26 292
Verdrag houdende bepalingen inzake de status van de brigadestaf van de «United Nations Stand-by Forces High Readiness Brigade» (Shirbrig) in Denemarken, met Bijlage; Kopenhagen, 5 maart/11 mei 1998

nr. 81
nr. 1
BRIEF VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN

Aan de Voorzitters van de Eerste en van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 12 november 1998

Ter griffie van de Eerste en van de Tweede Kamer der Staten-Generaal ontvangen op 16 november 1998.

De wens dat het verdrag aan de uitdrukkelijke goedkeuring van de Staten-Generaal wordt onderworpen kan door of namens één van de Kamers of door ten minste vijftien leden van de Eerste Kamer dan wel dertig leden van de Tweede Kamer te kennen worden gegeven uiterlijk op 16 december 1998.

Overeenkomstig het bepaalde in artikel 2, eerste lid, en artikel 5, eerste lid, van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen, de Raad van State gehoord, heb ik de eer U hierbij ter stilzwijgende goedkeuring over te leggen het op 5 maart / 11 mei 1998 te Kopenhagen tot stand gekomen verdrag houdende bepalingen inzake de status van de brigadestaf van de «United Nations Stand-by Forces High Readiness Brigade» (Shirbrig) in Denemarken, met Bijlage (Trb. 1998, 141 en 243).1

Een toelichtende nota bij dit verdrag treft U eveneens hierbij aan.

De goedkeuring wordt alleen voor Nederland gevraagd.

De Minister van Buitenlandse Zaken,

J. J. van Aartsen

TOELICHTENDE NOTA

Inleiding

Nederland hecht belang aan de versterking van de snelle reactiecapaciteit van de Verenigde Naties bij vredeshandhaving. Daarom steunt Nederland het Deense initiatief tot oprichting van de multinationale «United Nations Stand-by Forces High Readiness Brigade» (Shirbrig). Het gaat om de vorming van een multinationale, niet-staande brigade met een reactietijd van 15 tot 30 dagen, die inzetbaar is voor vredestaken onder hoofdstuk VI van het op 26 juni 1945 te San Francisco tot stand gekomen Handvest van de Verenigde Naties (Stb. F 321, laatstelijk Trb. 1994, 277), inclusief humanitaire operaties, voor de duur van ten hoogste zes maanden.

Dit concept voor een snel inzetbare multinationale brigade is een bescheiden, maar concrete verbetering van het «United Nations Stand-by Arrangements System» (Unsas). Door de oprichting van de Shirbrig worden de Unsas-bijdragen van betrokken landen gebundeld, wat de inzetbaarheid en de interoperabiliteit van deze Unsas-bijdragen vergroot. De Tweede Kamer is hierover door de Minister van Buitenlandse Zaken geïnformeerd bij brief van 18 december 1995 (kamerstukken II 1995/96, 24 400 V, nr. 41).

Op 15 december 1996 hebben Denemarken, Canada, Nederland, Noorwegen, Oostenrijk, Polen en Zweden een «letter of intent» inzake de oprichting van de Shirbrig ondertekend. Hierover heeft de Minister van Defensie informatie gestuurd aan de Tweede Kamer bij brieven van 20 juni 1996 (kamerstukken 1995/96, 24 400 X, nr. 117) en 3 december 1996 (kamerstukken 1996/97, 25 000 X, nr. 39), alsmede aan de Voorzitter van de Vaste Commissie voor Defensie van de Tweede Kamer bij brief nr. D96 002 120 van 13 december 1996.

Met betrekking tot de «Memoranda of Understanding» inzake de stuurgroep en de kleine permanente brigadestaf van de Shirbrig is de Tweede Kamer eveneens door de Minister van Defensie geïnformeerd in zijn brieven van 11 april 1997 (kamerstukken 1996/97, 25 000 X, nr. 71) en 17 oktober 1997 (kamerstukken 1997/98, 25 696, nr. 1). De ondertekening van de MoU's heeft in november 1997 plaatsgevonden.

Het verdrag

De brigadestaf in Denemarken is het enige onderdeel van de Shirbrig dat permanent is ingesteld. Denemarken is bereid de leden van de brigadestaf op verdragsrechtelijke basis voorrechten en immuniteiten te bieden, alsmede de brigadestaf rechtspersoonlijkheid te bieden naar Deens recht. Beide regelingen zijn in de bijlage bij het verdrag neergelegd.

De voorrechten en immuniteiten zijn analoog aan het op 19 juni 1951 te Londen tot stand gekomen Verdrag tussen de Staten die partij zijn bij het Noord-Atlantisch verdrag, nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten (NAVO-Statusverdrag; Trb. 1951, 114, laatstelijk Trb. 1996, 326). Directe toepassing van het verdrag van 1951 is wegens de samenstelling van de groep deelnemende landen in de Shirbrig niet mogelijk. Waar wordt afgeweken van het NAVO-Statusverdrag wordt een hogere mate van bescherming geboden, namelijk die welke toekomt aan diplomatiek personeel.

Wegens verschillen in het juridische en het operationele traject tijdens de oprichting van de Shirbrig en met het oog op de uiteenlopende nationale goedkeuringsprocedures is omwille van tijdsbesparing gekozen voor een systeem van gelijkluidende bilaterale verdragen tussen Denemarken en elk van de landen die een vertegenwoordiger in de brigadestaf hebben geplaatst. De bedoeling is dat in een later stadium al deze bilaterale verdragen vervangen worden door één multilateraal verdrag met dezelfde inhoud en strekking als de bilaterale verdragen.

Het onderhavige, bij briefwisseling totstandgekomen verdrag bevat geen verplichtingen voor het Koninkrijk, doch slechts verplichtingen voor Denemarken. Het verdrag wordt vanaf 13 mei 1998 voorlopig toegepast, hetgeen noodzakelijk werd geacht in verband met een spoedige plaatsing van een Nederlandse officier bij de permanente brigadestaf van de Shirbrig in Denemarken. In dat kader is van belang dat, voorafgaand aan de inwerkingtreding van het verdrag, voor die plaatsing reeds een juridische basis aanwezig is.

Koninkrijkspositie

Het verdrag geldt, voor wat het Koninkrijk betreft, alleen voor Nederland.

De Minister van Buitenlandse Zaken,

J. J. van Aartsen

De Minister van Defensie,

F. H. G. de Grave


XNoot
1

Ter inzage gelegd bij de afdeling Parlemen- taire Documentatie.

Naar boven