebroken plenaire behandeling en schriftelijke nadere beantwoording van vragen, deze duidelijkheid niet. Daarom vragen zij de minister, voordat zij vragen stellen over de schriftelijke beantwoording, een uitvoerige beschouwing te geven over de kern van het wetsvoorstel, waardoor duidelijk wordt welke toezeggingen mogelijk zijn. Daarbij moet niet alleen aandacht worden geschonken aan wat er formeel wel of niet mogelijk is, maar ook aspecten uit de praktijk dienen aan de orde te komen. Met andere woorden, wat is er materieel aan toezeggingen mogelijk? Om welke typen toezeggingen gaat het dan? Wat is de status van toezeggingen die niet door het wetsvoorstel worden bestreken?

Voorts dient de verhouding van het wetsvoorstel tot de nieuwe richtlijn nader te worden verduidelijkt. Wat wordt er in de nieuwe richtlijn geregeld en waarom kan dat niet in het wetsvoorstel worden geïncorporeerd? Gaat het hierbij ook om mogelijke additionele toezeggingen die buiten het bestek van het wetsvoorstel vallen? Aan welke toezeggingen moet dan worden gedacht?

Is de minister het overigens eens met de gedachte dat pas nadat de Kamer kennis heeft kunnen nemen van de nieuwe richtlijn het wetsvoorstel verder zal worden behandeld? Wanneer is de nieuwe richtlijn te verwachten? (blz.1)

De kern van het wetsvoorstel is dat het mogelijk wordt dat het openbaar ministerie toezegt strafvermindering te bevorderen van ten hoogste een derde van de oorspronkelijk te requireren straf in de zaak van een verdachte die bereid is om een belastende getuigenverklaring af te leggen in een strafzaak tegen een andere verdachte. Uit het voorgestelde artikel 44a WvSr. blijkt dat de toezegging alleen mag strekken tot het verminderen van straf (en dus niet van een maatregel) en dat de strafvermindering alleen op de in het tweede lid aangegeven wijze door de rechter mag worden toegepast. Uit de redactie van artikel 44a blijkt eveneens dat het moet gaan om een zaak waarin vervolging is ingesteld en waarin een uitspraak van de rechter over de toepassing van straf zal worden gevraagd. In het wetsvoorstel wordt voorts aangegeven welke procedure daarvoor moet worden gevolgd.

De aanwijzing van het College van procureurs-generaal geeft nadere praktische uitwerking aan de regeling vervat in het onderhavige wetsvoorstel. Zij bevat duidelijke voorschriften met betrekking tot de wijze waarop door het openbaar ministerie aan die regeling uitvoering, in het bijzonder op het punt van de toelaatbare en niet toelaatbare toezeggingen, zal worden gegeven.

De reden om de nadere uitwerking van de wijze waarop het openbaar ministerie uitvoering geeft te gieten in de vorm van een aanwijzing van het College is tweeërlei. In de eerste plaats zijn openbaar ministerie en politie gewend om te werken met richtlijnen (in de vorm van instructies, aanwijzingen of handleidingen). In de tweede plaats is het van belang dat op elk niveau binnen het openbaar ministerie en de politie volstrekt duidelijk is in welke gevallen, onder welke voorwaarden en volgens welke procedure welke toezeggingen aan verdachten gedaan kunnen worden. Naar het oordeel van het College kan dat worden bereikt met een korte handzame en duidelijke aanwijzing, waarbij is rekening gehouden met het gewisselde tijdens de schriftelijke en mondelinge behandeling van het wetsvoorstel. Het is de bedoeling dat de inwerkingtreding van de aanwijzing samenvalt met de inwerkingtreding van de wettelijke regeling. De aanwijzing die met een aanbiedingsbrief van het College van procureurs-generaal op 7 september van dit jaar met het OM-brede beraad is besproken, zend ik u hierbij toe.

De aanwijzing is nadrukkelijk bedoeld voor de praktijk. Zij geeft aan op welke wijze de wet zal worden uitgevoerd en welke afspraken in dat kader kunnen worden gemaakt en welke procedure de officier van justitie daarbij moet volgen. De aanwijzing bevat ook een opsomming van een aantal toezeggingen die buiten het bestek van het wetsvoorstel vallen en mitsdien niet aanvaardbaar zijn.

Meer specifiek geeft de aanwijzing aan in welke gevallen en onder welke voorwaarden het openbaar ministerie aan een verdachte of veroordeelde die bereid is een getuigenverklaring in een strafzaak tegen een ander af te leggen, toezeggingen kan doen. Aangegeven is welke toezeggingen toelaatbaar zijn. Voorts is, aan de hand van een aantal voorbeelden, nader uitgewerkt welke toezeggingen, die als additioneel kunnen worden aangemerkt, in het kader van een afspraak met een getuige-verdachte/veroordeelde noch in het algemeen noch expliciet kunnen en mogen worden gemaakt. Tenslotte is aangegeven welke procedure moet worden gevolgd indien een officier van justitie het voornemen heeft een toezegging aan een getuige te doen. In het kader daarvan is een aantal toetsingsmomenten opgenomen dat ertoe moet leiden dat de afweging of al dan niet een toezegging kan worden gedaan, op een zeer zorgvuldige wijze plaatsvindt. In dat verband zal mede bepaald moeten worden of een afspraak over een toezegging dringend noodzakelijk is voor de opsporing of het voorkomen of de beëindiging van strafbare feiten, welke feiten niet of niet tijdig met andere methoden kunnen worden opgespoord, voorkomen of beëindigd.

Het doen van toezeggingen en het maken van afspraken moeten worden gezien tegen de achtergrond van een veelheid van afspraken van verschillende aard die in de loop van de behandeling van een grote strafzaak tussen de verdediging en het openbaar ministerie worden gemaakt. Zo is reeds geruime tijd gebruikelijk dat voorafgaand aan de terechtzitting veelal praktische afspraken worden gemaakt over verschillende proceshandelingen, zoals aantallen getuigen die zullen worden gehoord, een indicatie van de duur van het pleidooi en het requisitoir, afspraken over het inzien van processtukken, afluisteren van gemaakte bandopnamen en dergelijke. De uitkomst van de conclusies van de parlementaire enquêtecommissie opsporingsmethoden (PEC) heb ik niet verstaan als een opdracht tot het reguleren van alle afspraken tussen openbaar ministerie en verdediging, Dat kan naar mijn oordeel niet uit de conclusies van de PEC worden afgeleid, maar los daarvan zou een dergelijke opdracht noch op het niveau van de wetgeving noch in de praktijk uitvoerbaar zijn. Dit klemt in het bijzonder omdat een wettelijke regeling die neerkomt op een sepotverbod in sommige – niet duidelijk te omschrijven – zaken, zoals reeds eerder bij gelegenheid van de mondelinge behandeling van het onderhavige wetsvoorstel door de woordvoerder van de PvdA-fractie terecht is opgemerkt, moeilijk voorstelbaar is. Sinds geruime tijd is vaste praktijk dat het vervolgingsbeleid met behulp van richtlijnen wordt gereguleerd.

Het voorgaande betekent niet dat het openbaar ministerie bij het nemen van de vervolgingsbeslissing niet aan algemene normen is gebonden of dat deze geheel naar eigen inzicht kan worden genomen. Het heeft zich te houden aan de algemene beginselen van een goede procesorde, de beginselen voor een eerlijk proces neergelegd in artikel 6 EVRM en meer in het bijzonder aan het specifieke vervolgingsbeleid dat door het College van procureurs-generaal onder mijn verantwoordelijkheid is vastgesteld. Ik wijs erop dat het College van procureurs-generaal op grond van de taak neergelegd in artikel 130, vierde lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie (Het College kan algemene en bijzondere aanwijzingen geven betreffende de uitoefening van de takenen en bevoegdheden van het openbaar ministerie) bezig is met het ontwikkelen van een fijnmazig systeem van aanwijzingen, instructies en handleidingen. Het College heeft zich ten doel gesteld verbetering aan te brengen in de informatieverstrekking aan de hoofden van de parketten over het vastgestelde beleid. Het is de taak van deze hoofden om de beleidsregels aan de leden van het openbaar ministerie binnen hun eigen parket te verspreiden en zo nodig ook aan de politie en bijzondere opsporingsdiensten.

2

Kan de minister uitleggen wanneer toezeggingen van een zodanig geringe omvang zijn dat zij de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv niet rechtstreeks raken? Welke criteria moeten daarbij worden aangehouden? Wanneer wordt de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv dan wel rechtstreeks geraakt door een toezegging aan een criminele getuige? Is er een duidelijke grens aan te wijzen? (blz. 2)

In de memorie van toelichting zijn als voorbeeld genoemd: het bevorderen van een bepaald regime bij de tenuitvoerlegging en het niet opponeren tegen een verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis; in de brief van het College van procureurs-generaal waarbij de aanwijzing wordt toegezonden, wordt het bevorderen van het treffen van specifieke beschermingsmaatregelen genoemd of het bevorderen van de tenuitvoerlegging van detentie op een voor de familie van de gedetineerde goed bereikbare plaats. In deze gevallen raakt de toezegging de beantwoording van de vragen van artikelen 348 en 350 niet. De wijze waarop de straf ten uitvoer wordt gelegd staat in beginsel los van de vraag naar de hoogte van de op te leggen straf. Slechts bij hoge uitzondering zal het regime van de vrijheidsstraf op de terechtzitting aan de orde komen. Ook de beslissing tot schorsing van de voorlopige hechtenis laat de vraag naar de uiteindelijke straftoemeting onverlet. Een belangrijke grens is ook gelegen in de omstandigheden dat de verklaring waarvoor de toezegging wordt gedaan voor het bewijs bruikbaar moet zijn. Als er toezeggingen (buiten de wet of aanwijzing om) worden gedaan (b.v. met het oog op verbetering van de informatiepositie van de politie) kunnen deze niet strekken tot strafvermindering, de getuige kan zich er niet in rechte op beroepen en de verklaring kan niet als bewijsmiddel dienen. De afspraak moet bovendien in ieder geval in het strafdossier worden neergelegd (artikel 226g, vierde lid, WvSv).

3

Kan de minister een nadere beschouwing wijden aan de rechtsstatelijke beginselen «due process», de goede procesorde, en dat van «equality of arms» van artikel 6 EVRM in verhouding tot het onderhavige wetsvoorstel? Kan de minister in deze beschouwing ook aandacht schenken aan aspecten van codificatie in relatie tot het adagium «alles wat niet bij de wet is verboden, is dus toegestaan»? Wat zijn de gevolgen als een bepaald soort afspraken bij de wet worden geregeld en andere niet? (blz. 2)

Buiten kijf staat dat het openbaar ministerie niet alleen bij de beslissing in concrete gevallen gehouden is aan de door de vragenstellers bedoelde beginselen, maar ook dat deze bij het opstellen van wetgeving doorwerken. «Ongeschreven beginselen van behoorlijke strafrechtspleging bieden nadere invulling en beperking van de wettelijke voorschriften voor wat betreft de uitoefening van bevoegdheden door organen en functionarissen in de strafrechtspleging» (Cleiren/Nijboer in Tekst en Commentaar, 1999, blz. 9). De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 19 december 1995, NJ 1996, 249, als standaard voor de beoordeling van onrechtmatig gedrag van het openbaar ministerie geformuleerd: «niet kan worden uitgesloten dat onrechtmatig optreden van het openbaar ministerie onder omstandigheden een zodanig ernstige schending van beginselen van de behoorlijke procesorde oplevert dat zulks tot niet-ontvankelijkverklaring dient te leiden. Een zo vergaande sanctie kan in dat geval echter slechts volgen indien sprake is van ernstige inbreuken op de beginselen, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan». Tot op heden heeft de Hoge Raad niet geoordeeld dat het maken van een afspraak met een criminele getuige als zodanig in strijd zou zijn met de hiervoor genoemde beginselen. In het wetsvoorstel zijn waarborgen opgenomen teneinde te verzekeren dat het ondervragingsrecht van de verdediging op de terechtzitting (een van de belangrijkste onderdelen van de«equality of arms») zo volledig mogelijk kan worden uitgeoefend. De betrouwbaarheid van een dergelijke verklaring kan ten gronde worden bestreden. De verklaring van de getuige moet door de zittingsrechter worden getoetst en voor het gebruik als bewijsmiddel geldt een extra motiveringseis. In het begrip «equality of arms» acht ik niet begrepen dat op grond daarvan aan de verdediging de mogelijkheid zou moeten worden geboden om getuigen à décharge strafvermindering te bieden. Het begrip impliceert evenmin dat aan de verdediging hetzelfde onderzoeksapparaat of een van vergelijkbare omvang ter beschikking moet worden gesteld als aan het openbaar ministerie. Van belang is dat de verdediging ten overstaan van de rechter binnen redelijke grenzen de betrouwbaarheid van het verzamelde (bewijs)materiaal aan de orde moet kunnen stellen. Tegen deze achtergrond is nog steeds begrijpelijk dat de PEC en de Tweede Kamer destijds samen met de regering tot het oordeel zijn gekomen dat het gebruik van een met behulp van een toezegging verkregen verklaring in een beperkt aantal gevallen de voorkeur verdient boven het vrijuit laten gaan van een verdachte van ernstige misdrijven. Ik onderschrijf dat oordeel ook thans. Het door vragenstellers bedoelde adagium «alles wat niet bij de wet is verboden, is dus toegestaan» heeft voor politie en justitie naar mijn oordeel voornamelijk historische betekenis. Het geeft blijk van een attitude die door de PEC nauwkeurig in kaart is gebracht en die vooral is gericht op de bestrijding van de criminaliteit, waarbij het goede doel altijd de middelen heiligt. Deze attitude kon gedijen in een situatie die sterk ondergenormeerd was. Met de Wet bijzondere opsporingsbevoegdheden, de aanpassing van de Wet op de politieregisters en de herziening van de regeling van het gerechtelijk vooronderzoek samen met de concrete uitwerking in het handboek bijzondere opsporingsbevoegdheden is daar een eind aan gemaakt. In het bijzonder aan de Wet bijzondere opsporingsbevoegdheden is het uitgangspunt ten grondslag gelegd dat geheime trajecten in het voorbereidend onderzoek niet aanvaardbaar zijn. Uit de resultaten van de PEC bleek een duidelijke behoefte aan betere normering van nieuwe en bijzondere opsporingsbevoegdheden. Dat heeft er niet toe geleid dat alle onderzoekshande- lingen in het vooronderzoek nu gedetailleerd in de wet zijn beschreven. Ik wijs in dit verband ook naar het wetsvoorstel maatregelen in het belang van het onderzoek, waarin weliswaar een aantal belangrijke maatregelen, veelal gericht op het onderzoek aan de persoon van de verdachte, zijn beschreven, maar dit neemt niet weg dat het wetsvoorstel niet de pretentie heeft nu definitief alle maatregelen te codificeren. Cruciale grens voor het opnemen in een formele wet is de vraag of er een inbreuk wordt gemaakt op een grondrecht en of het gaat om een ingrijpende bevoegdheid. Een kenmerk van de rechtsstaat is dat de bevoegdheid tot het maken van een inbreuk op de rechten en vrijheden van de burger bij de wet moet worden bepaald. Een zeer strikte interpretatie van artikel 1 Wetboek van Strafvordering: Strafvordering heeft alleen plaats op de wijze bij de wet voorzien, zou ertoe leiden dat geen onderzoek mag worden verricht dat niet in het wetboek is beschreven. Deze interpretatie is evenwel niet gangbaar. Communis opinio bestaat over een zekere flexibiliteit van het wettelijk systeem, waarbinnen b.v. nieuwe technische ontwikkelingen moeten kunnen worden opgevangen zonder dat voor iedere ondergeschikte wijziging daarin aanstonds wijziging van de formele wet noodzakelijk is.

4

Is de minister het eens met de stelling dat afspraken met een betrekkelijk gering gewicht voor degene tegen wie de getuigenis wordt afgelegd grote gevolgen kunnen hebben? (blz. 3)

Ja.

5

De invoering van de regeling toezeggingen aan getuigen kan een aanzuigende werking hebben. Kan de minister een uitgebreide beschouwing wijden aan de vraag hoe te voorkomen is dat elke crimineel om strafvermindering zal vragen? (blz. 3)

Het lijkt vooralsnog niet aannemelijk dat van de voorgestelde regeling een aanzuigende werking uitgaat, juist omdat deze zo restrictief van aard en opzet is. Uiteraard kan niet worden uitgesloten dat meer criminele getuigen op de regeling een beroep zullen doen, maar dat betekent niet dat zo'n beroep ook moet worden gehonoreerd. Niet te verwachten valt dat deze groep getuigen zonder het bestaan van enige regeling geheel vrijwillig en belangeloos bereid zal zijn een belastende verklaring ten aanzien van een andere verdachte af te leggen. Dan is het alternatief voor hen eerder het niet afleggen van een verklaring of een voor het bewijs onbruikbare verklaring.

6

In de door de TCEO aan de orde gestelde overeenkomst met een crimineel (blz. 197), is volgens de minister sprake van een zogenaamde predeal. Het begrip predeal wordt uitgelegd als de fase die aan een eigenlijke afspraak in de zin van de thans geldende richtlijn vooraf gaat. Waarin verschilt de op deze wijze omschreven predeal van het vastleggen van het voornemen om te komen tot een afspraak in de zin van het wetsvoorstel? Wordt, door het introduceren van het voornemen om te komen tot een afspraak en het vastleggen van de voorgenomen afspraak in het wetsvoorstel, de predeal wettelijk gesanctioneerd?

Behoort een overeenkomst met een crimineel zoals door de TCEO omschreven, na inwerkingtreding van het voorliggende wetsvoorstel, nog tot de mogelijkheden? Zo niet, waar staat dat deze mogelijkheid uitgesloten moet worden geacht? (blz. 3)

De in deze vraag bedoelde «pre-deal» die de hoofdofficier van justitie te Amsterdam met de heer K gesloten heeft, zag op de voorfase waarin oriënterende besprekingen werden gevoerd om te bezien of partijen tot een eigenlijke afspraak in de zin van de richtlijn wensten te komen. Het ging hier om een fase waarin nog niet duidelijk was wat de heer K. exact zou willen verklaren. Ook was toen nog niet duidelijk of deze informatie door het openbaar ministerie zou kunnen worden gebruikt. Uitzonderlijk was in deze zaak dat een deel van de onderhandelingen kennelijk in een op zichzelf staande overeenkomst is vastgelegd.

Het vastleggen van het voornemen om te komen tot een afspraak in de zin van het wetsvoorstel vindt op grond van het wetsvoorstel en de aanwijzing van het College pas in een latere fase plaats, te weten op het moment dat naar het oordeel van de officier van justitie aan de vereisten en voorwaarden, genoemd in het wetsvoorstel is voldaan. Op dat moment heeft de officier van justitie ook kennis genomen van de (globale) inhoud en strekking van de door de getuige af te leggen verklaring. De ondertekening door de officier van justitie en de getuige vindt pas plaats nadat het College, op advies van de CTC, toestemming heeft verleend. Overigens is in de aanwijzing van het College opgenomen dat de door de officier van justitie en de verdachte ondertekende overeenkomst de opschortende voorwaarde bevat dat de rechter-commissaris dan wel de rechtbank in hoger beroep een beschikking in de zin van artikel 226i WvSv geeft waarin hij de voorgenomen afspraak rechtmatig oordeelt.

7

Zijn er omstandigheden denkbaar dat de minister wel toestemming zou hebben gegeven voor de overeenkomst tussen het openbaar ministerie en Mink K. , aangezien hij stelt dat hij «waarschijnlijk» niet mee zou zijn gegaan? Aan welke omstandigheden zou moeten worden gedacht? (blz. 4)

Een overeenkomst als hiervoor bedoeld behoort in het kader van het wetsvoorstel toezeggingen aan getuigen niet tot de mogelijkheden. Overigens zouden het College en ik ook thans geen toestemming geven voor enige vergelijkbare overeenkomst.

Net als bij het sluiten van overeenkomsten zal aan het maken van een afspraak in de zin van het wetsvoorstel een onderhandelingsfase vooraf gaan. Pas indien het resultaat van de onderhandelingen tussen de officier van justitie (met toestemming van het College van procureurs-generaal) en de verdachte en zijn raadsman geformaliseerd is in een afspraak, die door beiden is ondertekend en door de rechter op grond van artikel 226i rechtmatig is geoordeeld is er sprake van overeenkomst die partijen bindt.

8

De minister noemt als bezwaar tegen alleen een rechterlijke toetsing door de zittingsrechter dat de rechterlijke toetsing te laat komt omdat dan de afspraak al tot stand is gekomen. Kan de minister een beschouwing wijden aan de toetsing van de rechter-commissaris, waarbij deze toetsing, los van de politieke wens van rechterlijke toetsing zoals verwoord in de motie Kalsbeek, zelfstandig op zijn merites wordt beoordeeld? (blz. 4)

Ook los van de politieke wens van rechterlijke toetsing, is er uit systematisch oogpunt alle reden om de regeling in te passen in het gerechtelijk vooronderzoek. Na de herziening van de regeling van het gerechtelijk vooronderzoek, die op 1 februari van dit jaar in werking is getreden, is de bemoeienis van de rechter-commissaris vooral aangewezen bij het toetsen van de toepassing van ingrijpende dwangmiddelen. Er is – vergeleken met de aanvankelijke opvatting van de wetgever over de functie van het gerechtelijk vooronderzoek – in mindere mate sprake van de rechter-commissaris als onbetwiste leider van dat onderzoek, waarin de zaak geheel tot klaarheid wordt gebracht en voor de behandeling op de terechtzitting wordt voorbereid. De betekenis van de officier van justitie als leider van het vooronderzoek en de opsporing is mede ten gevolge van de uitvoering van de conclusies van de PEC en de invoering van de wet bijzondere opsporingsbevoegdheden toegenomen. Niettemin is een aantal zelfstandige onderzoeksbevoegdheden van de rechter-commissaris gehandhaafd (het horen van de verdachte, getuigen, het opdragen van deskundigenonderzoek), terwijl het verrichten van onderzoek op instigatie van de verdachte (de zogenaamde mini-instructie) is toegevoegd. Deze stand van zaken leidt ertoe dat er meer noodzaak bestaat tot het uitwisselen van informatie tussen de officier van justitie en de rechter-commissaris. In dit opzicht is van belang dat de rechter-commissaris zijn functie als toetsingsrechter niet goed kan vervullen als hij niet bekend is met de context van het onderzoek waarin machtiging tot toepassing van een dwangmiddel wordt gevorderd. Hetzelfde geldt voor het effectief horen van de verdachte en getuigen. De plaatsing van de bijzondere afdeling toezeggingen aan getuigen na de afdeling bedreigde getuigen en de algemene regels voor het horen van getuigen in de regeling van het gerechtelijk vooronderzoek ligt gelet op haar specifieke karakter naar mijn oordeel voor de hand.

9

Waar staat dat het verboden is een toezegging te doen die er op neer komt dat ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel achterwege zal blijven? Waarom blijkt uit de redactie van het voorgestelde artikel 44a Wetboek van Strafrecht dat geen financieel voordeel aan een criminele getuige kan worden verstrekt omdat dit neer zou komen op het bieden van geld in ruil voor een verklaring? Artikel 44a maakt het mogelijk dat boetes niet of niet geheel worden opgelegd. Dat komt neer op het bieden van geld in ruil voor een getuigenverklaring. Dan is het achterwege laten van het verstrekken van financieel voordeel aan een criminele getuige als principe toch niet vol te houden? (blz. 5)

In het voorgestelde artikel 44a, eerste lid, ligt besloten dat de officier van justitie uitsluitend kan vorderen dat door de rechter strafvermindering wordt toegepast op de in het tweede lid bepaalde wijze. Het achterwege laten van de maatregel ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel valt daar niet onder.

Het aanbieden van geld voor het afleggen van een verklaring verschilt wezenlijk van het vorderen van een lagere geldboete, omdat het in het eerste geval gaat om het overdragen van geld van de overheid aan een verdachte, waardoor zijn vermogen wordt vergroot. In het tweede geval gaat het om de tenuitvoerlegging van een rechterlijk vonnis, nadat gebruik is gemaakt van een bevoegdheid tot het vorderen van een lagere straf. Het bedrag van de geldboete wordt niet aan het vermogen van de veroordeelde toegevoegd; het is een vermogensbestanddeel dat hij aan de Staat moet afstaan.

10

In hoeverre hebben de maatregelen die in uitvoering zijn genomen ter versterking van het rechter-commissariaat wat betreft de ervaring van rechter-commissarissen resultaat gehad? Kan de minister aangeven wat de effecten van de zgn. Bolkestein-gelden zijn geweest op het ervaringsniveau van rechter-commissarissen? (blz. 5)

De zogenaamde Bolkesteingelden zijn samen met de bedragen die beschikbaar zijn gesteld voor de uitvoering van de door de regering overgenomen aanbevelingen van de PEC mede benut voor de versterking van het rechter-commissariaat. Doel en achtergrond van de versterking daarvan was ook versterking van de greep van de zittende magistratuur op de opsporing; het ging derhalve om versterking van toetsing en controle. Daarbij werd prioriteit toegekend aan de behandeling van zogenaamde kernteamzaken, die zouden worden behandeld door de rechtbank in de standplaats van het kernteam. In dat kader zijn bij een aantal rechtbanken coördinerend rechters-commissarissen (CRC's) benoemd, voornamelijk in die arrondissementen waar een kernteam is gevestigd. Het betreft Amsterdam, 's-Gravenhage, Haarlem, 's-Hertogenbosch, Rotterdam en Zwolle. Van de kernteams werd met name in het desbetreffende lokale/regionale verband een prominente rol verwacht bij de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit en de organisatiecriminaliteit. De organisatie van de kernteams heeft zich evenwel op andere wijze ontwikkeld. Zo is het aandachtsgebied van de kernteams gedifferentieerd en hebben vrijwel alle kernteams een opsporingstaak met een landelijke schaal. Sinds de per 1 januari van dit jaar geldende kernteamregeling (Stcrt. 1999, nr. 121) verrichten de kernteams taken in het kader van de bestrijding van die criminaliteit met een landelijk of internationaal belang.

Het uitbrengen van het rapport van de parlementaire enquêtecommissie: Inzake opsporing, heeft ook voor de zittende magistratuur duidelijke gevolgen gehad in die zin dat dit een aanzienlijke aantrekking van de controle op de opsporing door de zittende magistratuur teweeg heeft gebracht. Met andere woorden: de rechterlijke macht heeft zich tot taak gesteld de controle op de opsporingmethoden te versterken. Deze ontwikkeling heeft direct gevolg gehad voor de praktijk van het rechter-commissariaat. In de verschillende kabinetten CRC is sprake van een significant toegenomen besteding van tijd per kernteamzaak voor onderzoek naar de rechtmatigheid van de opsporing en vervolging. Het is geen uitzondering dat getuigenverhoren van politie-infiltranten en -informanten door de rechter-commissaris plaatsvinden op speciaal ingerichte locaties (bv. de «bunker» in Amsterdam) gedurende langdurige, meerdaagse sessies. Kennis van en ervaring in het leiden van dit soort verhoren zijn noodzakelijk.

In het algemeen geldt dat de CRC's in de loop van de tijd zelf aansluiting bij elkaar hebben gezocht, hetgeen ertoe heeft geleid dat de CRC-verga- dering is gaan optreden als expertisecentrum. In dit forum wordt landelijk beleid voorbereid en gestreefd naar uniformering van werkwijzen van rechters-commissarissen.

Met betrekking tot de ontwikkeling van de functie van de coördinerend rechter-commissaris kan het volgende worden opgemerkt. In de grote rechtbanken in de Randstad, waar het werkgebied van de kernteams en de arrondissementsgrenzen vrijwel samenvallen, heeft de CRC de positie gekregen van voorzitter van het kabinet, die het kabinet beleidsmatig en vakinhoudelijk aanstuurt. De CRC onderhoudt de beleidsmatige contacten met het openbaar ministerie en hij behandelt soms een deel van de kernteamzaken als rechter-commissaris. In deze constructie kan de CRC bij lange na niet alle kernteamzaken zelf behandelen. De toedeling van de kernteamzaken aan de rechters-commissarissen in het arrondissement vloeit voort uit de verantwoordelijkheid die de CRC heeft voor de interne organisatie van het kabinet. Daarbinnen kan aldus onder leiding van en met aansturing van de CRC voldoende expertise worden opgebouwd. De nadruk valt bij deze constructie voornamelijk op de coördinerende taak van de CRC binnen zijn kabinet.

In deze constellatie wordt geen behoefte gevoeld aan een wettelijke regeling van de functie van de CRC.

11

Om welke reden is één van de drie afspraken vorig jaar afgekeurd? (blz. 5)

Een van de drie tijdens de mondelinge behandeling van het wetsvoorstel genoemde voorgenomen toezeggingen is in de vorm van een verzoek om collegiaal advies aan de Centrale Toetsingscommissie voorgelegd. Deze voorgenomen toezegging bleek uiteindelijk geen afspraak te betreffen in de zin van de richtlijn en het wetsvoorstel. In casu wilde een informant informatie verschaffen, onder de voorwaarde dat zijn personalia zouden worden afgeschermd en dat hij een geldbedrag, tot betaling waarvan hij onherroepelijk is veroordeeld, voorlopig niet zou hoeven te betalen. De CTC was van oordeel dat het hier niet ging om een afspraak die valt onder de werking van de Richtlijn afspraken met criminelen noch onder de werking van het wetsvoorstel, omdat het doel niet was het verkrijgen van een toetsbare getuigenverklaring. Ik merk hierbij op dat personalia van informanten altijd worden afgeschermd en dat een toezegging om de tenuitvoerlegging van een rechterlijke beslissing te temporiseren valt binnen de reguliere bevoegdheden van de officier van justitie. Als zulks past binnen het OM-beleid, is hij daartoe bevoegd.

De conclusie is dat het niet ging om afkeuring van een afspraak door het College, maar om de vaststelling van de CTC dat het niet ging om een afspraak in de zin van de richtlijn, die derhalve geen goedkeuring van CTC of College behoefde.

12

De officier van justitie baseert zijn eis op de merites van de strafzaak tegen de criminele getuige op wat deze zonder afspraak waard zou zijn geweest. Nu is geen enkele zaak hetzelfde en de officier van justitie zal zich genoodzaakt zien een bepaalde marge aan te houden waarbinnen hij de hoogte van de vordering bepaalt. Kan de minister uiteenzetten wat de bandbreedte ongeveer is waartussen de strafeis zich in een bepaald geval begeeft? Is het met andere woorden mogelijk dat een officier van justitie in een bepaald geval met toezegging zes jaar eist en een andere officier van justitie in een vergelijkbare zaak zonder toezegging zes jaar eist? (blz. 6)

In zijn algemeenheid kan ik als minister geen uitspraak doen over de bandbreedte die de verschillende officieren van justitie bij de eis in verschillende zaken moeten aanhouden. Zoals hiervoor uiteengezet, is het openbaar ministerie bezig met de ontwikkeling van een beslissingsondersteuningssysteem, waarin ten behoeve van het nemen van de vervol- gingsbeslissing en het requireren van de straf per delict of voor verschillende delictsvormen een aantal wegingsfactoren worden opgesomd die van invloed zijn op de uitkomst van de beslissing. Deze systematisering heeft zich eerst gericht op de beoordeling van veel voorkomende delicten als verschillende vormen van diefstal, vernieling en dergelijke, maar kan zich langzaam uitbreiden naar ernstiger delicten. Hieraan ligt het idee ten grondslag dat door middel van strafvorderingsbeleid meer eenheid en rechtsgelijkheid kan worden bevorderd, maar het heeft ook tot gevolg dat de beslissingsstructuur inzichtelijk en navolgbaar wordt. Onverlet blijft dat er zich in omvangrijke en complexe strafzaken tussen professionele beroepsuitoefenaren als officieren van justitie appreciatieverschillen kunnen voordoen, die in geen enkel systeem te vatten zijn. Los van de concrete omstandigheden van dergelijke gevallen is daarover geen gefundeerde uitspraak te doen.

13

Betekent, in het kader van de kleine vis–grote vis-problematiek, de zin «het opnemen van een dergelijke beperking zal de regeling naar verwachting voor nog minder gevallen toepasbaar maken dan nu reeds het geval is.» dat nu al is voorzien dat getracht zal worden met een grote vis een kleine vis te vangen? (blz. 6)

Neen, dat is niet het geval. Ik wil evenwel niet op voorhand uitsluiten dat op een vrij hoge eis in een strafzaak toch een beperkte strafvermindering kan worden toegepast, omdat de («grote-vis») verdachte heeft meegewerkt aan de vervolging van een groot aantal deelnemers aan een criminele organisatie.

14

De minister ziet geen aanleiding voor een voorziening die strekt tot verwijdering uit het dossier van verklaringen die voortvloeien uit een afspraak die door de rechter-commissaris onrechtmatig wordt geacht. Hoe kan de minister op voorhand tot de conclusie komen dat een dergelijke verklaring niet onrechtmatig is verkregen? Is het mogelijk dat de rechter-commis- saris een afspraak onrechtmatig acht vanwege bepaald handelen van het openbaar ministerie?

Is het mogelijk dat het gebruik ter terechtzitting van een verklaring die in de voorfase tot stand is gekomen, voor de getuige grote gevolgen zal kunnen hebben, bijvoorbeeld voor zijn veiligheid? Wordt, voordat wordt besloten tot het gebruik van een dergelijke verklaring, mogelijke genoemde nadelige effecten voor de getuige in overweging genomen? Wat wordt er gedaan indien de overweging voor de veiligheid van de getuige nadelig uitvalt? (blz. 8)

Mijn opvatting dat er geen behoefte bestaat aan een regeling voor de verwijdering van verklaring van een getuige voorafgaand aan de beslissing van de rechter-commissaris, waarbij deze de afspraak niet rechtmatig oordeelt, berust niet op het oordeel dat deze verklaringen altijd rechtmatig zijn verkregen. Deze opvatting baseer ik op de vaststelling dat er een aantal uiteenlopende redenen kunnen zijn waarom de rechter-commis- saris de afspraak afkeurt, b.v. er is niet voldaan aan eisen van proportionaliteit of subsidiariteit of te veel toegezegd van de zijde van het openbaar ministerie, de getuige is niet voldoende betrouwbaar of de verklaring is te vaag. In dergelijke gevallen behoeft de afgelegde verklaring niet om die reden ondeugdelijk of onrechtmatig verkregen te zijn. Duidelijk is echter dat indien de rechter-commissaris tot het oordeel komt dat de getuige niet vrijwillig met de afspraak heeft ingestemd, of dat voor het afleggen van een verklaring ongeoorloofde druk op hem is uitgeoefend, van een onrechtmatig verkregen verklaring kan worden gesproken. Deze zal door de zittingsrechter dan om die reden als bewijsmiddel kunnen worden uitgesloten.

Het is mogelijk dat door het gebruik op de terechtzitting van een verklaring die voordien is afgelegd, maar ook door de ondervraging op de terechtzitting, gevaar voor de veiligheid van de getuige kan ontstaan. In een dergelijk geval kunnen specifieke maatregelen ter bescherming van de getuige en zijn naasten worden getroffen in opdracht van het College van procureurs-generaal. Het ligt voor de hand dat de getuige en zijn raadsman tijdig zelf melding maken van de risico's die zij verwachten. Mede op grond daarvan en de bereidheid en houding van de getuige zal het College van procureurs-generaal moeten beslissen of de basisinstructie getuigenbescherming moet worden toegepast.

15

Mag in de voorfase door de crimineel en de officier van justitie worden afgesproken dat de verklaring die inzicht geeft in wat de crimineel zou kunnen verklaren en zijn redenen van wetenschap niet in rechte mag worden gebruikt? (blz. 8).

Denkbaar is dat in de periode voor de totstandkoming van de afspraak voor dat tijdvak wordt afgesproken dat een dergelijke verklaring niet in rechte mag worden gebruikt. Aan een dergelijke afspraak kan evenwel slechts beperkte betekenis worden toegekend. Omdat de afspraak altijd de verplichting zal bevatten dat de getuige op de terechtzitting naar waarheid zal verklaren, zal het gebruik van de eerst afgelegde verklaring niet nodig zijn. Indien de verklaringen afwijken, staat het de rechter vrij te beoordelen aan welke hij meer of minder geloof hecht. In de gevallen bedoeld in artikel 298, eerste lid, is de getuige absoluut verhinderd om op de terechtzitting te verschijnen; zijn in het gerechtelijk vooronderzoek afgelegde verklaring – dat is de verklaring die voor de rechter-commissaris na het rechtmatig oordelen van de afspraak is afgelegd – kan vervolgens als op de terechtzitting afgelegd worden beschouwd. Ook in dat geval is gebruik van de eerste verklaring niet aan de orde.

16

Is de conclusie juist dat in 1999 geen enkele afspraak daadwerkelijk is geëffectueerd? (blz. 8)

In 1999 zijn twee voorgenomen toezeggingen ter toetsing aan de Centrale Toetsingscommissie voorgelegd. Deze zijn beide door het College van procureurs-generaal goedgekeurd. In het eerste geval is de uitvoering van de – met mijn instemming goedgekeurde – overeenkomst met een getuige nog niet tot een uitvoering gekomen, omdat de uitspraak van de rechter nog niet onherroepelijk is. In het tweede geval is de overeenkomst, nadat het College deze had goedgekeurd, niet ondertekend.

17

De afspraak komt tot stand op het moment van ondertekening door de rechter-commissaris. Getuige en officier van justitie komen echter op een gegeven moment overeen welke afspraak zij aan de rechter-commissaris zullen voorleggen. Van deze overeenstemming kan een officier van justitie – ook voordat de rechter-commissaris deze heeft ondertekend – toch niet naar eigen believen afwijken? (blz. 9)

Neen, door het vorderen van de toetsing van rechtmatigheid van de voorgenomen afspraak op grond van artikel 226g, derde lid, geeft de officier van justitie te kennen dat hij bereid is de daarin vastgelegde verplichtingen na te komen onder de gespecificeerde voorwaarden. Hij kan daarin niet zonder instemming van de wederpartij wijziging brengen.

18

Kan de minister een uitvoerige principiële uiteenzetting geven van de relatie tussen het in de wet geregelde en het daarin niet geregelde, maar in de praktijk wel voorkomende vormen van afspraken? Wat is het oordeel van de minister over de suggestie van de leden Halsema en Dittrich om het woordje «alleen» in artikel 44a te voegen?

Kan de minister een uitputtend overzicht verstrekken van alle mogelijke afspraken tussen openbaar ministerie en verdachten van strafbare feiten? Welke afspraken vallen onder het regime van dit wetsvoorstel en welke vallen hier buiten? Welke afspraken vallen niet onder het regime van dit wetsvoorstel, maar (zullen) worden genoemd in de richtlijn «afspraken met criminelen»? Welke afspraken vallen niet onder het wetsvoorstel en de richtlijn?

Kan de minister, zoals beloofd tijdens het debat, inzichtelijk maken wat er tot nu toe aan afspraken is gemaakt die niet onder de onderhavige regeling zouden vallen? (blz. 12)

Voor de door deze leden gevraagde principiële uiteenzetting verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 1. Tegen de achtergrond van het bepaalde in artikel 44a, eerste en tweede lid, heb ik geen behoefte aan het amendement van mevrouw Halsema, maar als de meerderheid van uw Kamer hierin een nuttige verduidelijking ziet, zal ik mij daartegen niet verzetten.

In het wetsvoorstel en in de aanwijzing is uitputtend opgenomen welke toezeggingen strekkende tot strafvermindering kunnen worden gedaan aan verdachten en veroordeelden, die bereid zijn als getuige een toetsbare verklaring af te leggen. Andere toezeggingen strekkende tot strafvermindering zijn derhalve niet mogelijk, ook niet op grond van de aanwijzing.

Het wetsvoorstel laat de mogelijkheid open voor toezeggingen die niet strekken tot strafvermindering, maar die wel van invloed kunnen zijn op het afleggen van een verklaring die voor het bewijs gebezigd kan worden. Deze toezeggingen zijn van relatief geringe omvang en raken de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 Wetboek van Strafvordering niet rechtstreeks. Om die reden is het ook niet nodig dat de rechter deze toezeggingen vooraf dient goed te keuren.

Het betreft hier in de eerste plaats toezeggingen die voortvloeien uit de algemene zorgplicht van de Staat. De aanwijzing van het College noemt in dit verband een toezegging dat bevorderd wordt dat maatregelen ter bescherming van de getuige in opdracht van het College worden getroffen overeenkomstig de basisinstructie getuigenbescherming. Wanneer er een reëel risico kan ontstaan dat de getuige door de afspraak als bedoeld in het wetsvoorstel, in een dreigingssituatie terecht zal komen, rust op de officier van justitie, op grond van de algemene zorgplicht die hij heeft, de verplichting te bevorderen dat het dreigingsbeeld in kaart gebracht wordt. Het College beslist vervolgens of een dreigingsanalyse opgesteld moet worden en, wanneer zo'n analyse is opgesteld, of er aanleiding bestaat om maatregelen ter bescherming van de getuige te treffen. Hoewel de inspanningen van de officier van justitie op dit gebied voortvloeien uit de algemene zorgplicht van de Staat en in feite geen onderdeel van een overeenkomst behoeven te vormen, is er geen bezwaar om een dergelijke toezegging op te nemen in de overeenkomst wanneer een getuige daarom verzoekt. Om misverstanden te voorkomen merk ik hier nog eens expliciet op dat in toezeggingen niet vooruitgelopen kan worden op de inhoud van de beslissingen van het College.

In de tweede plaats betreft het toezeggingen die uitsluitend het karakter hebben van serviceverlening of zo te noemen gunsten en voortvloeien uit de wet, uit beginselen van een goede strafrechtspleging, uit het reguliere OM-beleid of uit overwegingen van ethisch/humanitaire aard. In feite gaat het hier om eenzijdige beslissingen of inspanningen van het openbaar ministerie die opgevat kunnen worden als een vorm van toezegging. Als voorbeeld hiervan kan worden genoemd het bemiddelen in plaatsing in een dichter bij de woning van het gezin van de verdachte gelegen huis van bewaring in verband met gezinsbezoek of bijvoorbeeld ter vermijding van niet door de verdachte gewenste contacten met bepaalde andere gedetineerden. Andere voorbeelden zijn het zich niet verzetten tegen een schorsing van de voorlopige hechtenis wanneer een verdachte in zijn privé-situatie orde op zaken wil stellen (en andere belangen zich niet tegen zo'n schorsing verzetten), de beslissing tot teruggave van beslag wanneer het strafvorderlijk belang zich daartegen niet meer verzet en het toestaan van een betalingsregeling bij een geldboete wanneer een veroordeelde in financiële problemen zit.

Voor zover dergelijke toezeggingen van invloed kunnen zijn op het verloop van een strafzaak wijs ik er op dat deze ingevolge het door mij nader voorgestelde artikel 226g, vierde lid, WvSv schriftelijk moeten worden vastgelegd. Dit artikel schrijft voor dat toezeggingen die voor het onderzoek in de zaak van betekenis kunnen zijn bij proces-verbaal, dat bij het strafdossier moet worden gevoegd, dienen te worden vastgelegd.

Van het voorgaande moet worden onderscheiden tipgeldvergoedingen aan tipgevers, alsmede de situatie dat een getuige, die geen verdachte of veroordeelde is, alleen in ruil voor een geldelijke vergoeding bereid is een verklaring af te leggen. Ik heb uw Kamer hierover reeds uitgebreid geïnformeerd.

19

Een sepot mag niet worden toegezegd door het openbaar ministerie. Hoe wordt gewaarborgd dat dit niet zal gebeuren? (blz. 12)

De waarborg is de uitdrukkelijke opname in de aanwijzing van het College van procureurs-generaal. In de aanbiedingsbrief van het College aan de hoofden van de parketten is het belang van een goede uitvoering van de aanwijzing en het toezicht daarop een en andermaal benadrukt.

20

Wat wordt precies verstaan onder het voornemen tot een afspraak? Is dat een formulering die toestaat dat de officier van justitie de afspraak al gemaakt heeft en dus inhoudelijk de getuigenverklaring al binnen heeft? Of gaat het echt om een voornemen in de zin dat de officier van justitie nog niet meer weet dan de mogelijke contouren van die verklaring: de getuige is eventueel bereid een verklaring af te leggen over een bepaald delict. Of mag alles? En welke consequenties hebben de uiteenlopende stadia? Zijn er uiteenlopende rechten en/of voor de getuige en het openbaar ministerie in diverse fasen? Zo niet, waarom is het onderscheid dan opgenomen in het wetsvoorstel? (blz. 12)

Indien de officier van justitie en de getuige en zijn raadsman overeenstemming bereiken over een afspraak in de zin van artikel 226g, eerste lid, legt de officier van justitie het voornemen tot het maken van de afspraak aan de rechter-commissaris voor en vordert dat de afspraak op zijn rechtmatigheid – een noodzakelijke voorwaarde voor de totstandkoming van de afspraak – wordt beoordeeld.

Dit kan inhouden dat de verdachte in de onderhandelingsfase voorafgaand aan de totstandkoming van de afspraak al informatie heeft verschaft. De officier van justitie zal immers moeten kunnen beoordelen of hij inderdaad over belangrijke belastende informatie ten aanzien van een verdachte beschikt alvorens hij de voorgenomen afspraak aan de rechter ter toetsing voorlegt. In dit stadium zal doorgaans verlangd worden dat niet wordt volstaan met de enkele mededeling dat zulks het geval is en dat min of meer verifieerbare informatie wordt verschaft. Nadat de afspraak door de rechter rechtmatig is geoordeeld, zal de getuige op de voet van artikel 226j, eerste lid, voor de rechter-commissaris een gedetailleerde en volledige verklaring, die als bewijsmiddel bruikbaar is, afleggen.

21

Is het alleen in theorie denkbaar dat het openbaar ministerie zijn toezegging ter zake van een tot stand gekomen afspraak niet of niet volledig zou nakomen? Hoe vaak is het voorgekomen dat een verdachte zich voor de rechter heeft beroepen op het bestaan van een afspraak, terwijl de officier van justitie het bestaan daarvan ontkende? Kan een overzicht van deze gevallen, waaruit ook het karakter van de afspraak is af te leiden, worden gegeven? (blz. 13)

Het openbaar ministerie houdt geen afzonderlijke registratie van zaken waarin een dergelijk beroep is gedaan, dat is ook ondoenlijk; een overzicht kan derhalve niet worden verstrekt.

Bekend is dat uit de behandeling van de zogenaamde Julietzaak (HR 8 juni 1999. NJ 1999, 772) een vervolging van een officier van justitie terzake van meineed is voortgevloeid. Deze zaak, waarin gesteld werd dat de officier van justitie delen van de gemaakte afspraak had verzwegen dan wel niet was nagekomen, is op 24 januari 2000 geëindigd in een vrijspraak.

22

Begrijpelijk is dat het causale verband tussen getuigenis en liquidatie zelden kan worden vastgesteld. Maar kan, om een indicatie te krijgen, een overzicht worden gegeven van getuigen die na hun getuigenis zijn overleden maar geen natuurlijke dood zijn gestorven? (blz. 13)

Er bestaat geen overzicht van getuigen die na hun getuigenis aan een onnatuurlijke dood zijn overleden. Een dergelijke – algemene – registratie acht ik ook niet uitvoerbaar.

Ik kan de Kamer in dit verband wel melden dat er sinds 1995 vier getuigen – als gevolg van een afspraak – in een getuigenbeschermingsprogramma zijn opgenomen. Deze getuigen zijn allen in leven.

23

Het is eventueel, afhankelijk van de informatie, mogelijk dat een afspraak wordt gemaakt over een bekende van de politie die echter nog geen verdachte in een concrete zaak is. Wordt hier niet aangegeven dat het mogelijk is een afspraak te maken ten behoeve van een verbetering van de bewijspositie? (blz. 14)

Mijn antwoord strekte ertoe aan te geven dat er altijd sprake moet zijn van een verdachte. Afspraken in de zin van het wetsvoorstel kunnen alleen met een verdachte worden gemaakt. Personen die alleen bekenden van de politie zijn, hebben om die reden geen vervolging te duchten. Zij kunnen onder omstandigheden wel optreden als tipgever of informant.

24

Op welke wijze wordt het toezicht door het College van procureurs-generaal en CTC geïntensiveerd? Beide gremia zijn passief en toetsen pas als hun iets wordt gemeld. Wat wil men meer gaan doen? (blz. 14)

Het toezicht op de uitvoering van de regelgeving wordt met behulp van de aanwijzing geïntensiveerd. De wet en de aanwijzing bieden samen voldoende duidelijkheid voor politie en openbaar ministerie bij de praktijk van opsporing en vervolging. Uitgangspunt is dat beide overheidsorganen de regelgeving ter zake nauwgezet in acht nemen. Daarenboven biedt de voorliggende regelgeving voldoende interne en externe controle en toetsingsmomenten met het oog op de juiste toepassing daarvan.

Uiteraard zal ook via de reguliere lijnen toezicht worden uitgeoefend door enerzijds het College van procureurs-generaal en anderzijds de hoofdofficieren van justitie. Daarvoor moeten geen bijzondere structuren gecreëerd worden. Het College blijft op de juiste naleving alert en zal, wanneer het signalen krijgt dat een officier van justitie in strijd met het geldende beleid afspraken maakt met een crimineel, terstond bij de betrokken hoofdofficier van justitie om een verantwoording zal vragen. Het College zal niet aarzelen om in situaties, waarin verwijtbaar onjuist is gehandeld, passende maatregelen te treffen. Daarnaast zal de nieuwe aanwijzing die tezamen met het wetsvoorstel in werking treedt, met de parkethoofden besproken worden in het OM-brede beraad. Bij die gelegenheid zal nog eens worden benadrukt wat wel en wat niet is toegestaan.

Voor wat betreft de rol van de CTC in dit verband merk ik op dat de CTC uitsluitend een adviserende taak heeft en de zaken beoordeelt die aan haar worden voorgelegd.

Vragen van de VVD-fractie

25

Toezeggingen van geringe omvang die de beantwoording van het beslissingsmodel van de artikelen 348 en 350 Sv niet rechtstreeks raken worden wel op schrift gesteld, de rechter kan daarvan kennisnemen en toestemming vooraf is niet vereist. Geldt dit ook voor toezeggingen van niet geringe omvang die niet rechtstreeks raken aan het beslissingsmodel van de artikelen 348 en 350 Sv? (blz. 1)

Ja, dat is juist, met dien verstande dat niet goed voorstelbaar is om welke omvangrijke toezeggingen het zou gaan, gelet op de voorbeelden genoemd in het antwoord op vraag 18.

Dat klemt vooral omdat de toezeggingen geen betrekking mogen hebben op het vergaren van bewijsmateriaal.

26

Wanneer zal het ontwerp van een nieuwe VI-regeling gereedkomen? Zal hierbij uitgangspunt zijn dat het toekennen van een grotere strafvermindering dan een derde moet worden voorkomen? (blz. 10)

De uitvoering van de nota Sancties in perspectief staat als prioriteit op het wetgevingsprogramma, dat in de begroting voor mijn departement voor het jaar 2001 is opgenomen. Gelet op de omvang van het daarin voorziene pakket wetgevingsmaatregelen, verwacht ik dat de voorbereiding daarvan pas in de tweede helft van 2001 ter hand kunnen worden genomen. De uitgangspunten voor dat wetsvoorstel zijn in de nota neergelegd.

27

Hoe vaak worden procentueel in de thans bekende gevallen maatregelen ter bescherming van criminele getuigen getroffen? In hoeverre zijn deze gegevens te extrapoleren voor getuigen die vallen onder de nieuwe regeling? (blz. 11)

Zoals gezegd zijn vier getuigen met wie sedert 1995 een afspraak is gemaakt, in een getuigenbeschermingsprogramma opgenomen. Omdat zo'n programma maatwerk is – in ieder afzonderlijk geval wordt een dreigingsanalyse opgesteld op basis van de concrete situatie – zijn deze gegevens niet te extrapoleren voor getuigen die vallen onder de nieuwe regeling.

De leden van de CDA-fractie

28

Is het de bedoeling dat de opsomming in de richtlijn van het College van procureurs-generaal van niet aanvaardbare afspraken limitatief zal zijn? Zo ja, is dit een reële optie? Zowel opsporingsmethoden als criminaliteit zijn immers aan innovatie onderhevig. (blz. 2)

De opsomming is niet limitatief, maar gebaseerd op de opgedane ervaringen. Het is niet doenlijk om op voorhand een volledige inventarisatie op te maken van situaties die zich mogelijkerwijs kunnen voordoen. Onverlet blijft dat het openbaar ministerie zich dient te bewegen tussen de in vraag drie bedoelde rechtsstatelijke beginselen.

29

In hoeverre geeft een omschrijving van «toezeggingen van relatief kleine omvang die de beantwoording van de vragen van art. 348 en 350 Sv. niet rechtstreeks raakt» niet opnieuw aanleiding tot vaagheid en experimen- teergedrag? Zeker als deze toezeggingen als een aantal voorbeelden in de op te stellen richtlijn worden opgenomen. (blz. 2 en 3)

Ik verwijs naar mijn beantwoording van vraag 1, 2 en 18.

30

Waarop was de «zelfstandige overeenkomst, die los staat van een afspraak in de zin van de geldende richtlijn» met de heer K dan wel gebaseerd? De irritatie van deze leden rond de zogenaamde «pre-deal» met de heer K neemt door het gebruik van deze formuleringen niet af. (blz. 4 bovenaan)

In het kader van zijn reguliere taakuitoefening worden door het openbaar ministerie, zoals aangegeven in het antwoord op vraag 1, een veelheid van afspraken van uiteenlopende aard gemaakt. Wat in dit geval hoogst uitzonderlijk was, dat een gemaakte afspraak in deze fase in de vorm van een overeenkomst werd vastgelegd.

31

Is er binnenkort een nieuwe regeling inzake de Vervroegde Invrijheidsstelling te verwachten en zo ja wanneer? (blz. 10)

Deze vraag heb ik reeds beantwoord als vraag 26; ik verwijs daarnaar.

32

Bestaat niet de mogelijkheid dat de auto of de personal computer van de verdachte betaald zijn uit wederrechtelijk verkregen voordeel? Wat is «van betrekkelijk geringe waarde»? Waarom wordt voor een dergelijke inschikkelijke houding van de officier van justitie gepleit en leidt dit niet tot een nieuw schemergebied bij het doen van toezeggingen aan getuigen in strafzaken? (blz. 12)

Bij het geven van het voorbeeld had ik het oog op voorwerpen, waarop beslag is gelegd, dat niet meer behoeft voort te duren in het belang van de strafvordering. Als het gaat om waardevolle voorwerpen die uit wederrechtelijk verkregen voordeel zijn aangeschaft, dient het beslag uiteraard voort te duren. De tenuitvoerlegging van de maatregel concentreert zich daar ook op. Bedoeld zijn voorwerpen waarvan de gebruikswaarde voor familie of naasten van de verdachte belangrijker is dan de reële waarde.

Ik wijs erop dat soortgelijke afspraken kunnen worden gemaakt in strafzaken waarin het maken van een afspraak in de zin van het wetsvoorstel in het geheel niet aan de orde is.

33

In de discussie, zowel maatschappelijk, juridisch als publicitair, rond het zogenaamde COPA-dossier is menigmaal sprake van toe te zeggen «vrijgeleides». Niet alleen aan verdachten, maar zeker ook aan (kroon-)getui- gen. Waarop is een mogelijke vrijgeleide voor een getuige juridisch gebaseerd en wat is de relatie met het onderhavige wetsontwerp?

Alleen in het kader van internationale rechtshulp is de figuur van een vrijgeleide voor een getuige bekend. In de meeste rechtshulpverdragen is bepaald dat een getuige die na te zijn gedagvaard voor de rechterlijke autoriteit van de verzoekende staat verschijnt, op het grondgebied van die staat niet kan worden vervolgd, of in hechtenis genomen, of aan enige andere vrijheidsbeperking onderworpen voor feiten of veroordelingen die voorafgingen aan zijn vertrek van het grondgebied van de aangezochte staat. De ratio daarvan is dat de aangezochte staat de getuige niet kan dwingen om zijn medewerking te verlenen en de verzoekende staat afhankelijk is van de bereidheid van de getuige om op de terechtzitting te verschijnen. Het ligt voor de hand dat de verzoekende staat een persoon niet als getuige kan oproepen om hem bij aankomst als verdachte te vervolgen. Indien een staat een in het buitenland verblijvende verdachte, die niet vrijwillig ter zitting zal verschijnen, wenst te vervolgen, dient zo mogelijk de uitleveringsprocedure te worden gevolgd.

Aan verdachten die zich in het buitenland bevinden, behoort naar mijn mening geen vrijgeleide te worden verleend. Het doel van de vervolging en de berechting van de verdachte is immers het verkrijgen van een rechterlijke beslissing over de toepassing van straf of maatregel die vatbaar is voor tenuitvoerlegging. Het is aan de verdachte om te beslissen of hij van zijn aanwezigheidsrecht gebruik maakt; hij kan ook zijn raadsman tot het voeren van zijn verdediging machtigen of hij kan geheel verstek laten gaan. Het is niet aan de verdachte om nadere voorwaarden te stellen met betrekking tot de wijze waarop hij zijn aanwezigheidsrecht uitoefent. Het Wetboek van Strafvordering biedt daarvoor geen voorziening. Van belang is dat van de zijde van de Nederlandse autoriteiten aan de verdachte niets in de weggelegd wordt om ter terechtzitting te verschijnen.

De leden van de D66-fractie

34

Waarop baseert de regering haar mening dat het geen groot grijs gebied betreft, wanneer het gaat om toezeggingen die niet strekken tot strafvermindering of die niet behoren tot een categorie die in de richtlijn als ontoelaatbaar is aangemerkt? (blz. 2)

Ik verwijs naar mijn antwoord op vraag 1, 2 en 18.

35

Zal in de richtlijn worden opgenomen dat een officier van justitie niet mag afspreken dat er geen actief opsporingsonderzoek wordt ingesteld naar andere strafbare feiten? (blz. 2)

Ja.

36

Welk type misdrijven van de criminele getuige wordt uitgesloten van afspraken?

Er worden geen misdrijven van de criminele getuige op voorhand categorisch uitgesloten. De toetsing aan proportionaliteit en aan subsidiariteit zal ertoe leiden dat de rechter afspraken die niet aan deze vereisten voldoen, niet rechtmatig zal oordelen. Zo zal in abstracto weliswaar moeilijk voorstelbaar zijn dat aan een verdachte of veroordeelde wegens moord strafvermindering wordt toegezegd, maar als met behulp van zijn verklaringen een aantal moorden kunnen worden opgelost en verdachten worden berecht zou wettelijke uitsluiting kunnen betekenen dat deze zaken niet tot klaarheid kunnen worden gebracht.

37

Volgens de regering is het openbaar ministerie er meer dan voldoende van doordrongen dat er geen afspraken buiten de richtlijn om kunnen worden gemaakt. Hoe wordt dit in de praktijk door het college en het CTC gecontroleerd? (blz. 3)

Ik verwijs naar mijn antwoord op vraag 24.

38

Kan de regering duidelijk uiteenzetten wanneer er sprake is van een zelfstandige overeenkomst en wanneer er sprake is van een afspraak in de zin van de geldende richtlijn en het thans voorliggende wetsvoorstel? Kan de regering precies aangeven in welke zin deze twee afspraken van elkaar verschillen? (blz. 4)

In het wetsvoorstel wordt een tamelijk gedetailleerde procedure in het kader van het gerechtelijk vooronderzoek beschreven. Deze moet worden gevolgd indien de officier van justitie met een verdachte een afspraak tot strafvermindering wil maken. In de huidige richtlijn wordt bij gebreke van een wettelijke basis aangegeven in welke gevallen en volgens welke procedure een afspraak met een criminele getuige mag worden gemaakt. In alle andere gevallen kan de officier van justitie in het kader van zijn reguliere taakuitoefening afspraken van uiteenlopende aard maken (zie het antwoord op vraag 1). Noch de richtlijn noch de wet voorziet erin dat in de fase voorafgaand aan de totstandkoming van de afspraak afzonderlijke overeenkomsten worden gesloten.

39

Is de officier van justitie bevoegd een afspraak met een criminele getuige te maken, indien de belastende verklaring van de getuige de enige getuigenverklaring is? (blz. 7)

De officier van justitie is in beginsel bevoegd een dergelijke afspraak te maken, maar de vraag of dat zinvol is, is afhankelijk van de aanwezigheid van ander toereikend bewijsmateriaal. In het begin van het onderzoek zal het bovendien extra moeilijk zijn om een op zich zelf staande verklaring van één getuige op haar waarheidsgehalte te toetsen. Als er niet meer bewijsmateriaal vergaard kan worden, zal de rechter op grond van artikel 342, derde lid, jo 344a, tweede lid, niet tot een bewezenverklaring kunnen komen. Dat kan er zelfs toe leiden dat het gerechtelijk vooronderzoek met een kennisgeving van niet verdere vervolging moet worden afgesloten als niet waarschijnlijk is dat de rechter tot een veroordeling komt.

40

Het College van procureurs-generaal informeert de Minister als het gaat om een te maken afspraak alleen in bijzondere gevallen bij grote politieke gevoeligheid. Blijkt de politieke gevoeligheid nu niet juist vaak pas achteraf, dus nadat de afspraak reeds is gemaakt? Welke mogelijkheden ziet de Minister om meer betrokken te zijn bij de te maken afspraken, mede gelet op het feit dat het aantal zaken relatief beperkt blijkt te zijn? (blz. 5)

Ik handhaaf mijn standpunt dat het onjuist is dat de Minister van Justitie zich eigener beweging bezighoudt met de beslissingen die zijn opgedragen aan het openbaar ministerie in individuele strafzaken. Bemoeienis is aangewezen als het College van procureurs-generaal de noodzaak tot overleg aanwezig ziet en van het College kan worden verwacht dat het daartoe tijdig initiatief neemt. In de tweede plaats zal bemoeienis van de Minister van Justitie aan de orde zijn, indien zijn politieke verantwoordelijkheid vanuit het parlement wordt geactiveerd. Hij is dan gehouden een oordeel te geven over het optreden van het openbaar ministerie zonder dat dit ertoe behoeft te leiden dat hij daadwerkelijk een aanwijzing in een concrete zaak geeft. Het geringe aantal gevallen waarin het maken van een afspraak aan de orde is overtuigt mij niet van de noodzaak daarbij altijd te worden betrokken.

41

Heeft de Julietzaak niet aangetoond dat er geen voldoende waarborgen zijn om de officier van justitie tegen zichzelf te beschermen? Kan het vastleggen van de onderhandelingen op video over de afspraak tussen de officier en de getuige soortgelijke zaken niet voorkomen? (blz. 8)

Ik kan het uitgangspunt van de vragenstellers dat de officier van justitie tegen zich zelf moet worden beschermd, niet delen. Voor het overige verwijs ik naar mijn aankondiging van het experiment met het opnemen van verhoren in ernstige zaken onder auspiciën van de RAC. Ik voeg daaraan toe dat ook de meest objectieve registratie van beeld en geluid ruimte laat voor verschillen in appreciatie en perceptie van beide partijen.

42

De afspraak tussen officier van justitie en getuige komt «in de eerste plaats» tot stand op het moment van ondertekening door de rechter-commissaris. Vanaf dat moment zijn beide partijen verbonden. Welke betekenis hebben in dit verband de woorden «in de eerste plaats»? Deze woorden suggereren dat een afspraak ook nog op een andere wijze tot stand kan komen. Kan de regering hier op ingaan? (blz. 9)

Er is sprake van een onderhandelingsfase waarin overleg plaatsvindt tussen de officier van justitie en de verdediging over de voorwaarden die wederzijds aan het maken van de afspraak worden verbonden. Als dit leidt tot overeenstemming, zal vervolgens interne goedkeuring door het College van procureurs-generaal moeten worden gegeven. Dan kunnen de officier van justitie en de verdachte de afspraak ondertekenen, waarna de officier van justitie van de rechter-commissaris vordert dat hij het voornemen tot het maken van de afspraak en de afspraak zelf toetst op rechtmatigheid. Pas indien de rechter-commissaris de beschikking op grond van artikel 226h, derde lid, heeft gegeven, komt deze formeel tot stand.

43

In welke wet wordt bepaald dat met toestemming van de getuige het voortschrijden van de redelijke termijn voor berechting niet gestuit kan worden? (blz. 10)

De norm van berechting binnen een redelijke termijn is neergelegd in artikel 6, eerste lid, EVRM. Dit werkt rechtstreeks door in het Nederlandse recht en op grond van artikel 359a Wetboek van Strafvordering kan de rechter rekening houden met schending van de redelijke termijn voor berechting.

Artikel 72, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bepaalt dat elke daad van vervolging de verjaring stuit, mits deze aan de verdachte bekend of betekend is. Onder daden van vervolging worden slechts handelingen van het openbaar ministerie en de rechter begrepen. Een eenmaal aangevangen vervolging kan niet onbeperkt worden uitgesteld of opgeschort.

44

De officier van justitie zal op de zitting mededeling doen van de wijze waarop de criminele getuige aan de gemaakte afspraak heeft voldaan en het gevolg van de strafeis daaraan verbinden. De waardering is voor de getuige echter lastig meetbaar nu de officier in zijn requisitoir niet de straf vermeldt die hij zonder medewerking van de getuige zou eisen. Kan de regering hier op ingaan? (blz. 14)

Uitgangspunt punt voor de eis is de waardering van de ernst van het feit zonder dat rekening is gehouden met de strafvermindering die met de verdachte is afgesproken. De mate van de toegezegde strafvermindering is daarop gebaseerd. Het ligt voor de hand dat de officier van justitie daarvan in zijn requisitoir melding maakt. Als de verdediging het daarmee niet eens is, kan zij op grond van artikel 311, tweede lid, antwoorden.

45

Kan de regering ingaan op de stelling dat door de voorgestelde regeling een getuige in de wereld van de georganiseerde criminaliteit niet vaak meer een gewone getuigenverklaring zal afleggen?

Ik verwijs naar mijn antwoord op vraag 5.

De leden van de fractie van GroenLinks

46

Toezeggingen buiten het bestek van het wetsvoorstel zullen in de richtlijn worden opgenomen als niet acceptabel. Acht de minister dit een voldoende garantie? Is het niet volstrekt onmogelijk om elke vorm van een toezegging in een richtlijn vast te leggen? Dient een dergelijk belangrijk onderdeel, als het al wordt vastgelegd, niet in de wet te worden opgenomen? (blz. 2)

Met verwijzing naar mijn antwoord op vraag 1 en 18 acht ik het opnemen van een aantal niet acceptabele toezeggingen in de aanwijzing van het College van procureurs-generaal een voldoende garantie. Voor de vraag naar de (on)mogelijkheden van codificatie verwijs ik eveneens naar mijn antwoord op vraag 1.

47

Vindt de minister het in zijn algemeenheid niet wenselijk dat, hoewel hij dit in het wetsvoorstel niet tot uitdrukking wenst te laten komen, slechts gestreefd moet worden naar strafvermindering voor de verklaring van de kleine(re) vis en niet naar strafvermindering voor de verklaring van de grote(re) vis? (blz. 6)

Het door vragenstellers weergegeven uitgangspunt kan ik in beginsel delen, doch ik verwijs eveneens naar mijn antwoord op vraag 13.

48

Het opnemen van een beperking (beide verdachten deelnemers aan dezelfde criminele organisatie, waarbij de getuige bij voorkeur een kleinere rol heeft dan de andere verdachte) zal naar de verwachting van de minister de regeling voor nog minder gevallen toepasbaar maken dan nu reeds het geval is. Kan hieruit de conclusie worden getrokken dat er nu gevallen zijn waarin bijvoorbeeld de getuige als grote vis moet worden aangemerkt en de andere verdachte als kleine vis? Kan de minister voorbeelden noemen? (blz. 6)

Voor het antwoord verwijs ik eveneens naar mijn antwoord op vraag 13.

49

Ziet de minister geen gevaar voor de waarborg van de rechterlijke onpartijdigheid indien de strafzaak van de criminele getuige eerder wordt behandeld dan de strafzaak van de andere verdachte?

Neen. De onpartijdigheid van de rechter moet een vooringenomenheid ten aanzien van de strafzaak voorkomen, welke vooringenomenheid een juist oordeel ten aanzien van de gegrondheid van de strafvervolging en de strafoplegging in de weg staat. Uitgangspunt van de Hoge Raad is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling vermoed wordt onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens de verdachte een vooringenomenheid koestert, althans de bij de verdachte dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is (zie Cleiren/Nijboer, 3e druk, Strafvordering Tekst en Commentaar, blz. 1661–1662).

De onpartijdigheid van de rechter is naar mijn oordeel niet in het geding als hij rekening moet houden met eerdere rechterlijke beslissingen die van invloed zijn op de door hem behandelde strafzaak. Datzelfde geldt voor beslissingen van de rechter-commissaris en de raadkamer over de toepassing van voorlopige hechtenis en het horen van bedreigde getuigen.

50

Heeft de minister nog altijd reden te veronderstellen dat de echt belangwekkende criminele getuigenissen boven tafel komen bij een regeling die voor de criminele getuige geen enkele garantie biedt?

Uit de rechtspraak terzake blijkt dat het maken met afspraken met getuigen in strafzaken door het openbaar ministerie in ruil voor het verkrijgen van een verklaring onder een aantal – thans nog in de geldende richtlijn – gespecificeerde omstandigheden rechtmatig kan zijn. In die gevallen hebben afspraken bijgedragen aan het verkrijgen van een veroordeling in grotere zaken. Ik wijs er wel op dat in deze materie het alternatief voor het afleggen van een bruikbare getuigenverklaring meestal is dat geen enkele verklaring wordt afgelegd. In een dergelijk geval heeft de verdachte die een getuigenverklaring kan afleggen, maar dat niet wil, geen enkel voordeel te verwachten.

51

Is de minister, gelet op een aantal essentiële zwakke punten in het wetsvoorstel zoals hierboven en reeds eerder verwoord, bereid om het wetsvoorstel in te trekken?

Ik zie daartoe geen aanleiding, te meer omdat het naar mijn oordeel gedetailleerd uitvoering geeft aan de uitgangspunten voor een wettelijke regeling die destijds door de PEC zijn geformuleerd, door de Tweede Kamer zijn aangevuld en door de regering zijn overgenomen.

De leden van de fracties van RPF en GPV

52

Wanneer zal het College van PG's nadere informatie verschaffen over afspraken in het zogeheten grijze gebied. Kan nader worden beargumenteerd, waarom er zonder meer vanuit gegaan kan worden dat dergelijke afspraken van een betrekkelijk gering gewicht zijn? Wat is de situatie indien blijkt dat er afspraken zijn gemaakt, die niet op schrift zijn gesteld? (blz. 3).

Ik verwijs naar mijn beantwoording van vraag 1 en 18.

53

De procedure rondom toezeggingen aan criminele getuigen wordt omvangrijk genoemd. Is de minister van mening dat de procedure ook waterdicht is? (blz. 3).

Als wij niet kunnen uitgaan van de goede trouw en integriteit van de functionarissen die bij de toepassing van alle procedures uit het Wetboek van Strafvordering zijn betrokken, kan geen van deze procedures waterdicht worden genoemd.

54

Strekt artikel 44a er inderdaad toe dat afspraken over wederrechtelijk verkregen voordeel niet mogelijk zijn, gelet op het feit dat ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel geen straf in de eigenlijke zin van het woord is? (blz. 4)

Ja, dat is juist. De ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel is een maatregel en valt als zodanig niet onder de mogelijkheid van strafvermindering opgenoemd in het voorgestelde artikel 44a, tweede lid, Wet- boek van Strafrecht.

55

Zal in het strafproces de getuige die zonder een afspraak over toezeggingen verklaringen aflegt die in het strafproces jegens een andere verdachte van belang zijn, gelijk worden behandeld als het gaat om straftoemeting als de criminele getuige aan wie wel toezeggingen zijn gedaan? Wat is in dit verband de positie van de criminele getuige die zijn afspraak als zijnde onrechtmatig ziet afgewezen? Komt deze in aanmerking voor vermindering van de straftoemeting (blz. 6)

In zijn algemeenheid kan ik de eerste vraag niet beantwoorden. De uiteindelijke straftoemeting wordt bepaald door de rechter aan de hand van de concrete omstandigheden van de individuele zaak. De aard van de zaken waarin tot nu toe (rechtmatige) afspraken zijn gemaakt is zodanig dat zij zich feitelijk niet met elkaar laten vergelijken. In welke mate de rechter rekening zal houden met de verklaring van een verdachte die heeft meegewerkt aan de berechting van de verdachte in een andere zaak, zal afhankelijk zijn van de reden om welke de afspraak onrechtmatig is verklaard. Ik verwijs voorts naar mijn antwoord op vraag 8.

56

Kan de minister nader toelichten hoe hij tot de stelling komt dat de verklaring van de getuige in de voorfase «in algemene bewoordingen zal zijn gesteld.»?

Wil de minister in dit verband reageren op de stelling dat de kans op het doorgang vinden van de afspraak (bij de CTC) toeneemt naarmate de potentiële criminele getuige meer zicht biedt op de inhoud van zijn verklaring? (blz. 8 en 12)

De verdachte die bereid is in een vroeg stadium een gedetailleerde verklaring ten laste van een andere verdachte af te leggen en bovendien een afspraak voor het bevorderen van strafvermindering wil maken, zal nadere afspraken kunnen maken over de wijze waarop zijn verklaring in het vooronderzoek wordt benut.

In het andere geval zal de verdachte een indicatie geven van de inhoud van zijn verklaring, waarbij voor de hand ligt dat de enkele mededeling dat hij over veel belastende informatie beschikt niet voldoende zal zijn om de officier van justitie van de wenselijkheid van een afspraak te overtuigen. De juistheid van zijn verklaring zal door onderzoek moeten kunnen worden geverifieerd. De regeling voorziet erin dat de verdachte pas nadat de door hem gemaakte afspraak rechtmatig is geoordeeld, op grond van artikel 226j, eerste lid, als getuige wordt beëdigd en door de rechter-commissaris gehoord. In dat kader wordt van hem een volledige waarheidsgetrouwe verklaring verwacht.

57

Wat is het oordeel van de minister over toezeggingen aan een criminele getuige ten behoeve van derden? Is in het bijzonder een toezegging dat geen informatie over eventuele strafbare feiten begaan door een derde zal worden doorgegeven aan buitenlandse opsporingsinstanties een aanvaardbare toezegging, zowel onder de huidige richtlijn als onder het wetsvoorstel? (blz. 14)

In de aanwijzing van het College van procureurs-generaal is opgenomen dat toezeggingen ten behoeve van derden niet mogen worden gedaan. Het antwoord op de tweede vraag luidt derhalve ontkennend. In het algemeen geldt dat het weigeren van het verstrekken van informatie in het kader van van internationale rechtshulp alleen mogelijk is op basis van een in een verdrag of wet vastgelegde weigeringsgrond. Dat is aan de orde, indien de uitvoering van het verzoek zou kunnen leiden tot de aantasting van de soevereiniteit, de veiligheid, de openbare orde of een ander wezenlijk belang van de staat.

58

In hoeverre is de minister nu van mening dat toezeggingen aan informanten nadere regulering zouden behoeven? (blz. 15)

De positie van de informant is voldoende geregeld in de wet bijzondere opsporingsbevoegdheden en de gewijzigde wet politieregisters, en voor wat de financiële beloning betreft uitgewerkt in de Regeling bijzondere opsporingsgelden, die bij eerdere gelegenheid aan uw Kamer is toegezonden (onderzoek PEC).


XNoot
1

Samenstelling: Leden: Swildens-Rozendaal (PvdA), Van de Camp (CDA), Biesheuvel (CDA), Scheltema-de Nie (D66), Zijlstra (PvdA), Kalsbeek-Jasperse (PvdA), Apostolou (PvdA), Middel (PvdA), Van Heemst (PvdA), voorzitter, Rouvoet (RPF), Rabbae (GroenLinks), Van Oven (PvdA), Kamp (VVD), Dittrich (D66), ondervoorzitter, O.P.G. Vos (VVD), Van Wijmen (CDA), De Wit (SP), Weekers (VVD), Wijn (CDA), Van der Staaij (SGP), Ross-van Dorp (CDA), Patijn (VVD), Niederer (VVD), Nicolaï (VVD) en Halsema (GL).

Plv leden: Wagenaar (PvdA), Balkenende (CDA), Verhagen (CDA), Van Vliet (D66), Duijkers (PvdA), Arib (PvdA), Kuijper (PvdA), Albayrak (PvdA), Barth (PvdA), Schutte (GPV), Karimi (GroenLinks), Santi (PvdA), Passtoors (VVD), Hoekema (D66), Van den Doel (VVD), Rietkerk (CDA), Marijnissen (SP), De Vries (VVD), Eurlings (CDA), Van Walsem (D66), Buijs (CDA), Rijpstra (VVD), Van Baalen (VVD), Van Blerck-Woerdman (VVD) en Oedayraj Singh Varma (GroenLinks).

XNoot
1

Ter inzage gelegd bij de afdeling Parlementaire Documentatie.

Naar boven