26 269
Uitvoering aanbevelingen enquêtecommissie opsporingsmethoden

nr. 17
BRIEF VAN DE MINISTER VAN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 30 november 1999

1. Inleiding

Op 10 november jl. hebben mijn ambtgenoot van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en ik met u van gedachten gewisseld over het kabinetsstandpunt inzake het rapport en de aanbevelingen van de Commissie Kalsbeek. Tijdens dit debat zijn enkele toezeggingen gedaan die ik met deze brief gestand wil doen.

Tijdens het AO is uitvoerig aandacht gevraagd voor het implementatietraject van de Wet BOB, daarom zal ik in de eerste plaats in deze brief uitgebreid ingaan op dit implementatietraject (2.). Vervolgens zal ik ingaan op een aantal bijzondere opsporingsbevoegdheden waarover tijdens het debat dezerzijds wellicht nog niet volledige duidelijkheid is geboden (3.). Uw Commissie heeft voorts nog aandacht gevraagd voor het onderwerp kernteams; hierover treft u een passage aan (4.).

Ik heb toegezegd u een notitie te zullen doen toekomen over internationale aspecten die kleven aan de wettelijke regelingen zoals die in Nederland zijn getroffen op het terrein van de bijzondere opsporingsmethoden. Deze notitie is verwerkt in deze brief en opgenomen onder punt 5.

Voorts meen ik er goed aan te doen u bij wijze van actualisering nader te informeren over een aantal aanbevelingen die niet inbegrepen zijn in de behandeling van de hiervoor onder punt 2 tot en met 4 genoemde onderwerpen. Deze onderwerpen zijn op volgorde van de aanbevelingen opgenomen onder punt 6.

Ten behoeve van het debat met Uw Kamer op 2 december a.s. heb ik als bijlage bij deze brief een overzicht gevoegd van de aanbevelingen, de daarbij behorende vragen, zoals gesteld door Uw kamer op 13 juli 1999, een korte samenvatting van de kabinetsreactie en waar mogelijk een actualisatie op de verschillende aanbevelingen.

In het debat op 10 november jl. heb ik u toegezegd mijn spreekteksten te zullen aanleveren. Ik heb gemeend deze teksten niet te moeten bijvoegen, gelet op hetgeen thans al in deze brief is opgenomen. Door het bijvoegen van de oude spreekteksten zou niet alleen op hoofdlijnen een doublure ontstaan maar zou ook onduidelijkheid kunnen ontstaan over de nadere uitwerking. Zeker waar het betreft de onderdelen 2 en 3 is in deze brief sprake van een nadere uitwerking en actualisering, waar een oude spreektekst slechts afbreuk aan zou kunnen doen.

2. Implementatietraject Wet Bijzondere opsporingsbevoegdheden

Op 1 februari 2000 treedt de wet Bijzondere Opsporingsbevoegdheden in werking. Hierbij zullen een aantal nieuwe bijzondere bevoegdheden in de opsporingspraktijk worden geïntroduceerd. Daarnaast zijn er nog twee andere wetswijzigingen die met bovenstaande wetswijziging samen hangen, te weten wijziging van de wet Politieregisters en de wet Herziening gerechtelijk vooronderzoek.

Deze wetten hebben aanzienlijke consequenties voor de werkwijze van opsporingsdiensten en het OM.

Deze veranderingen in de opsporing vereisen meer dan alleen de introductie van de nieuwe regelgeving zelf, namelijk ook extra opleiding en vorming, voorlichting, ontwikkeling van uitvoeringsregelingen en standaardmodellen voor de hantering van de bevoegdheden en aanpassingen in de bedrijfsorganisatie en de automatisering.

Hiertoe is in oktober 1998 onder leiding van een bij het Ministerie van Justitie gedetacheerde officier van justitie een uitgebreid implementatietraject gestart. In dit traject waren aanvankelijk 4 werkgroepen actief, die zich bezig hielden met opleiding en vorming van politie en justitiepersoneel, het opstellen van uitvoeringsregelingen, de ontwikkeling van nieuwe model vorderingen en – bevelen en aanpassingen in de bedrijfsorganisatie (waaronder automatiseringssystemen). Later zijn daar 6 werkgroepen bijgekomen ten behoeve van het Handboek Wet BOB.

– De Stuurgroep Implementatie nieuwe wetgeving

De beheersmatige aansturing van het implementatietraject ligt in handen van een speciaal daarvoor in het leven geroepen Stuurgroep, waarvan de DG Rechtshandhaving voorzitter is.

De feitelijke werkzaamheden ten aanzien van de genoemde thema's worden uitgevoerd door een zestal werkgroepen, bestaande uit professionals, specialisten van OM, ZM, politie, bijzondere opsporingsdiensten en de ministeries van Justitie en Binnenlandse Zaken.

De projectleider Implementatie wet BOB zorgt voor de organisatie, bewaakt de planning, bewaakt de onderlinge samenhang en de afstemming tussen de werkzaamheden van de diverse werkgroepen (in- en extern). De werkgroep die de notitie «de Wet bijzondere opsporingsbevoegdheden in de praktijk» heeft opgesteld fungeert als klankbordgroep voor de werkgroepen.

De dagelijkse leiding hiervan ligt in handen van een door het ministerie van Justitie in samenwerking met het College van procureurs-generaal tot stand gekomen projectbureau. De projectleider Implementatie wet BOB is hoofd van het projectbureau.

Ik zal op de afzonderlijke onderdelen van het traject achtereenvolgens ingaan.

– Opleiding en vorming

In het kader van de implementatie is een opleidingstraject georganiseerd voor politie en justitie. Het LSOP en de SSR hebben deze opleiding structureel in hun programma opgenomen.

Het LSOP verzorgt een opleiding voor specifiek benoemde doelgroepen; tevens worden kerndocenten opgeleid, die politie en BOD'en en Koninklijke Marechaussees op operationeel niveau moeten opleiden. Op het strategisch niveau binnen de regionale politiekorpsen en de BOD'en zijn inmiddels 160 personen opgeleid. Op tactisch niveau zijn thans circa 450 personen opgeleid. Daarnaast zijn circa 125 kerndocenten opgeleid, die ervoor moeten zorgen dat de kennis over de nieuwe wetsvoorstellen verder wordt verspreid binnen de opsporingsorganisaties.

Het LSOP heeft inmiddels het Politie Studie Net als onderdeel van het Politie Kennis Net ontwikkeld; een studieprogramma onder meer gericht op de wet BOB, waarin politieambtenaren via intranet zo snel mogelijk op de hoogte worden gesteld en gehouden van nieuwe ontwikkelingen op het gebied van regelgeving.

Op 23 november 1999 is een Cd-rom Bijzondere Opsporingsbevoegdheden op een congres over het Politie Kennis Net gepresenteerd.

De SSR heeft inmiddels 10 themadagen georganiseerd voor officieren van justitie, rechters en secretarissen met betrekking tot de wet BOB en de wet Herziening GVO. Circa 430 personen hebben inmiddels aan deze themadagen deelgenomen. In de maand december 1999 zal nog een themadag BOB/GVO plaatsvinden. Daarnaast heeft de SSR 5 tweedaagse verdiepingscursussen georganiseerd voor officieren van justitie, rechters en parketsecretarissen die zich bezig houden met bestrijding van de (zware) georganiseerde criminaliteit. Daaraan hebben 100 personen deelgenomen. Er is nog een verdiepingscursus gepland in de maand december 1999.

Vanaf september 1999 is de interne opleiding voor de parketten, in de vorm van conferenties, van start gegaan.

De recherche officieren van justitie hebben op 8 en 9 september 1999 een landelijke conferentie gehouden, alwaar zij de contouren hebben vastgesteld van een uniforme opleiding met betrekking tot de kennisoverdracht aan de officieren van justitie en parketsecretarissen die niet aan de SSR opleiding hebben kunnen deelnemen.

– Het opstellen van uitvoeringsregelingen aan de nieuwe wetgeving

Een vijftal uitvoeringsregelingen is opgesteld ter uitvoering van de Wet BOB. Het betreft de volgende uitvoeringsregelingen:

– Besluit technische hulpmiddelen bijzondere opsporingsbevoegdheden:

behelst eisen, te stellen aan observatie- en afluisterapparatuur;

– Samenwerkingsbesluit infiltratie:

behelst regels voor de uitvoering van een aantal bijzondere opsporingsbevoegdheden door BOD'-en, KMar en buitenlandse opsporingsambtenaren;

– Besluit bewaren en vernietigen niet-gevoegde stukken;

– Regeling infiltratieteams:

behelst regels over organisatie en opleiding van infiltratieteams;

– Regeling opnemen vertrouwelijke communicatie:

behelst eisen, te stellen aan opsporingsambtenaren belast met deze bevoegdheid.

Deze uitvoeringsregelingen zullen gelijktijdig met de Wet BOB op 1 februari 2000 in werking treden.

– De ontwikkeling van nieuwe model vorderingen en -bevelen

Er zijn modellen ontwikkeld voor bevelen van de officier van justitie, wijzigingen en aanvullingen van bevelen en vorderingen en machtigingen rechter-commissaris voor de nieuwe bijzondere opsporingsbevoegdheden. Alle modellen benodigd voor de wet BOB en de wet Herziening GVO zijn inmiddels gereed.

– Wijzigingen in de bedrijfsorganisatie, in het bijzonder met noodzakelijke aanpassingen in de geautomatiseerde bedrijfsprocessensystemen

De uitvoering van de realisatie van de BOB functionaliteit in de geautomatiseerde systemen COMPAS en ARC, ter ondersteuning van de werkprocessen van het OM en de ZM, is gestart en zal op 1 februari 2000 landelijk beschikbaar zal zijn.

De hiervoor genoemde werkgroepen hebben hun werkzaamheden afgerond. Wel zullen de SSR en het LSOP ook in het jaar 2000 nog (verdiepings-)cursussen en themadagen verzorgen.

– Het opstellen van een Handboek voor de Opsporingspraktijk

In de Overlegvergadering van minister en College van procureurs-generaal van december 1998 is besloten dat een Handleiding zal worden opgesteld voor de toepassing van de bijzondere opsporingsbevoegdheden.

Op 15 april 1999 is de notitie «de Wet bijzondere opsporingsbevoegdheden in de praktijk» opgesteld. In deze notitie zijn de uitgangspunten geformuleerd waarbinnen de opsporing zal moeten werken met de – vanaf 1 februari 2000 van kracht zijnde – nieuwe wetgeving en de daarmee samenhangende nieuwe opsporingsbevoegdheden. Deze uitgangspunten zijn door de Overlegvergadering onderschreven en dienen als basisvoor het Handboek voor de Opsporingspraktijk, dat nu wordt opgesteld.

Dit Handboek is primair bedoeld als een handreiking aan de uitvoerders in de praktijk (politie, OM en ZM).

Het Handboek beslaat het gehele terrein van de wet BOB en geeft per bijzondere bevoegdheid middels een toelichting op de wettelijke regeling, voorbeelden en relevante jurisprudentie aan wat de reikwijdte van de desbetreffende bevoegdheid is. Voorts worden per bevoegdheid de internationale context geschetst, procedurevoorschriften opgesomd en model bevelen bijgevoegd.

Naast de bijzondere opsporingsbevoegdheden zal het Handboek onder meer ook aandacht besteden aan de thema's afscherming en notificatie.

De condities waaronder bijzondere opsporingsbevoegdheden worden toegepast en de grenzen die daaraan worden gesteld zullen in de vorm van aanwijzingen (richtlijnen) in het Handboek worden geïncorporeerd. Het betreft hier onder meer de onderwerpen: verkennend onderzoek, informanten, infiltranten, afscherming, doorlaten en gecontroleerde aflevering, stelselmatige observatie en schriftelijke verantwoording.

Gezien het grote belang dat het Handboek ook gedragen wordt door de uitvoerende professionals bij Openbaar Ministerie en politie, wordt de praktijk intensief bij de totstandkoming van het Handboek betrokken.

Begin december wordt het Handboek, inclusief – voor zover relevant – de uitkomsten van na te melden werkgroepen, aangeboden aan de Overlegvergadering van minister en college van procureurs-generaal. Zo spoedig mogelijk daarna –naar verwachting in januari 2000 – zal het Handboek ter beschikking worden gesteld aan het veld. Zoals ik heb toegezegd zal ik het Handboek dan ook ter kennis brengen van Uw Kamer.

Ten behoeve van de uitwerking van de notitie «de Wet bijzondere opsporingsbevoegdheden in de praktijk» en het vullen van het Handboek, worden door de werkgroepen de volgende thema's uitgewerkt.

Werkwijze CID en tactische recherche

Onderzocht wordt welke consequenties de wetswijzigingen hebben voor de werkwijze van de politie, de doelen, taken, organisatie en werkwijze van de CID, het aansturen van de onderzoeken en de verantwoording door de bevoegde instanties (waaronder de verantwoordelijkheidsverdeling tussen zaaks OvJ, CID OvJ en de recherche OvJ), de onderlinge verhouding tussen regionale infodesks, de CID'en en de informatieplatforms.

Gevolgen van de wijziging voor het vastleggen en bewaken van de gegevens in de registers

De wijziging van de Wet Politieregisters stelt nieuwe eisen aan het opnemen van subjecten in een politie-register en aan de controle daarop. Bezien wordt of de huidige procedures daaromtrent toereikend zijn. Daarnaast worden modelreglementen opgesteld voor de bijzondere politieregisters en worden de modelreglementen voor de reguliere politieregisters gewijzigd. Ook zal een voorstel over de schoning van de bestaande registers worden gedaan. Hierna zal door de werkgroep met betrekking tot het toezicht en de controle een stramien in de vorm van een circulaire worden opgesteld over de wijze waarop en door wie deze controle en dit toezicht dient te geschieden.

Verfijning begrippenkader en een nadere uitwerking van het verbod doorlaten

In de notitie «de Wet bijzondere opsporingsbevoegdheden in de praktijk» is een eerste uitleg/invulling gegeven aan het in de wet BOB geschetste begrippenkader. De praktijk heeft laten weten aan een dergelijke uitleg behoefte te hebben. Helder zal moeten zijn wat onder elke norm en de daarin gebezigde begrippen verstaan moet worden en onder welke voorwaarden deze geëffectueerd kunnen worden. Deze begrippen worden uitgewerkt aan de hand van voorbeelden.

Administratieve organisatie

De gevolgen van de wetswijziging zijn voor de administratieve organisatie (AO) van het openbaar ministerie, de (bijzondere) opsporingsdiensten en de zittende magistratuur, met name de rechter-commissaris veelomvattend. Gestreefd wordt naar een standaard AO bij het OM voor de inzet van bijzondere opsporingsmethoden en -middelen. In het bijzonder wordt aandacht besteed aan een eenvormige relatie tussen de recherche OvJ, de CID OvJ en de zaaks OvJ inzake de besluitvorming rond de inzet van bijzondere opsporingsbevoegdheden met betrekking tot de administratieve organisatie.

Het College van procureurs-generaal heeft aan de hoofdofficieren het aanbod gedaan om met de betrokken medewerkers (officieren van justitie, parketsecretarissen, administratief medewerkers en medewerkers van het kabinet RC) aan de hand van de model procesbeschrijving het bedrijfsproces stap voor stap door te spreken. Deze sessies zullen in de maanden december 1999 en januari 2000 plaatsvinden.

Afscherming

Het gaat hier onder andere om de afscherming van gegevens omtrent de identiteit van informanten en van specifieke opsporingstechnieken en -tactieken; wat wel en wat niet wordt vermeld in het procesdossier. Volgens de wetgever is, op basis van het criterium «een zwaarwegend opsporingsbelang» onder omstandigheden afscherming mogelijk van de identiteit van de informant en de concrete uitvoering van specifieke opsporingsmethoden en -technieken (art. 187 d Sv).

Vervaardigen CID regeling

Deze werkgroep zal zorg dragen voor een nieuwe CID regeling. Deze regeling maakt geen onderdeel uit van het Handboek. De regeling zal voor 1 februari 2000 gereed zijn.

3. Bijzondere opsporingsbevoegdheden

Graag ga ik in op enkele punten inzake de bijzondere opsporingsbevoegdheden die tijdens het Algemeen Overleg op 10 november jl. aan de orde kwamen.

– Afbakening begrippen informant en infiltrant (aanbeveling 12)

De Wet BOB onderscheidt de begrippen informant en infiltrant – eenvoudig gezegd – als volgt. Een informant in de zin van de wet is een persoon die in opdracht van politie en justitie stelselmatig informatie inwint over een persoon. Een infiltrant is een persoon die in opdracht van politie en justitie deelneemt aan een criminele groep.

In de praktijk denkt men nog vaak, in lijn met de oude begrippen, dat een informant die bij zijn werk voor politie en justitie een strafbaar feit pleegt, een infiltrant wordt. Onder de Wet BOB is dat anders.

Het criterium voor het onderscheid tussen de begrippen informant en infiltrant.

De vraag is aan de orde geweest of het kabinet het door de TCEO geformuleerde criterium voor het onderscheid tussen informant en infiltrant onderschrijft. Hierover vermeldt ik het volgende.

Het voornaamste onderscheidend criterium is een ander dan dat van de TCEO. Dit is ook geantwoord op de schriftelijke vragen (vragen 106 en 109, in de bijlage bij de brief van 31 augustus). Het is het onderscheidende criterium van artikel 126w van de Wet BOB. Niet het al dan niet op verzoek van politie en justitie plegen van strafbare feiten, maar het al dan niet op verzoek van politie en justitie deelnemen in een criminele groepering is doorslaggevend. De informant die op verzoek van politie en justitie een strafbaar feit pleegt, is daarmee nog geen infiltrant. De informant die op verzoek van politie en justitie deelneemt aan een criminele groepering is wel een infiltrant.

Het deelnemen aan een criminele groep kan overigens een strafbaar feit opleveren. Het bijzondere bij infiltratie is echter niet dat de handelingen een strafbaar feit opleveren, maar dat de handelingen verricht worden binnen een criminele groep.

Het onderscheid tussen informant en infiltrant zou volgens de TCEO gezocht moeten worden in het onder regie van politie en justitie plegen van strafbare feiten. Een infiltrant kan onder regie van politie en justitie strafbare feiten plegen, een informant niet, tenzij het betreft het verrichten van hand- en spandiensten van geringe importantie (aanbeveling 12). Zoals aangegeven in het kabinetsstandpunt behoeft er in bepaalde gevallen geen bezwaar tegen te bestaan om een informant te verzoeken hand- en spandiensten te verlenen die wellicht, afhankelijk van de omstandigheden, kunnen resulteren in het plegen van strafbare feiten. Bezwaren kunnen er echter wel zijn, bijvoorbeeld wanneer de informant reeds actief betrokken is bij het op te sporen strafbare feit en (mede-) verdachte is, dan wel wanneer de informant deelneemt in een criminele groepering en, zodra hij onder regie van politie en justitie hand- en spandiensten gaat verlenen, komt te vallen binnen de omschrijving van infiltratie. Hierna wordt hier nog nader op ingegaan.

Aan de orde is ook gekomen de vraag waarop de stelling stoelt dat onder de Wet BOB personen minder snel als infiltrant zullen worden beschouwd.

Daarover zij het volgende opgemerkt. In de huidige praktijk, waarin men georiënteerd is op het gangbare begrippenkader, gaat men uit van een ruim begrip infiltratie. Men gaat er vaak van uit dat een informant een infiltrant wordt, zodra hij op verzoek van politie en justitie een strafbaar feit pleegt. Ook wordt pseudokoop en -dienstverlening gezien als een bijzondere vorm van infiltratie en ook andere activiteiten buiten een criminele groep worden vaak als infiltratie gezien. Men is nog niet gewend de term infiltratie te reserveren voor die activiteiten die inhouden dat in opdracht van de officier van justitie wordt deelgenomen aan een criminele groep.

Het plegen van strafbare feiten door een informant

Over het plegen van strafbare feiten door een informant kan het volgende worden opgemerkt.

Een informant komt doorgaans uit het criminele milieu. Hij was of is zelf betrokken bij het plegen van strafbare feiten. Dit hoeft echter geen belemmering te zijn om hem als informant te gebruiken. Het is geen voorwaarde dat de informant zijn strafbare handelingen staakt. Wel moet duidelijk zijn dat hij zich voor zijn eventuele strafbare handelingen niet kan verschuilen achter toestemming of medeweten van politie en justitie. Deze handelingen komen voor zijn eigen rekening. Ook wanneer de informant een strafbaar feit pleegt, terwijl hij bezig is op verzoek van politie en justitie informatie in te winnen, is dit strafbaar feit voor zijn eigen rekening. Hieronder valt ook de situatie waarin een informant in de «hitte van de strijd» een hand- en spandienst verleent aan de verdachte met betrekking tot wie hij op verzoek van politie en justitie informatie inwint. Dit is aan de informant bekend. In de model-standaardovereenkomt voor de informant zal hieraan aandacht worden besteed.

Dit wil niet zeggen dat de informant voor elk strafbaar feit dat hij pleegt vervolgd zal worden. De officier van justitie kan per geval afwegen of vervolging aangewezen is. Daarbij zullen de aard van het strafbaar feit en het belang om de informant als informant te kunnen blijven gebruiken, meespelen. Het opportuniteitsbeginsel geldt, ook bij deze afwegingen, onverkort.

De vraag is gesteld of een informant in opdracht van politie en justitie strafbare feiten mag plegen. Het antwoord daarop is dat de Wet BOB daaraan niet in de weg staat. In de praktijk gaat men er echter veelal van uit dat een informant niet in opdracht van politie en justitie een strafbaar feit mag plegen. Deze regel staat in de zogenaamde ethische code voor het runnen van informanten van 1995. Ook het Eindrapport van de parlementaire enquêtecommissie opsporingsmethoden vermeldt bij de conclusies en aanbevelingen: «De informant pleegt geen strafbare feiten onder regie van politie en justitie».

In dit opzicht is aanbeveling 12 een verruiming. Die aanbeveling houdt immers in dat er een uitzondering mogelijk is op de regel dat een informant niet onder regie van politie en justitie strafbare feiten pleegt. Dit komt tegemoet aan een in de praktijk ervaren knelpunt. Wanneer een informant in een positie verkeert waarin hij door een eenvoudige hand- en spandienst een nuttige bijdrage aan de opsporing kan leveren, maar die hand- en spandienst zou wel eens een strafbaar feit op kunnen leveren, dan zou dit niet mogelijk zijn. Te denken valt aan een informant die eigenaar van een loods is en die deze loods kan verhuren aan de verdachte, die deze loods gaat gebruiken voor de opslag van gestolen goederen. In de praktijk ervaart men de dit als een knelpunt.

Met inachtneming van aanbeveling 12 is denkbaar dat in een dergelijk geval toegestaan wordt dat de informant in opdracht van politie en justitie handelingen verricht die mogelijk een strafbaar feit opleveren. In een degelijke geval kan overigens sprake zijn is van een pseudodienstverlening in de zin van de Wet BOB en dient het daarop betrekking hebbende wetsartikel te worden toegepast.

Er zijn grenzen aan de mogelijkheid dat een informant op verzoek van politie en justitie handelingen verricht die een strafbaar feit op kunnen leveren. Zo is het niet mogelijk dat een informant in opdracht van politie en justitie handelingen verricht die resulteren in strafbare deelneming aan een criminele groep. Als de informant op verzoek van politie en justitie deelneemt aan een groep waarbinnen strafbare feiten worden beraamd of gepleegd komt hij namelijk te vallen binnen de omschrijving van de infiltrant en onstaat er strijd met het verbod op de criminele infiltrant (nu informanten immers meestal zelf betrokken zijn (geweest) bij het plegen van strafbare feiten).

Ook wordt een grens gesteld door de afschermingsmogelijkheden. De informant kan minder goed worden afgeschermd zodra hij een actief aandeel krijgt in de gang van zaken.

Afscherming in relatie tot het verlenen van hand- en spandiensten

Over het afschermen van een informant in relatie tot het door die informant verlenen van hand- en spandiensten zij het volgende opgemerkt.

In het strafdossier moet verantwoording worden afgelegd over de loop van het opsporingsonderzoek. Over de inzet van een informant, wordt in het strafdossier in het algemeen zo terughoudend mogelijk verslag gedaan, teneinde de informant zoveel mogelijk af te schermen. Wanneer zijn identiteit bekend zou worden, zou dat immers represailles uit het milieu tot gevolg kunnen hebben. Naarmate de informant een meer actieve rol heeft gespeeld is dat moeilijker. De rechter moet zich een oordeel kunnen vormen over het feitencomplex dat aan hem wordt voorgelegd en van de actoren die daarbij betrokken waren. Als de informant betrokken is bij het verrichten van hand- en spandiensten, komt hij eerder in beeld. De verdediging zal zich eerder afvragen wie de persoon is die mede een rol heeft gespeeld in het feitencomplex, dan dat zij zich zal afvragen wie de persoon is die niet actief is geweest. Bovendien zal de vraag kunnen rijzen waarom de informant niet eveneens als verdachte terechtstaat. Voor de verdediging is het van belang na te gaan wat de rol van actieve personen is geweest, omdat daaraan wellicht ontlastend materiaal voor de verdachte is te ontlenen.

– Pseudokoop en -dienstverlening (aanbeveling 20)

De vraag is gesteld of het nodig is de wet te wijzigen, indien besloten wordt om de toepassing van de bevoegdheid tot pseudokoop en -dienstverlening te laten toetsten door de CTC.

Hierop kan worden geantwoord dat wanneer het op één lijn stellen van pseudokoop en -dienstverlening en infiltratie uitsluitend zou bestaan uit het uniformeren van de toetsingsprocedure, dit geen wetswijziging zou vergen. Toetsing door de CTC is niet in de wet geregeld, maar in het instellingsbesluit CTC en de richtlijn Procedures in toetsingsen registratiezaken.

Het is echter in het algemeen ongewenst te bepalen dat elke pseudokoop en -dienstverlening moet worden voorgelegd aan de CTC. Dit leidt tot nog meer bureaucratie, terwijl pseudokoop en -dienstverlening in beginsel een methode is die betrekkelijk eenvoudig en met betrekkelijk weinig risico's kan worden toegepast. Het toepassen van dit toetsingsregime vormt een belemmering voor de praktische inzetbaarheid van de pseudokoop en -dienstverlening. Voor de infiltratie is dit veel minder een belemmering, omdat aan een infiltratie-actie altijd een langdurige en zorgvuldige voorbereiding voorafgaat. Het kenmerk van infiltratie is namelijk dat een opsporingsambtenaar moet binnendringen in een criminele groep en zich in die groep moet manifesteren. Bij een pseudokoop of -dienstverlening die geen onderdeel uitmaakt van een infiltratie, is dit niet het geval. De opsporingsambtenaar dringt niet de criminele groep binnen, maar gaat met een of enkele verdachten of betrokkenen een transactie aan. Omdat hij niet verblijft in de groep, vraagt de opbouw van zijn dekmantel, doorgaans minder voorbereiding. Er zijn veel minder risico's voor de veiligheid of de integriteit in het geding. Er is dan ook veel minder reden om toetsing door de CTC voor te schrijven.

Wanneer evenwel in het kader van een volledig buitenlands opsporingsonderzoek op Nederlands grondgebied handelingen moeten worden verricht die naar Nederlands recht te duiden zijn als pseudokoop of -dienstverlening wordt – wanneer het gaat om een burger met strafrechtelijke antecedenten – ter bewaking van de integriteit en beheersbaarheid van de opsporing, wel vooraf de toelaatbaarheid van de inzet van de betrokken burgerpseudokoper of -dienstverlener door de CTC getoetst.

– Doorlaten (Aanbeveling 21)

Aan de orde is geweest of de Wet BOB wordt aangepast zodat het verbod op doorlaten ook van toepassing wordt op titel Va.

De wet zal inderdaad op dit punt worden aangepast. Dit zal gebeuren bij nota van wijziging bij het wetsvoorstel tot Wijziging van enige bepalingen in het Wetboek van Strafvordering (systematisch aanpassingen) (Kamerstukken II, 26 706). Deze nota van wijziging is onlangs ingediend. Ook wanneer deze wetswijziging nog niet in werking is getreden op het moment dat de Wet BOB in werking treedt, zal het verbod op doorlaten analoog worden toegepast op titel Va.

4. Kernteams: de samenwerking en een vereenvoudiging en versnelling van de selectieprocedure voor kernteamzaken (aanbeveling 54 en 55)

Tijdens het AO kwam het onderwerp kernteams in relatie tot het punt samenwerking aan de orde. Ik ga hier graag nader op in. De stelling dat de kernteams niet zouden samenwerken onderschrijf ik in zijn algemeenheid niet. Recente gegevens bevestigen dat de kernteams samenwerken met andere kernteams, regionale politiekorpsen, bijzondere opsporingsdiensten en internationale opsporingsinstanties.

Gewezen wordt bij voorbeeld op een onderzoek van het kernteam Zuid-Nederland waarin recentelijk landelijk tot de aanhouding van verdachten is overgegaan. Hieraan hebben nagenoeg alle kernteams meegewerkt. Een ander voorbeeld is een recent met aanhoudingen afgesloten onderzoek van het landelijk rechercheteam, in het kader waarvan eveneens op aanzienlijke schaal landelijk is samengewerkt, ook door de kernteams. Dit zijn slechts een paar voorbeelden.

De reeds bestaande vormen van samenwerking laten onverlet, dat het uiteraard altijd beter kan. Het College van Procureurs-Generaal heeft een lijn geaccordeerd, waarin verdere ontwikkelingen op het gebied van de aanpakstrategieën worden aangekondigd. Uitgaande van het fundament dat de afgelopen jaren is gelegd, wordt gewerkt aan een verdere toespitsing van de kernteam-aanpak door een relatie te leggen tussen het aandachtsgebied en de wijze waarop het kernteam binnen dat aandachtsgebied aktief is. De nadruk zal meer komen te liggen op het formuleren van een probleemstelling, afhankelijk van de aangetroffen specifieke problematiek binnen het aandachtsgebied. Dit moet leiden tot een meer doordachte aanpakstrategie. Deze strategie zal heldere doelstellingen omvatten die worden uitgewerkt in een of meer projectplannen. Het uitgezette beleid bevat overigens tal van aanknopingspunten om de samenwerking nog verder te verbeteren. Dat de noodzaak daarvan ook breed wordt gedragen door de kernteams zelf en door de Officieren van Justitie die leiding geven aan de onderzoeken van de kernteams blijkt wel uit het feit, dat de genoemde nota zelf in belangrijke mate tot stand is gekomen door de bijdragen van de kernteamchefs en de Officieren van Justitie in onderlinge samenwerking. Gedoeld wordt hier op de samenwerking binnen de OM-werkgroep ZGC-IRT (het voormalige landelijk overleg van coördinerend Officieren van Justitie) en het landelijk overleg van kernteamchefs.

Overigens is in de Regeling kernteams regelmatig overleg van de hoofden van de kernteams en het hoofd van het landelijk rechercheteam opgenomen, teneinde een goede samenwerking en afstemming van de werkzaamheden te waarborgen (artikel 5, tweede lid, Regeling kernteams). De samenwerking vormt voorts een onderdeel van de OM-instructie prioriteitstelling kernteams. Ook de vorming van de informatieplatforms zal implusen geven aan die samenwerking.

Ten aanzien van de selectieprocedure voor kernteamzaken beveelt de Commissie aan deze te vereenvoudigen en te versnellen. Bovendien moet duidelijker worden gemaakt op grond van welke criteria een onderzoek als kernteamwaardig wordt aangemerkt.

Zowel de Regeling kernteams als de Instructie prioriteitstelling kernteams en de Instructie informatieplatforms zijn afgekondigd. De Regeling kernteams zal op 1 januari 2000 in werking treden, de Instructies werken reeds. De bijlage bij de Instructie prioriteitstelling kernteams voorziet mede in een spoedprocedure. Zonodig kan binnen enkele dagen tot besluitvorming worden gekomen.

In een aantal gevallen leggen onderzoeksvoorstellen een lange weg af. Een differentiatie van wat ter beslissing aan het College wordt voorgelegd – met name de ontwikkelde aanpakstrategie en de zwaarste operationele onderzoeken – moet tevens bijdragen aan een soepelere en snellere procedure van het stellen van prioriteiten. Naar de situatie van dit moment vormen de OM-instructies een adequate basis om het stellen van prioriteiten in goede banen te leiden. Gaandeweg zullen de instructies zonodig worden aangepast, de structuur daarvan onverlet latend.

5. Internationaal kader

Ook werden op 10 november een aantal vragen gesteld over internationale strafrechtelijke samenwerking. Ik heb toegezegd de beantwoording van deze vragen neer te leggen in een nota aan de Tweede Kamer. Het betreft de volgende vragen:

Welke regelgeving is van toepassing indien buitenlandse opsporingsambtenaren op Nederlands grondgebied opsporingshandelingen verrichten en omgekeerd, indien Nederlandse opsporingsambtenaren in het buitenland opsporingshandelingen verrichten?

Zijn buitenlandse opsporingsambtenaren die op Nederlands grondgebied opsporingshandelingen verrichten verplicht om een getuigenverklaring af te leggen?

Wat is de positie van de Nederlandse wetgeving op het gebied van bijzondere opsporingsbevoegdheden vergeleken met het buitenland?

Welke ontwikkelingen doen zich op dit moment voor in de Europese Unie op het gebied van de regulering van bijzondere opsporingsbevoegdheden?

Wat houdt de regeling omtrent de immuniteit van buitenlandse opsporingsambtenaren die in Nederland werkzaam zijn in?

Algemeen

Tijdens het Algemeen Overleg bleek onder andere onduidelijkheid te bestaan over het optreden van buitenlandse opsporingsambtenaren in Nederland en het functioneren van Nederlandse opsporingsambtenaren in het buitenland. Daarbij was de belangrijkste vraag welke regelgeving van toepassing is en welke autoriteiten toezicht houden. Tevens bleek de vraag te leven of door de nieuwe Nederlandse wetgeving de samenwerking met het buitenland bemoeilijkt zou kunnen worden. In de opsporing wordt de internationale strafrechtelijke samenwerking steeds belangrijker wordt door onder andere de toename van de grensoverschrijdende criminaliteit. In het algemeen kan gesteld worden dat internationale strafrechtelijke samenwerking, in welke vorm dan ook, niet alleen wordt gereguleerd door de internationale verdragen maar ook door Nederlandse wetgeving.

Welke regelgeving is nu van toepassing indien buitenlandse opsporingsambtenaren op Nederlands grondgebied opsporingshandelingen verrichten en omgekeerd, indien Nederlandse opsporingsambtenaren in het buitenland opsporingshandelingen verrichten?

Buitenlandse opsporingsambtenaren die opsporingshandelingen verrichten in Nederland:

Vooropgesteld zij dat buitenlandse opsporingsambtenaren slechts opsporingshandelingen kunnen verrichten op Nederlands grondgebied indien toepasselijke verdragen en Nederlandse wetgeving daartoe ruimte bieden. Tevens zal een Nederlandse justitiële autoriteit, meestal de officier van justitie, daarmee dienen in te stemmen en voorwaarden kunnen stellen waaronder dit optreden kan plaatsvinden.

Indien de inzet van een buitenlandse opsporingsambtenaar op Nederlands grondgebied plaatsvindt in het kader van een buitenlands strafrechtelijk onderzoek, dient deze inzet telkens verzocht te worden door de bevoegde autoriteiten van het betreffende land. Dit verzoek zal in Nederland worden beoordeeld door een daartoe bevoegde Nederlandse justitiële autoriteit. De buitenlandse opsporingsambtenaren zullen, omdat zij gebonden zijn aan Nederlandse regelgeving, in Nederland nooit meer bevoegdheden kunnen uitoefenen dan Nederlandse opsporingsambtenaren. Zo mogen buitenlandse opsporingsambtenaren op grond van de Schengen Uitvoeringsovereenkomst op Nederlands grondgebied een observatie of grensoverschrijdende achtervolging verrichten mits zij handelen conform Nederlandse regelgeving en daartoe toestemming is gegeven door een Nederlandse officier van justitie. In geval van spoed dient deze toestemming nog tijdens de observatie of grensoverschrijdende achtervolging verkregen te worden.

Indien de inzet van een buitenlandse opsporingsambtenaar op Nederlands grondgebied plaatsvindt in het kader van een Nederlands strafrechtelijk onderzoek, zal deze inzet door Nederland via een rechtshulpverzoek aan het buitenland verzocht dienen te worden. Het aangezochte land zal vervolgens bepalen of de inzet van haar opsporingsambtenaren op Nederlands grondgebied kan plaatsvinden. Ook in dit geval zijn de buitenlandse opsporingsambtenaren bij hun optreden op Nederlands grondgebied gebonden aan Nederlandse regelgeving. Overigens zullen buitenlandse opsporingsambtenaren bij hun optreden op Nederlands grondgebied tevens gebonden zijn aan de wetgeving van hun eigen land. Immers de door hen verkregen informatie op Nederlands grondgebied zal bruikbaar moeten zijn in een strafrechtelijke procedure in hun eigen land. Handelen in strijd met nationale regelgeving zal kunnen leiden tot onrechtmatig verkregen bewijs.

Nederlandse opsporingsambtenaren die opsporingshandelingen verrichten in het buitenland:

Als Nederlandse opsporingsambtenaren in het buitenland opsporingshandelingen zouden willen verrichten kan dit slechts indien de wetgeving in het betreffende land hiertoe ruimte biedt en de bevoegde autoriteiten in dat land hiermee instemmen.

Indien de inzet van Nederlandse opsporingsambtenaren in het buitenland dient plaats te vinden ten behoeve van een Nederlands strafrechtelijk onderzoek, zal deze inzet telkens door middel van een rechtshulpverzoek afkomstig van een bevoegde Nederlandse justitiële autoriteit verzocht dienen te worden.

Indien de inzet van Nederlandse opsporingsambtenaren in het buitenland dient plaats te vinden in het kader van een buitenlands strafrechtelijk onderzoek zal het betreffende land daartoe een rechtshulpverzoek dienen te richten aan een bevoegde Nederlandse justitiële autoriteit.

De inzet van een Nederlandse opsporingsambtenaar kan in beide gevallen alleen plaatsvinden met instemming van een daartoe in het buitenland bevoegde autoriteit. De opsporingshandelingen die Nederlandse opsporingsambtenaren in het buitenland verrichten dienen in overeenstemming te zijn met de nationale wetgeving van het betreffende land. Vanzelfsprekend zijn de betreffende Nederlandse opsporingsambtenaren ook gebonden aan Nederlandse wetgeving. Zij hebben immers in het buitenland niet meer bevoegdheden dan zij in Nederland zouden hebben gehad. Een Nederlandse opsporingsambtenaar zal daarom in het buitenland bijvoorbeeld geen criminele burgerinfiltrant mogen runnen omdat hij dat ingevolge Nederlandse wetgeving ook niet mag.

Gelet op het feit dat voor een buitenlandse opsporingsambtenaar mutatis mutandis hetzelfde geldt, is er van een onevenredige benadeling van Nederlandse opsporingsdiensten omdat zij in het buitenland ook gebonden zijn aan Nederlandse regelgeving, geen sprake. Indien een land verdergaande opsporingsbevoegdheden kent, kan een verzoek om toepassing van een dergelijke bevoegdheid in het kader van rechtshulp door Nederland niet worden ingewilligd en kan de inzet van Nederlandse opsporingsambtenaren in het buitenland bij de uitvoering van een dergelijke opsporingsbevoegdheid niet worden toegestaan. Nederland zal niet verzoeken om toepassing van een dergelijke methode in het buitenland daar dit immers in strijd is met de Nederlandse regelgeving.

Zijn buitenlandse opsporingsambtenaren die op Nederlands grondgebied opsporingshandelingen verrichten verplicht om een getuigenverklaring af te leggen?

De Wet bijzondere opsporingsbevoegdheden geeft de mogelijkheid een buitenlandse opsporingsambtenaar te belasten met de uitvoering van een bevel tot observatie, infiltratie, pseudo-koop of -dienstverlening of stelselmatige inwinning van informatie. Dit kan wanneer die buitenlandse opsporingsambtenaar voldoet aan de bij algemene maatregel van bestuur te stellen eisen. Deze eisen zijn neergelegd in het (ontwerp)Samenwerkingsbesluit bijzondere opsporingsbevoegdheden. In deze AMvB is onder andere geregeld dat een officier van justitie alleen een buitenlandse opsporingsambtenaar kan belasten met de uitvoering van een van de hierboven genoemde bevelen indien aan deze inzet als voorwaarde is verbonden dat de buitenlandse opsporingsambtenaar verplicht is te getuigen in Nederland ten aanzien van de door hem verrichte opsporingshandelingen, als de opsporingsambtenaar daartoe door de Nederlandse autoriteiten wordt opgeroepen.

Indien een buitenlandse opsporingsambtenaar in het kader van een buitenlands strafrechtelijk onderzoek in Nederland opsporingshandelingen verricht onder controle van een Nederlandse justitiële autoriteit, wordt ook de eis gesteld dat de opsporingsambtenaar verplicht is te getuigen in Nederland ten aanzien van de door hem verrichte opsporingshandelingen, als de opsporingsambtenaar daartoe door de Nederlandse autoriteit wordt opgeroepen. Dit laatste zal bijvoorbeeld kunnen gebeuren indien de in het kader van het buitenlandse strafrechtelijke onderzoek verrichtte handelingen informatie hebben opgeleverd voor de start van een Nederlands opsporingsonderzoek. Het is dan niet uitgesloten dat de Nederlandse rechter het nodig acht de desbetreffende buitenlandse opsporingsambtenaar als getuige op te roepen.

Wat is de positie van de Nederlandse wetgeving op het gebied van bijzondere opsporingsbevoegdheden vergeleken met het buitenland?

De Wet BOB en de in het kader van de behandeling van deze wet aangenomen motie inzake de criminele burgerinfiltrant bevat op enkele onderdelen wellicht soms striktere normen dan vergelijkbare wetgeving in sommige andere landen. Op onderdelen biedt de Wet BOB daarentegen ook meer mogelijkheden dan vergelijkbare wetgeving in andere landen. Zo is direct afluisteren en zelfs tappen in sommige landen van de Europese Unie veel strikter genormeerd. De kaders waarbinnen de opsporing en rechtshulp zich moeten bewegen zijn daarom op dit terrein mogelijk beperkter dan in die andere landen. Vooropgesteld dient echter te worden dat dit niet specifiek voor de internationale samenwerking op het terrein van de bijzondere opsporingsbevoegdheden geldt maar inherent is aan de samenwerking tussen autoriteiten uit landen met verschillende rechtssystemen. Uit de praktijk van de internationale rechtshulp zal moeten blijken of deze verschillen aan een effectieve bestrijding van de internationale criminaliteit in de weg staan. Tegen de achtergrond van het werk van de Parlementaire Enquêtecommissie Opsporingsmethoden is overigens in 1995 reeds een vergelijkend onderzoek gedaan naar de wetgeving in verschillende landen voor bijzondere opsporingsbevoegdheden (zie hiervoor Kamerstukken I 1998/1999, 25 403 en 23 251, nr. 199b).

Om te bezien welke positie de Nederlandse wetgeving na inwerkingtreding van de Wet BOB inneemt op het gebied van bijzondere opsporingsbevoegdheden vergeleken met andere landen heeft Nederland met subsidie van de Europese Unie een rechtsvergelijkend onderzoek geëntameerd naar enkele bijzondere opsporingsbevoegdheden in de Europese Unie. De onderzoeksopdracht houdt, kort gezegd, in dat duidelijkheid verkregen dient te worden in de verschillen in regelgeving op het gebied van de bijzondere opsporingsbevoegdheden tussen de lidstaten, de gevolgen ervan voor de operationele samenwerking tussen justitiële en politiële autoriteiten van de lidstaten en aanbevelingen worden gedaan voor de verbetering van die operationele samenwerking.

De bijzondere opsporingsbevoegdheden die onderwerp van de rechtsvergelijkende studie vormen zijn gebruik van informanten, infiltratie, storefronts, gecontroleerde aflevering, direct afluisteren, het gebruik technische observatiemiddelen en het gebruik van een kroongetuige.

De coördinatie en eindredactie zijn in handen van professor Tak. Ten behoeve van de beschrijving van de verschillende rechtsstelsels van de lidstaten zal een groot aantal internationale wetenschappers uigenodigd worden een bijdrage te leveren. Informatie uit de praktijk van de internationale, operationele samenwerking zal worden verkregen door gebruik te maken van bestaande netwerken, onder meer in het verband van de Multidisciplinaire Werkgroep en het Europees Justitieel Netwerk. Hiervoor zal ondersteuning geleverd worden vanuit het Landelijk Parket.

De verwachting is dat het onderzoek eind april 2000 zal worden afgerond. Zodra het onderzoeksrapport gereed is, zal de Tweede Kamer, zoals ik ook reeds heb toegezegd tijdens het Algemeen Overleg van 10 november 1999, daarover worden geïnformeerd. Dan zal ook bezien kunnen worden of de Nederlandse wetgeving op het gebied van de bijzondere opsporingsbevoegdheden afwijkt van de regelgeving in andere EU-landen. Overigens ben ik van mening dat door een goede voorlichting over onder andere de Wet BOB in zowel Nederland zelf als in andere landen waarmee Nederland vaak samenwerkt, kan worden voorkomen dat door een gebrek aan kennis over de mogelijkheden binnen de toepasselijke Nederlandse regelgeving, de indruk gaat ontstaan dat Nederland minder bijstand kan verlenen dan nodig is in buitenlandse strafrechtelijke onderzoeken.

Welke ontwikkelingen doen zich op dit moment voor in de Europese Unie op het gebied van de regulering van bijzondere opsporingsbevoegdheden?

Op dit moment wordt binnen de Europese Unie onderhandeld over de Overeenkomst betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie. Over deze onderhandelingen bent u en wordt u telkens geïnformeerd in het kader van de voorbereiding van de JBZ-raad. Voor het overige zien de ontwikkelingen binnen de Europese Unie op het gebied van strafrechtelijke samenwerking niet specifiek op regulering van bijzondere opsporingsbevoegdheden. Overigens vindt tussen de justitiële autoriteiten van de lidstaten van de Europese Unie in het kader van het Europees Justitieel Netwerk wel informatieuitwisseling plaats over de regelingen inzake opsporingsbevoegdheden in de verschillende landen.

Wat houdt de regeling omtrent de immuniteit van buitenlandse opsporingsambtenaren die in Nederland werkzaam zijn in?

De in Nederland gestationeerde en geaccrediteerde buitenlandse liaison-officers hebben allen een diplomatieke status en genieten derhalve diplomatieke onschendbaarheid. Dat wil zeggen dat de regeling zoals neergelegd in het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer van 18 april 1961 op hen van toepassing is. Gelet hierop en op de aard van de werkzaamheden die zijn functie met zich brengt, onthoudt de hier gestationeerde of geaccrediteerde verbindingsofficier zich van het zelfstandig verrichten van opsporingshandelingen. De diplomatieke status van buitenlandse liaison-officers houdt ook in dat zij niet verplicht kunnen worden te getuigen in een Nederlandse strafzaak en dat zij niet strafrechtelijk in Nederland vervolgd kunnen worden tenzij de diplomatieke onschendbaarheid van de liaison-officer wordt opgeheven. Dit kan slechts in bepaalde omstandigheden en is tot op heden nog nimmer nodig geweest. In voorkomende situaties dient de verbindingsofficier binnen de ruimte die zijn diplomatieke status biedt, wel zijn maximale medewerking te verlenen aan de Nederlandse autoriteiten bij gerechtelijke procedures. In de geldende richtlijn voor buitenlandse liaison-officers in Nederland is dit ook neergelegd.

Bij Europol zijn vanuit alle lidstaten een of meer verbindingsofficieren geplaatst. Voor deze verbindingsofficieren gelden, de kaders en richtlijnen zoals deze zijn vastgelegd in de Europol-Overeenkomst en de diverse uitvoeringsregelingen. De taken van de bij Europol geplaatste verbindingsofficieren zijn neergelegd in artikel 5 van de Europol-Overeenkomst. Zij ondersteunen – kort gezegd – de uitwisseling van informatie tussen hun nationale eenheid en Europol door informatie van hun nationale eenheid aan Europol en vice versa door te geven, te begeleiden en – voor zover nodig – toe te lichten. De verbindingsofficieren, die allen in het Europol-gebouw gehuisvest zijn, oefenen geen politiebevoegdheden in Nederland uit. Overeenkomstig artikel 41, lid 2, van de Europol-Overeenkomst zijn de voorrechten en immuniteiten van de verbindingsofficieren vastgelegd in veertien gelijkluidende bilaterale overeenkomsten tussen het Koninkrijk enerzijds en elk der lidstaten anderzijds. Krachtens deze overeenkomsten hebben de verbindingsofficieren dezelfde voorrechten en immuniteiten als die krachtens het eerder genoemde Verdrag van Wenen zijn verleend aan leden van de diplomatieke staf. De immuniteit van rechtsvervolging is krachten de bilaterale overeenkomsten een beperkte. De verbindingsofficieren hebben onder meer geen civiel- en strafrechtelijke immuniteit voor handelingen die niet zijn verricht in het kader van hun officiële werkzaamheden.

Conclusie:

Er bestaat voldoende duidelijkheid over de toepasselijke regelgeving indien buitenlandse opsporingsambtenaren op Nederlands grondgebied opsporingshandelingen verrichten of indien Nederlandse opsporingsambtenaren in het buitenland opsporingshandelingen verrichten. Van het optreden van een buitenlandse opsporingsambtenaar, of dit nu in het kader van een buitenlands opsporingsonderzoek of van een Nederlands opsporingsonderzoek plaatsvindt, zal steeds een Nederlandse justitiële autoriteit op de hoogte zijn. De mogelijkheden onder Nederlandse wetgeving ten opzichte van regelgeving in andere landen wordt momenteel onderzocht door professor Tak. Dit onderzoek zal eind april 2000 worden afgerond. Ik zal u dan ook van de uitkomsten van dit onderzoek op de hoogte brengen. Overigens ben ik van mening dat door een goede voorlichting in zowel Nederland zelf als in andere landen waarmee Nederland vaak samenwerkt, kan worden voorkomen dat door een gebrek aan kennis over de mogelijkheden binnen de toepasselijke Nederlandse regelgeving, de indruk ontstaat dat Nederland minder bijstand kan verlenen dan nodig is in buitenlandse strafrechtelijke onderzoeken.

6. Enkele andere punten die de aandacht vragen

Naast de hiervoor genoemde onderwerpen zijn er nog enkele andere punten die in het kader van de aanbevelingen van de Commissie Kalsbeek de aandacht vragen. De reden om deze onderwerpen hier te vermelden hangt samen met het feit dat er ofwel ten opzichte van het kabinetsstandpunt wijzigingen hebben plaatsgevonden ofwel omdat ik het zinvol acht om u een nadere uitleg ten aanzien van de huidige stand van zaken te geven.

Deze onderwerpen treft u hieronder op volgorde van de aanbevelingen van de Commissie Kalsbeek aan.

– Inhoudelijk en organisatorisch uitwerken expertisecentrum en het systeem voor jurisprudentie Wet BOB (aanbevelingen 1 en 5)

Er is een werkgroep in het leven geroepen die een advies uitbrengt over de taken die een expertisecentrum moet gaan vervullen. In de werkgroep zitten vertegenwoordigers van OM en politie. Dat advies komt voor het einde van dit jaar beschikbaar.

De werkgroep zal eerst vaststellen welke taken het expertisecentrum zalkrijgen; hierbij zal ook een relatie worden gelegd met aanbeveling 5. Pas daarna komt de organisatorische ophanging van het centrum aan de orde. In ieder geval moet worden voorkomen dat er een nieuwe voorziening in het leven wordt geroepen die naast de al bestaande structuren komt te werken. Immers, de Commissie heeft ook aanbevolen na te gaan welke overlegplatforms en commissies er bestaan op het gebied van opsporingsmethoden bestaan en of die lijst gesaneerd kan worden.

Over de organisatorische ophanging kan ik reeds het volgende opmerken. Bij de ontwikkeling van het expertisecentrum moet niet automatisch worden uitgaan van een nieuwe dienst of organisatieonderdeel. De werkgroep spreekt zich voorzichtig uit voor het instellen van een meer «virtuele» eenheid, bestaande uit deskundigen van politie, waaronder ook het LSOP, en van het Openbaar Ministerie, vooral vanuit het Landelijk Parket. Met virtueel wordt niet bedoeld dat niet wordt geïnvesteerd in de oprichting van het centrum, maar dat vooral aandacht zal worden besteed aan het netwerk via moderne communicatiemiddelen zodat men op afstand contact kan onderhouden. Uiteraard vergt een dergelijke werkwijze duidelijke afspraken. Zoals toegezegd zal ik u voor het einde van het jaar hierover berichten.

Wat betreft de aanbeveling inzake relevante jurisprudentie merk ik op dat de relevante jurisprudentie in de eerste plaats in de nu op te stellen Handleiding Opsporingsbevoegdheden zal worden opgenomen. Daarmee zal een actueel inzicht in bestaande jurisprudentie zijn gerealiseerd. Daarnaast werkt het Landelijk Parket, in opdracht van het College van procureurs-generaal, aan het invullen van een helpdeskfunctie op het terrein van de Wet BOB. Voor de politiepraktijk is het immers noodzakelijk dat er een goede ontsluiting komt van de bestaande jurisprudentie en dat de nieuwe relevante jurisprudentie snel wordt uitgedragen. Hiermee is tevens een nauwe relatie met de hiervoor genoemde werkgroep gelegd, waarin het hoofd van het Landelijk Parket zitting heeft.

– Wijziging van de wettelijke regeling over relatieve competentie (aanbeveling 6)

Uit overleg met het openbaar ministerie is inmiddels gebleken dat het hier niet gaat om een structureel landelijk probleem maar om problemen die zich voordoen in de regio's Oost en Zuid Nederland. Deze zijn overwegend organisatorisch en praktisch van aard. Bij het aanbrengen van zaken is gebleken dat niet alle rechtbanken in dezelfde mate berekend zijn op de behandeling van zaken van kernteams en dat er grote cultuurverschillen en verschillen in werkwijze tussen de rechtbanken bestaan.

Er wordt gewerkt aan oplossingen voor dit praktische probleem door het verbeteren van de samenwerking en afstemming tussen de rechtbanken en door het afsluiten van convenanten tussen de zittende magistratuur en het openbaar ministerie. De ontwikkelingen in het kader van het project versterking rechterlijke organisatie en de reeds eerder ingezette versterking van het rechter-commissariaat zullen eveneens hieraan kunnen bijdragen.

Deze aanpak heeft bovendien als voordeel dat een oplossing op korte termijn realiseerbaar lijkt, terwijl met wijziging van de wet noodzakelijkerwijs geruime tijd zal zijn gemoeid.

Niettemin ben ik bereid om, indien mocht blijken dat een adequate oplossing onvoldoende gerealiseerd kan worden, een aanpassing van de wetgeving in procedure te brengen. Ik zal u daarover in het voorjaar van 2000 berichten.

– Waarborgen voor voldoende technische capaciteit voor het middel direct afluisteren (aanbeveling 10)

Vanaf 1 februari 2000 zal het, op basis van de Wet BOB, mogelijk zijn het middel direct afluisteren toe te gaan passen. Om te waarborgen dat hiervoor voldoende technische capaciteit beschikbaar is heeft mijn departement de nodige afspraken met het KLPD gemaakt om daadwerkelijk per 1 februari te kunnen gaan starten. Zo zijn er voorzieningen getroffen voor de centrale opslag van apparatuur en zullen er per 1 februari voldoende gekwalificeerde medewerkers gereed zijn om aan de eerste vragen uit het veld te kunnen voldoen.

Verder is met het KLPD overeenstemming bereikt over een financiële regeling die de opbouw van een basiscapaciteit voor het direct afluisteren bij DTOO moet waarborgen.

De praktijk zal uiteraard moeten uitwijzen hoe vaak dit middel zal worden toegepast en of de nu in ontwikkeling zijnde basiscapaciteit op langere termijn toereikend zal zijn.

Daarnaast merk ik op dat ook – en met name – aandacht zal zijn voor de professionaliteit van degene die deze middelen moeten toepassen. Hier zal in het implementatietraject BOB nadrukkelijk aandacht aan worden gegeven.

– Technische voorzieningen voor het tappen op internet (aanbeveling 11)

Over de benodigde voorzieningen voor problemen, waar de politie soms op stuit bij de voortdurende technische ontwikkelingen, kan ik u het volgende meedelen.

Volgens de Telecommunicatiewet zijn aanbieders van telecommunicatienetwerken en -diensten verplicht om hun netwerken en diensten aftapbaar te doen zijn. De investeringen hiervoor moeten door de aanbieders zelf worden betaald. Tijdens de behandeling van de Telecommunicatiewet in de Tweede Kamer is besloten dat de Internet Service Providers (ISP's) nog enig uitstel behoeven om aan deze aftapbepalingen te kunnen voldoen (motie Kamp). Door Verkeer en Waterstaat is uitstel verleend aan ISP's die daar om vragen tot augustus 2001. Met de ISP's worden op dit moment afspraken gemaakt om binnen de gestelde termijn een structurele voorziening voor de Internet-tap te realiseren. Volgens de verwachting zijn deze afspraken haalbaar.

Met KPN is in overleg met V&W een intensief programma opgezet om alle oude systemen, die nog niet aftapbaar zijn, en de nieuwe netwerken en diensten aftapbaar te maken. De grootste knelpunten worden daarbij het eerst aangepakt zoals bijvoorbeeld ISDN.

Een punt van zorg is de stand van zaken bij de politiële tapkamers. Deze tapkamers zijn de afgelopen jaren onvoldoende meegegroeid met de technologische ontwikkelingen op het terrein van de Telecommunicatie. In overleg met BZK (IBIOOV) en het politieveld wordt een programma gestart om de tapfaciliteiten van de politie op een adequaat niveau te brengen. Dit zal van de zijde van de politie een grote inspanning vergen in organisatorisch- en technisch opzicht. Door BZK is dit onderwerp reeds aangemeld op de agenda van de ICT-regieraad. De coördinatie loopt via het platform Interceptie Decryptie en Signaalanalyse (PIDS).

– Nadere studie naar de vraag hoe geheimhouders moeten omgaan met criminele informatie (aanbeveling 18)

Over het advies van de commissie, een nadere studie naar de vraag hoe geheimhouders – zoals medisch personeel en notarissen – moeten omgaan met criminele informatie bericht ik u als volgt. Een aantal beroepsgroepen heeft zoals bekend op grond van wettelijke regelingen geheimhoudingsverplichtingen die verder strekken dan de algemene verplichtingen uit hoofde van de privacywetgeving tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer.

De aard van die geheimhoudingsverplichtingen is nauw verbonden met het betreffende beroep. Inbreuken op die geheimhoudingsverplichtingen dienen zorgvuldig afgewogen te worden, waarbij het algemeen belang wordt afgewogen tegen de specifieke belangen die door de geheimhouding worden beschermd.

Zowel nationaal als binnen Europees verband wordt de noodzaak gevoeld om, met het oog op adequate criminaliteitsbestrijding, ook over gegevens te kunnen beschikken die thans alleen zijn voorbehouden aan bepaalde beroepsgroepen die een geheimhoudingsplicht kennen. Het meest concreet daarin is het voorstel van de Europese Commissie aan het Europees Parlement en de Raad van Ministers tot aanpassing van de richtlijn Witwassen uit 1991. Deze voorstellen strekken er onder meer toe een aantal juridische beroepsgroepen met een geheimhoudingsplicht (met name notarissen en advocaten) te verplichten tot melding van (verdachte) financiële transacties. Alhoewel het hier om een zeer genuanceerde discussie gaat, ondersteun ik de geest van het voorstel. Ik sluit dan ook niet uit dat voor de Nederlandse situatie bepaalde beroepsgroepen voor bepaalde vormen van financiële en/of zakelijke dienstverlening een wettelijke meldplicht voor ongebruikelijke financiële transacties krijgen opgelegd, conform de huidige meldplicht voor de financiële instellingen. Aangezien het hier om een gevoelige kwestie gaat en de geheimhoudingsverplichtingen per beroepsgroep verschillen, is hierover inmiddels een aantal gesprekken gevoerd met het Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie, die zeer goed zijn verlopen.

Ook voor artsen geldt als uitgangspunt de zwijgplicht. Er zijn echter situaties waarin daarvan afgeweken kan worden. De KNMG heeft de zwijgplicht van de arts en mogelijkheden daarvan af te wijken vastgelegd in een zeer op de praktijk gerichte brochure t.b.v. haar leden. In de brochure worden criteria voor het afwijken van de zwijgplicht genoemd. Uiteindelijk wordt in voorkomende gevallen de beslissing uiteraard aan de individuele arts gelaten.

Gelet op lopend en nog te starten overleg met verschillende beroepsgroepen, waarin met elkaar de baten en de lasten van een meldplicht in kaart worden gebracht bestaat bij mij op dit moment nog geen behoefte aan een nadere studie over de (grenzen van) geheimhoudingsverplichtingen. De gesprekken met de betrokken beroepsgroepen kunnen evenwel tot een ander inzicht leiden. Indien de uitkomsten van de gesprekken met verschillende beroepsgroepen daar aanleiding toe geven zal ik u daarover nader informeren.

– Meer systematisch bezien van de voor- en nadelen die verbonden zijn aan de verschillende wijzen waarop de recherche binnen de regio's is georganiseerd en de resultaten daarvan voorzien van een aanbeveling terug koppelen naar de korpsen (aanbeveling 27)

In dit voorjaar (1999) is een vervolg op het onderzoek van het WODC («Organisatie van de recherchefunctie, een inventarisatie in de 25 regiokorpsen») van start gegaan. Het betreft een diepte-onderzoek in een vijftal regio's (groot, klein, randstedelijk en niet-randstedelijk) dat zich zowel richt op de organisatie van de recherche als op de wijze waarop politiefunctionarissen concrete opsporingsonderzoeken uitvoeren. Doel hiervan is om te komen tot een systematisch beeld van knelpunten en (onbenutte) mogelijkheden in de rechercheorganisatie en het rechercheproces. De dataverzameling zal tegen het einde van het voorjaar van 2000 zijn afgerond; op basis daarvan kan een analyse worden gemaakt. De verwachting van de onderzoekers is dat er op basis van dit onderzoek een beeld kan worden gegeven van de voor- en nadelen van de verschillende wijzen van organiseren van het rechercheproces binnen de korpsen.

Daarnaast is het de bedoeling dat het onderzoek zicht geeft op de kwaliteitseisen waaraan in de toekomst het verloop van de rechercheprocessen kan worden getoetst. De kwaliteitseisen vormen voor politie en justitie (en in het verlengde daarvan voor de departementen) een leidraad voor sturing en controle. Vanzelfsprekend zullen de resultaten van dit onderzoek, eventueel voorzien van een aanbeveling, aan de korpsen worden terugkoppeld.

– Een meer uniforme procedure voor de selectie van onderzoek binnen de regio's (aanbeveling 33)

Op dit punt worden op decentraal niveau initiatieven ontplooid die ik van harte ondersteun. Naar aanleiding van het Bedrijfskundig onderzoek recherche is een aantal jaren geleden in het kader van een efficiëntere bedrijfsvoering bij de recherche de methode van case-sceening ontwikkeld. Deze methode is opgepakt in de projecten ACACIA en «Recherche op koers». In die projecten is veel aandacht besteed aan het punt van de uniformering zowel ten aanzien van de criteria – wanneer is een zaak «veelbelovend» – als ten aanzien van het besluitvormingstraject. Inmiddels is dit onderwerp onder de noemer van ABRIO gekomen en in dat traject ingebed.

Vanuit ABRIO wordt nu langs twee wegen aan dit onderwerp gewerkt.

In de eerste plaats wordt de laatste hand gelegd aan een model «case-screening» en aan een landelijk modeldossier.

Daarnaast is de kennis van de criminele kaart, op basis waarvan afgewogen keuzen kunnen worden gemaakt ten aanzien van wat het beste kan worden aangepakt, van groot belang. In ABRIO wordt nu gewerkt aan een prototype van een landelijke criminele kaart. Binnen veel regio's is weliswaar reeds gestart met een het opstellen van criminaliteitskaarten, maar deze verschillen nog sterk. Een landelijke criminaliteitskaart is een katalysator voor meer uniformiteit. Daarnaast is een landelijke kaart nodig als referentiepunt voor de politieregio of een onderdeel daarvan als voorbeeld voor de regio's die nog niet met zo'n kaart werken. Het prototype zal in het voorjaar van 2000 gereed zijn. Deze eerste versie is een stap in de ontwikkeling, niet alleen naar een «betere» versie, maar vooral naar een situatie waarin korpsen leren gebruik te maken van dit instrument.

– de combinatie van CID-officier en zaaksofficier (aanbeveling 53)

In de kleine parketten kan het voorkomen dat het uitoefenen van de functie van CID-officier van justitie geen full-time inzet vergt. Een doelmatige aanwending van middelen vergt dan dat deze officier van justitie naast zijn CID-werkzaamheden ook andere werkzaamheden verricht. Alleen in uitzonderingsgevallen zal de CID-officier van justitie ook optreden als zaaksofficier voor zware criminaliteit. In zo'n geval zal altijd vooraf intercollegiale toetsing – in beginsel door de recherche-officier van justitie – plaatsvinden.

– Horen van getuigen (aanbeveling 59)

De TCEO heeft aanbevolen nader te onderzoeken of er mogelijkheden zijn een eenmaal door een rechter-commissaris gehoorde «rechtmatigheidsgetuige» niet nogmaals door een rechter te doen horen. In het kabinetsstandpunt is met deze aanbeveling ingestemd.

Graag vermeldt ik hier de resultaten van het nader onderzoek.

1. Wettelijk systeem en ontwikkeling in de praktijk

In het huidige wettelijk systeem ligt besloten dat getuigen herhaalde malen kunnen worden gehoord. In de regel zal het eerste verhoor plaats vinden door de politie, in het geval van een gerechtelijk vooronderzoek door de rechter-commissaris en tijdens het onderzoek ter terechtzitting door de rechter in eerste en tweede aanleg. De aanvankelijke bedoeling van de wetgever dat getuigen altijd op de openbare terechtzitting moeten worden gehoord is door de ontwikkeling van de-auditurechtspraak reeds vrij snel na de inwerkingtreding van het wetboek achterhaald. Door die ontwikkeling is de gewoonte ontstaan dat in een groot aantal gevallen wordt volstaan met het gebruik van de verklaring die een getuige bij de politie heeft afgelegd, waarbij het proces-verbaal waarin die verklaring is opgenomen als bewijsmiddel wordt gebruikt.

In een relatief beperkt aantal gevallen wordt een gerechtelijk vooronderzoek gevorderd. Het is juist dat de rechter-commissaris tijdens het gerechtelijk vooronderzoek vaak een groot aantal personen hoort, waaronder ook de door de commissie bedoelde «rechtmatigheidsgetuigen». Daarbij dient te worden bedacht dat het doel van het gerechtelijk vooronderzoek van oudsher een ander is dan het onderzoek op de terechtzitting. In het gerechtelijk vooronderzoek moet voldoende materiaal worden verzameld om de officier van justitie een gefundeerde beslissing te kunnen laten nemen over het al dan niet voortzetten van de vervolging: de beslissing om de zaak aan de rechter voor te leggen. Tijdens het onderzoek op de terechtzitting gaat het om de beantwoording van de vragen van artikelen 348 en 350 WvSv, voor zover hier meest relevant: de ontvankelijkheid van het OM en de vraag of het telastegelegde feit kan worden bewezen.

2. Horen ter terechtzitting

Voor de vraag of een getuige op de terechtzitting moet worden gehoord is in het algemeen van belang of zijn verhoor kan bijdragen aan de waarheidsvinding. In de wet zijn in navolging van gegroeide jurisprudentie op dit uitgangspunt beperkingen opgenomen die tot gevolg hebben dat een getuige niet in alle gevallen behoeft te worden opgeroepen. Daarvan is sprake indien het belang van de verdediging niet wordt geschaad, als hij niet binnen een aanvaardbare termijn op de terechtzitting kan verschijnen of als aan zijn gezondheidstoestand ernstige schade wordt toegebracht. (artt 288 jo. 264). De Hoge Raad heeft in aanvulling daarop nog een aantal criteria geformuleerd in verband met de bruikbaarheid van getuigenverklaringen voor het bewijs en de noodzaak om een getuige op de terechtzitting te horen: NJ 1994, nr 247. Het gaat dan vooral om het gebruik als bewijsmiddel van belastende getuigenverklaringen die zijn neergelegd in een proces-verbaal van een opsporingsambtenaar.

Het is aan de rechter op de terechtzitting om een oordeel te geven over de vraag of het horen van een getuige noodzakelijk is voor de waarheidsvinding of niet. Op de in de wet aangegeven gronden kan hij van oproeping afzien. Het behoort tot de taak van de verdediging om aannemelijk te maken dat het in het belang van de waarheidsvinding is dat betrokkene wordt gehoord. De verdediging maakt gebruik van het ondervragingsrecht, dat mede op grond van het EVRM is toegekend. Dat recht is echter niet absoluut en door de wetgever zijn daarop (zoals hiervoor weergegeven) beperkingen aangebracht.

3. «Rechtmatigheidsgetuigen»

Denkbaar is dat «rechtmatigheidsgetuigen» die verklaringen hebben afgelegd die niet behoeven bij te dragen aan het bewijs van het telastegelegde feit niet meer op de terechtzitting behoeven te worden gehoord, bijvoorbeeld in het geval van een opsporingsambtenaar die een opsporingsbevoegdheid heeft toegepast en daarbij informatie heeft verkregen over het milieu waarin verdachte pleegt te verkeren. Een aanvullende wettelijke regeling is daarvoor – zoals terecht wordt opgemerkt in het advies van 1 november 1999 dat door de Nederlandse Orde van Advocaten aan de Vaste Commissie voor Justitie uit uw Kamer is toegezonden- niet nodig, omdat de rechter de voor de beslissing benodigde afweging telkens per geval kan maken. Zodra evenwel van de zijde van de verdediging aannemelijk is gemaakt dat het afzien van het horen van de getuige schade toebrengt aan het belang van de verdediging, zal oproeping moeten volgen. Denkbaar is ook dat de rechter, indien hij hiertoe redenen aanwezig acht, overgaat tot het uitsluitend door de rechter-commissaris doen horen van getuigen, bijvoorbeeld in verband met een zwaarwegend opsporingsbelang. Artikel 187d WSv, zoals opgenomen in de Wet BOB, ziet onder andere op die mogelijkheid.

In zijn algemeenheid kan niet gelden dat uit een nieuwe interpretatie van het onmiddellijkheidsbeginsel voortvloeit dat thans per definitie alle getuigen op de terechtzitting moeten worden gehoord. Veeleer is het zo dat rechters worden geconfronteerd met verzoeken om getuigen te horen, waarvan de verdediging aannemelijk heeft weten te maken dat zij relevant zijn voor de waarheidsvinding. Dergelijke verzoeken kunnen in een eerlijk proces niet worden afgewezen. Het enkel doen van een beroep op het uitoefenen van het ondervragingsrecht is evenwel geen garantie voor de verdediging dat het verzoek tot oproeping van een getuige per definitie wordt gehonoreerd. Aan het criterium dat de belangen van de verdediging redelijkerwijs niet kunnen worden geschaad, is voldaan, als een volledige ondervraging in het bijzijn van de verdediging reeds in het kader van het gerechtelijk vooronderzoek heeft plaatsgevonden, terwijl niet aannemelijk is waarom nieuwe vragen zouden moeten worden gesteld.

4. Uiteindelijk oordeel aan de zittingsrechter

Het verhoor bij de rechter-commissaris kan op voorhand niet als volledige vervanging van het verhoor op de terechtzitting dienen. Zeker in de gevallen waarin een verklaring als bewijsmiddel kan worden gebruikt, is het begrijpelijk dat de zittingsrechter zich zelf een indruk wil vormen van de persoon van de getuige. Uiteindelijk is het aan de zittingsrechter om te beslissen wie hij als getuige op de terechtzitting wil horen.

Ik zie geen aanleiding om in deze situatie door middel van het bevorderen van een wetswijziging verandering te brengen.

– Een wettelijke basis voor de coördinerend rechtercommissaris (aanbeveling 60)

Aan het openbaar ministerie en de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak is advies verzocht over een nadere omlijning van de wettelijke taken en bevoegdheden die aan de coördinerend rechter-commissaris zouden moeten worden toegekend. Zodra ik deze adviezen heb ontvangen, zal ik mijn standpunt bepalen en dat aan uw Kamer meedelen.

Ik hoop u met het vorenstaande een helder beeld te hebben geschetst van de huidige stand van zaken met betrekking tot de implementatie van de Wet BOB in het algemeen en de stand van zaken met betrekking tot de aanbevelingen in het bijzonder.

De Minister van Justitie,

A. H. Korthals

Kort overzicht kabinetstandpunt en stand van zaken per aanbeveling van de Tijdelijke commissie evaluatie opsporingsmethoden (TCEO)

nrKorte inhoud aanbeveling(rapport TCEO)Kabinetsstandpunt(bijlage 1 bij brief d.d. 31-08-1999)Zie ook vraag en antwoord nummer: (bijlage 2 bij brief d.d. 31-08-99)Stand van zaken(zie o.a. brief d.d. 30-11-99)
1Oprichting expertisecentrum(§ 2.2.)Met deze aanbeveling wordt ingestemd. Het kabinet zal zich beraden over de nadere organisatorische vormgeving van het expertisecentrum en de plaats waar deze het beste kan worden ondergebracht.95werkgroep met vertegenwoordigers van OM, politie en beide departementen zal advies uitbrengen t.a.v. taken expertisecentrum. Aansluiten bij initiatieven als kennisnet (LSOP) en Helpdesks (Landelijk Parket)Zie brief par. 6.
2Meer aandacht voor implementatie Wet Bob; kennis uitvoeringsregelingen: voorlichting(§ 2.2.)Met deze aanbeveling wordt ingestemd. Het project implementatie wetgeving Bob, GVO en politieregisters voorziet in een uitgebreid opleidings- en voorlichtingsprogramma ten behoeve van politie, OM en ZM. 1, 4, 38, 39, 77naast introductie van de nieuwe regelgeving ook: – extra opleiding en vorming politie en justitiepersoneel – opstellen van uitvoeringsregelingen – ontwikkeling van nieuwe modelvorderingen en bevelen. – aanpassingen in de bedrijfsorganisatie en de automatisering – opstellen handleiding voor toepassing van bijzondere opsporingsbevoegdheden Zie voor actuele stand van zaken op deze onderdelen par. 2 van de brief
3Bezien of met name de bevelen tot verlenging van een opsporingsbevoegdheid kunnen worden verminderd(§ 2.4.)Bij de voorziene evaluatie van de Wet Bob zal worden bezien hoe zwaar de administratieve last drukt op de opsporingspraktijk en of deze wijziging behoeft. Intussen wordt aandacht besteed aan de administratieve organisatie en de automatisering om de werklast zoveel mogelijk te beperken.50Gaat om drie basisbevelen (voor toepassing van een bevoegdheid, velenging en wijziging /aanvulling/ beëindiging.Modelbevelen worden in geautomatiseerde systemen opgenomen, zodat vervaardiging weinig tijd kost
4Hoge prioriteit bij aanpassen COMPAS(§ 2.2.)Met deze aanbeveling wordt ingestemd. Aanpassing van COMPAS vindt plaats in het kader van het project implementatie wetgeving Bob, GVO en politieregisters.9op 1 februari 2000 zal ondersteunende geautomatiseerde systeem landelijk beschikbaar zijn.
5Opzetten toegankelijk systeem voor relevante jurisprudentie omtrent opsporingsbevoegdheden.(§ 2.2.)Met deze aanbeveling wordt ingestemd. Bezien zal worden of een dergelijk systeem kan worden ondergebracht bij het expertisecentrum als bedoeld in aanbeveling 1. 83, 101, 103in Handleiding opsporingsmethoden zal worden verwezen naar relevante jurisprudentie. Via Helpdesks en expertisecentrum zal jurisprudentie toegankelijk worden. Zie brief par. 6.
6Voorbereiding wetwijziging inzake de relatieve competentie(§ 2.4.)Het kabinet maakt ten aanzien van deze aanbeveling een voorbehoud. Aan de voorgestelde wijziging kleven veel haken en ogen. Er wordt door het openbaar ministerie een advies ten behoeve van de minister voorbereid terzake van deze materie. Mede aan de hand van dat advies en een inventarisatie van de ervaren knelpunten in de praktijk wordt bezien of wetswijziging de aangewezen oplossing is voor de knelpunten.zie brief par. 6
7Nadere uitwerking notificatieplicht teneinde te voorkomen dat tactische informatie openbaar moet worden gemaakt.(§ 2.4.)Met deze aanbeveling wordt ingestemd. Uitwerking van de notificatieplicht zal plaatsvinden in het kader van het project implementatie wetgeving Bob, GVO en politieregisters. Voorts punt van aandacht bij evaluatie Wet bob. 21Plicht tot notificatie (dus het kennis geven aan betrokkene dat een bijzonder opsporingsmiddel tegen hem is ingezet ) bestaat slechts indien betrokkene geïndividualiseerd kan worden en wanneer het belang van het opsporingsonderzoek (of andere lopende onderzoeken) de notificatie toelaat. In de Handleiding opsporingsbevoegdheden wordt dit uitgewerkt (werkgroep Afscherming).
8Het begrip «stelselmatig» dient ten behoeve van de opsporing eenduidig uitgewerkt te worden.(§ 2.3.)Met deze aanbeveling wordt ingestemd. Nadere uitwerking van het begrip «stelselmatig» in een richtlijn zal plaatsvinden in het kader van het project implementatie wetgeving Bob, GVO en politieregisters.105Begrip «stelselmatig» wordt in de Handleiding Opsporingsbevoegdheden uitgewerkt (werkgroep Verfijning begrippenkader)
9Nader bezien moet worden in hoeverre van de camerawaarnemingen proces-verbaal kan worden opgemaakt zonder dat de tactische informatie (plaats en techniek) hierdoor worden prijsgegeven(§ 2.4.)Met deze aanbeveling wordt ingestemd. De aanbeveling zal worden uitgevoerd in het kader van het project implementatie wetgeving Bob, GVO en politieregisters.9wordt in de Handleiding Opsporingsbevoegdheden uitgewerkt (werkgroep Afscherming). Jurisprudentie HR blijft valide na inwerkingtreding wet BOb: details omtrent technieken en strategieën hoeven in strafzaak in beginsel niet te worden opgelegd.
10Er moet worden gewaarborgd dat er voldoende technische capaciteit beschikbaar is voor het nieuwe middel direct afluisteren.(§ 2.5.)Met deze aanbeveling wordt ingestemd. Uitvoering vindt plaats in het kader van het project implementatie wetgeving Bob, GVO en politieregisters (wel afhankelijk van beschikbaarheid fin. middelen)8zie brief par. 6
11Technische voorzieningen beschikbaar maken voor aftappen(§ 2.5.)Met deze aanbeveling wordt ingestemd. Overleg tussen overheid en bedrijfsleven ter zake vindt plaats. Ten aanzien van de inrichting van tapfaciliteiten worden door de politie voorstellen tot verbetering ontwikkeld.8zie brief par. 6
12Nadere afbakening informant/infiltrant. Uitwerking toelaatbaar handelen informant (hand- en spandiensten van geringe importantie in relatie tot het delict waarover de informant informatie geeft)(§ 2.3.)Voor zover het betreft de verduidelijking en afbakening van de begrippen informant en infiltrant, wordt met deze aanbeveling niet ingestemd. Voor zover het betrteft de mogelijkheid dat een informant onder regie van de politie en justitie hand- en spandiensten verricht wordt wel met de aanbeveling ingestemd. Dit zal plaatsvinden in het kader van het project implementatie wetgeving Bob, GVO en politieregisters. Ook zal in dit kader aandacht worden geschonken aan de grenzen waarbinnen het verrichten van hand- en spandiensten door een informant mogelijk is.10–15, 19, 106zie brief par. 3
13Vaststellen definitie «criminele burgerinfiltrant» zoals in de concept-richtlijn informanten/infiltranten en daadwerkelijk bekend maken.(§ 2.3.)Met deze aanbeveling wordt ingestemd. De definitie zal worden vastgesteld en neergelegd in een richtlijn, die wordt opgesteld/geactualiseerd in het kader van het project implementatie wetgeving Bob, GVO, Politieregisters. 13–18, 27, 66, 106, 107wordt in de Handleiding Opsporingsbevoegdheden uitgewerkt (werkgroep Verfijning begrippenkader).
14Onderzoek over enige tijd of en in hoeverre de informatiepositie van de politie in negatieve zin is beïnvloed door het aantal informanten, waarover de politie de beschikking heeft.(§ 3.3.)Met deze aanbeveling wordt ingestemd. Uitvoering zal plaatsvinden bij de voorziene evaluatie van de Wet Bob.110 
15Opstellen regels voor de wijze van «runnen» van informanten en in het bijzondere het waarborgen van de anonimiteit en afscherming informanten.(§ 2.4.)Met deze aanbeveling wordt ingestemd. Een richtlijn terzake zal worden opgesteld in het kader van het project implementatie wetgeving Bob, GVO en politieregisters.10–15, 19, 106inzet van stelselmatige en niet-stelselmatige informanten wordt in de Handleiding Opsporingsbevoegdheden uitgewerkt (werkgroep Afscherming).
16Onderzoek of op andere wijze dan door inschrijving als informant aan de onder bijzondere omstandigheden gerechtvaardigde wens tot afscherming van de identiteit van opsporingsambtenaren tegemoet kan worden gekomen.(§ 2.4.)Met deze aanbeveling wordt ingestemd. De uitvoering ervan zal plaatsvinden in het kader van het project implementatie wetgeving Bob, GVO en politieregisters. 19onder voorwaarden kan een opsporingsambtenaar als beschermde getuige worden aangemerkt. Wordt in de Handleiding Opsporingsbevoegdheden naderuitgewerkt (werkgroep Afscherming).
17Vergroten inzicht voor de praktijk in de eisen waaraan een overeenkomst met een informant moet voldoen, en in de consequenties die ook voor de overheid kunnen voortvloeien uit het sluiten van een overeenkomst met een informant. Opstellen standaard-overeenkomst.(§ 2.4.)Met deze aanbeveling wordt ingestemd. Het opstellen van een standaardovereenkomst vindt plaats in het kader van het project implementatie wetgeving Bob, GVO en politieregisters.10–15, 19, 106(procedurele) eisen en randvoorwaarden van een overeenkomst met een informant worden opgesteld en zullen te zijner tijd worden opgenomen in de Handleiding Opsporingsbevoegdheden
18Nadere studie naar de vraag hoe geheimhouders moeten omgaan met criminele informatie.(§ 2.4.)Vooralsnog acht het kabinet een nadere studie hiernaar niet direct noodzakelijk, gelet op studies die voorhanden zijn en regelingen die m.b.t. dit onderwerp in voorbereiding zijn. zie brief par. 6
19Nadere besluitvorming over de reikwijdte van de mogelijke afspraken met criminelen.(§ 2.3.)Met deze aanbeveling wordt ingestemd, in dier voege dat een nadere gedachtewisseling en besluitvorming hieromtrent kan plaatsvinden bij de Kamerbehandeling van het wetsvoorstel Toezeggingen aan getuigen. 22, 24, 27, 111De nota naar aanleiding van het verslag bij het wetsvoorstel toezeggingen aan getuigen in strafzaken is op 1 november 1999 uitgegaan (Kamerstukken 24 296)
20Pseudo-koop opvatten als een vorm van infiltratie, toepassen van geldende normen en procedures ten aanzien van infiltratie op pseudo-koop.(§ 2.3.)Het is onwenselijk op beide bevoegdheden standaard dezelfde procedures van toepassing te laten zijn. Indien het in bepaalde gevallen gewenst is een opgeleid infiltratieteam in te zetten voor pseudokoop bestaat hiertoe de mogelijkheid. Nagegaan zal worden of aanvullende eisen nodig zijn voor opsporingsambtenaren van BOD'en en KMar belast met pseudokoop. Een en ander wordt uitgevoerd in het project implementatie wetgeving Bob, GVO en politieregisters.20zie brief par. 3. Tijdens het AO op 10/11 kwam aan de orde dat een schriftelijke spoedprocedure volstaat; mondelinge spoedprocedure is niet nodig.
21Verbod op doorlaten. Duidelijkheid verschaffen over betekenis (richtlijn). Verbod ook van toepassing bij bevoegdheden titel Va. Nadere uitwerking afwegingselementen bij beoordeling «zwaarwegend opsporingsbelang». Spoedprocedure.(§ 2.3.)Een richtlijn ter zake wordt opgesteld in het kader van het project implementatie wetgeving Bob, GVO en politieregisters. Acuut levensgevaar is een zelfstandige reden om van inbeslagneming af te zien. De vraag is of een mondelinge spoedprocedure in het leven zou moeten worden geroepen. Zo ja, dan vereist dit wetswijziging. Kan worden bezien bij evaluatie Wet Bob. 25–28, 64, 113, 114zie brief par. 3
22Standpunt ten aanzien van het doorlaten van mensen zoals omschreven in brief aan de Kamer opnemen in richtlijn doorlaten.(§ 2.3.)Met deze aanbeveling wordt ingestemd. De bedoelde richtlijn wordt opgesteld in het kader van het project implementatie wetgeving Bob, GVO en politieregisters.25–28, 64, 113, 114Zie brief aan Tweede Kamer d.d. 12 april jl., n.a.v. motie.Wordt in de Handleiding Opsporingsbevoegdheden uitgewerkt (werkgroep Verfijning begrippenkader)
23Bezien problematiek van informatieverzameling t.b.v. verschillende taken (opsporing, openbare orde, nationale veiligheid, bestuurlijke handhaving). Met name aandacht voor: a) rechtsbasis voor openbare orde inwinning; b) verschillen tussen het wetsvoorstel BOB en het wetsvoorstel IVD; c) relatie tussen wetgeving m.b.t. persoonsregistratie en de overige wetgeving die van belang is voor het vergaren van informatie.– (§ 2.6.)Ad a) onderzoek naar de rechtsbasis voor informatie-inwinning t.b.v. de openbare orde. De ministers van BZK en Justitie onderzoeken of hiervoor een aanvullende wettelijke regeling noodzakelijk is. De Kamer zal hierover separaat worden geïnformeerd. Ad b) de verschillen in bevoegdheden zijn te verklaren door de verschillen in taakstelling. Het kabinet onderkent het belang van juiste toepassing van de verschillende regimes. Ad c) wetgeving m.b.t. persoonregistraties behelst regels omtrent de opslag en het gebruik van gegevens, doch niet t.a.v. het vergaren ervan. De relevante wetgeving is op elkaar afgestemd. 33, 34, 54–56– rechtsbasis voor inwinnen info bij openbare orde:zie brief aan TK d.d. 5 oktober jl. Komt handleiding voor de praktijk tbv korpsen – verschillen wet BOb en wetsvoorstel IVD: activiteiten IVD en opsporingsinstanties (ihkv strafrecht dragen verschillend karakter en hebben verschillend doel. Dit verklaart en rechtvaardigt de verschillen tussen beide regelingen.
24De afbakening van het verkennend onderzoek ten aanzien van andere wetgeving en strafrechtelijk onderzoek moet worden verhelderd.(§ 2.6.)Met deze aanbeveling wordt ingestemd. Indien nodig, kunnen in het kader van het project implementatie wetgeving Bob, GVO en politieregisters maatregelen worden getroffen.De huidige instructie verkennend onderzoek wordt in de Handleiding Opsporingsbevoegdheden geactualiseerd (werkgroep Verfijning begrippenkader).
25Uitbouwen financieel rechercheren, zowel in de opleidingen en capaciteit als in de plaats die het heeft bij de criminaliteitsbestrijding (gebruik van deskundigheid, arbeidsintensieve karakter financiële onderzoeken en gebruik van MOT-meldingen door de politieregio's).(§ 2.6.)Met deze aanbeveling wordt ingestemd. Opleidingen zijn inmiddels ontwikkeld of in ontwikkeling; het beleid is erop gericht financieel rechercheren een integraal onderdeel van de rechtshandhaving te maken. 32, 116 
26Inventarisatie van opleidingsbehoefte bij de politie, het openbaar ministerie en de zittende magistratuur ten aanzien van de bijzondere opsporingsmethoden (additionele middelen, verplichte cursus opsporingsmethoden voor rechercheurs.(§ 2.2.)Met deze aanbeveling wordt ingestemd. Uitvoering vindt plaats in het kader van het project implementatie wetgeving Bob, GVO en politieregisters. 132In het kader van de implementatie wet BOb is – na uitvoerige inventarisatie van de opleidingsbehoefte in zowel het politieveld als binnen het openbaar ministerie – een opleidingstraject georganiseerd voor politie en justitie, op basis van de daar levende behoeften. Zie brief par. 2.
27Voor- en nadelen bezien van de verschillende wijzen van inbedding van recherche in regiokorpsen en resultaten terugkoppelen naar de korpsen.(§ 3.2.)Met deze aanbeveling wordt ingestemd. Voor- en nadelen zullen worden onderzocht.zie brief par. 6
28Fundamentele bezinning op de organisatie van de landelijke en bovenregionale opsporing (welke taken en zaken kunnen volgens welke criteria aan welke opsporingsorganisaties worden toebedeeld en hoe kan betere afstemming plaatsvinden?)(§ 3.2.)Met deze aanbeveling wordt ingestemd met dien verstande dat de bezinning niet dient te leiden tot een discussie rond het politiebestel. Inmiddels is een project bovenregionale voorzieningen gestart, met als doel meer slagvaardigheid, structuur en uniformiteit tot stand te brengen in de bovenregionale organisatie van de Nederlandse politie.40, 53, 119Een overleg met het politieveld over de bovenregionale organisatie van de politie in zijn algemeenheid, onder leiding van de heer Brinkman, is inmiddels opgestart.
29Opstellen nieuwe CID-regeling (taken, procedures en bevoegdheden)(§ 3.3.)Met deze aanbeveling wordt ingestemd. Het opstellen van een nieuwe CID-regeling vindt plaats in het kader van het project implementatie wetgeving Bob, GVO en politieregisters.42, 46De CID-regeling is per 1 februari 2000 gereed (werkgroep CID-regeling)
30Uitbreiden mogelijkheden (personeel, financiën en organisatie) tot runnen van informanten in de «bovenwereld»(§ 3.3.)Het kabinet maakt ten aanzien van deze aanbeveling een voorbehoud. Eerst moet worden bezien hoe de taken, procedures en bevoegdheden van de CID (in de toekomst EBRI geheten) zullen worden vormgegeven. Pas daarna kunnen beslissingen worden genomen over de toedeling van extra middelen op het gebied van personeel, financiën en organisatie.10, 14 
31Opstellen nadere regelgeving omtrent de organisatorische en formele verhouding tussen de CID'en en de infodesks zodat duidelijk wordt wie waarvoor verantwoordelijk is (toegangs- en verstrekkingenregime).(§ 3.4.)Met deze aanbeveling wordt ingestemd. Advies terzake van de verhouding tussen de CID en de informatiedesk wordt gevraagd aan de Raad voor Advies voor de CID. De uitvoering zal plaats vinden in het kader van het project implementatie wetgeving Bob, GVO en politieregisters en het project ABRIO.Is onderwerp van gesprek in speciaal daarvoor ingestelde werkgroep Taakafbakening CID-Tactische recherche. Resultaten van die werkgroep worden meegenomen bij de opstelling van de CID-regeling. Deze is per 1 februari 2000 gereed (werkgroep CID-regeling)
32Betere afstemming informatiebehoefte tussen CID en tactische recherche(§ 3.3.) Met deze aanbeveling wordt ingestemd. Uitvoering vindt plaats in het kader van het project implementatie wetgeving Bob, GVO en politieregisters.42, 46Is onderwerp van gesprek in speciaal daarvoor ingestelde werkgroep Taakafbakening CID-Tactische recherche. Resultaten van die werkgroep worden meegenomen bij de opstelling van de CID-regeling. Deze is per 1 februari 2000 gereed (werkgroep CID-regeling)
33Opstellen meer uniforme procedure t.a.v. selectie van onderzoeken binnen de regio's.(§ 3.4.)Het kabinet maakt een voorbehoud bij deze aanbeveling. Op decentraal niveau worden op dit punt reeds initiatieven ontplooid. Nadere concretisering hiervan en bestudering van de resultaten in overleg met de korpsen en het OM dienen te worden afgewacht.Vanuit ABRIO wordt langs twee wegen aan dit onderwerp gewerkt: – een model van meer uniforme «case-screening» en een landelijk modeldossier worden gemaakt– een landelijke criminele kaart wordt ontwikkeld, op basis waarvan afgewogen keuzen kunnen worden gemaakt ten aanzien wat het beste kan worden aangepakt (eerste versie gereed in voorjaar 2000).Zie brief par. 6.
34Belang van rol van hulpofficier benadrukken/vergroten.(§ 3.2.)Aanbeveling wordt overgenomen, voor zover deze binnen het huidige wettelijke kader kan worden uitgevoerd. De uitvoering vindt plaats in het kader van het project implementatie wetgeving Bob, GVO en politieregisters. Punt van aandacht bij evaluatie Wet Bob. 121
35Verbeteren inzet ervaring en kennis van kernteamleden na terugkeer in de regio(§ 3.5.)Deze aanbeveling kan worden onderschreven In het Arbeidsvoorwaardenakkoord 1999–2000 voor de sector Politie is inmiddels de mogelijkheid afgesproken dat voor bovenregionale voorzieningen, zoals een kernteam, een tijdelijke aanstelling mogelijk is met een terugkeergarantie naar het korps van oorsprong. (inspanningsverplichting/passende functie).Op 1 december a.s. wordt hierover verder gesproken in het overleg met de voorzitters van de beraden.
36Evaluatie van de kernteamregeling.(§ 3.5.)Met deze aanbeveling wordt ingestemd, met dien verstande dat de organisatie van de wijze waarop een kernteam gegevens uit bijzondere politieregisters zal kunnen verzamelen, analyseren en opslaan, zal worden betrokken bij de uitvoering van aanbeveling 29. De evaluatie van de regeling zal onderdeel uitmaken van de voorziene evaluatie van de kernteams zelf. 52zie brief par. 4 (v.w.b. samenwerking tussen kernteams)
37Na een herbezinning van de organisatie van de landelijke opsporing een standpunt innemen over de ontwikkeling naar een Divisie Recherche.(§ 3.2.)Met deze aanbeveling wordt ingestemd. Daarbij wordt opgemerkt dat bij de vorming van de divisie recherche zal worden betrokken de resultaten van het project bovenregionale opsporing. Heeft implicaties voor de samenwerking tussen het KLPD en de regionale politiekorpsen. Derhalve is het kabinet voornemens hierover advies te vragen van de Raad van Hoofdcommissarissen, het College van procureurs-generaal en de Raad voor het KLPD. Zodra dit advies er is, zal het kabinet de Tweede Kamer hierover informeren.Op 22 oktober jl. is adviesaanvraag verzonden. De adviezen zijn nog niet ontvangen. Worden verwacht in tweede week december.
38Ontwikkeling LRT tot een opsporingsteam dat zich vooral met financieel rechercheren bezig kan houden.(§ 3.2.)Met deze aanbeveling wordt ingestemd. Daarbij is belangrijk dat kennis en deskundigheid beschikbaar wordt gesteld ten behoeve van alle niveaus in de opsporing.Onderzoeken met een financieel karakter zijn niet voorbehouden aan het LRT, maar moeten daar plaatsvinden waar de organisatie qua kennis, deskundigheid en schaalgrootte er het best op is toegesneden. Ook de Interregionale Fraudeteams van politie en OM spelen een belangrijke rol bij de bestrijding van financieel-economische criminaliteit. Bovendien laat de taakstelling van het LRT op financieel recherchegebied onverlet, dat het LRT nog een aantal andere taken heeft (zie Regeling LRT).
39Onderzoek naar mogelijkheden centrale sturing bij nationale informatiehuishouding.(§ 3.4.)Het kabinet maakt ten aanzien van deze aanbeveling een voorbehoud. Inmiddels zijn initiatieven ontwikkeld om, binnen het huidige bestel, de sturing en organisatie van de landelijke en bovenregionale opsporing te verbeteren. De sturing en organisatie van de informatiehuishouding maakt daar deel van uit.33, 34, 41Naast alle reeds in diverse brieven vermelde initiatieven ter verbetering van de informatiehuishouding heeft de minister van BZK onlangs de ICT-regieraad opgericht.
40Opstellen richtlijnen omtrent het bijhouden van Meldingen Recherche Onderzoeken(§ 3.4.)Met deze aanbeveling wordt ingestemd. Thans worden deze MRO's geautomatiseerd aangeleverd bij de divisie CRI van het KLPD. De verplichting daartoe vormt onderdeel van de CID-regeling 1995. Nader zal worden bezien in hoeverre deze verplichting een plaats kan krijgen in de wettelijke regeling van de taken, procedures en werkwijze van de CID, dan wel dat een bredere regeling noodzakelijk is. 
41Uitbreiden instrument RIB's opdat betere uitwisseling van informatie tussen CRI, regiokorpsen en kernteams plaatsvindt.(§ 3.6.)Met deze aanbeveling wordt ingestemd. Wel wordt daarbij opgemerkt dat de uitvoering van deze aanbeveling niet los kan worden gezien van de discussie rond de (recherche)taken van het KLPD.De discussie over een duurzaam evenwicht tussen de regio's en het Klpd is nog gaande. Daarnaast werpen de ontwikkelingen in ABRIO een ander licht op de zaak. Toekomstige ontwikkeling van de RIB's kan niet los worden gezien van ontwikkelingen zoals de oprichting van informatiedesks in de regio's die samenwerken met het Informatieknooppunt bij het Klpd.
42Uitbreiding centrale capaciteit voor observatiemiddelen of meer middelen op regionaal niveau.(§ 3.6.)Met deze aanbeveling wordt ingestemd. Nader zal worden bezien op welke wijze deze aanbeveling uitvoering kan krijgen.7, 8Op centraal niveau (Klpd) zal, naar het zich laat aanzien in het jaar 2000, de observatiefunctie heringericht worden t.b.v. een betere dienstverlening voor zowel de eigen organisatie als de regio's, rekening houdend met haar eigen instellingsbeschikkingen en taakstelling. Voor zover de regio's aanvullend behoefte hebben aan extra observatiemiddelen, is dat uiteindelijk een verantwoordelijkheid van de regio's zelf.
43Laten vervallen extra toets DTOO zodra regels richtlijnen voor het gebruik van observatiemiddelen helder zijn.Met deze aanbeveling wordt ingestemd. Uitvoering vindt plaats in het kader van het project implementatie wetgeving Bob, GVO en politieregisters. Na de inwerkingtreding van de Wet Bob is de extra toets niet meer aan de orde. In de amvb technische hulpmiddelen die per 1 februari 2000 in werking zal treden worden de technische hulpmiddelen beschreven; deze hulpmiddelen voor observatie zijn bij de regio zelf beschikbaar. Voor de inzet daarvan is betrokkenheid van DTOO dus niet nodig. De DTOO blijft wel een rol vervullen bij de keuring van deze middelen. De DTOO is betrokken geweest bij het opstellen van die amvb.
44Uniforme structuur ten aanzien van de bevoegdheden van de FIOD-medewerkers werkzaam bij een kernteam of het LRT.(§ 3.6.)Met deze aanbeveling wordt ingestemd. Het «Voorschrift inzake samenwerking van de Belastingdienst met de Politie en andere opsporingsinstanties» bevat in paragraaf 7 voorschriften over het gebruik van bevoegdheden van medewerkers van de Belastingdienst in een samenwerkingsverband. De kaderconvenanten FIOD/Kernteams en FIOD/LRT zijn op dit voorschrift gebaseerd.Wat de bevoegdheden van de FIOD-medewerkers betreft is er geen verschil tussen beide vormen van detachering, zij het dat detachering bij een kernteam doorgaans plaats vindt voor een specifiek onderzoek en voor het verrichten van bepaalde taken. Er is wel een verschil v.w.b. de hiërarchische aansturing van de individuele FIOD-medewerker. Recentelijk zijn hierover afspraken gemaakt tussen de chefs van de kernteams en het hoofd FIOD.
45Oprichten volwaardige CID bij FIOD; bezien in hoeverre de regels voor de organisatie, taken en bevoegdheden van de CID aangepast moeten worden.(§ 3.6.)Het kabinet maakt ten aanzien van deze aanbeveling een voorbehoud. Bij het ministerie van Justitie is het project bijzondere opsporingsdiensten gestart, dat voor het einde van dit jaar zal rapporteren. De uitoefening van de nieuwe CID-functie door bijzondere opsporingsdiensten maakt thans deel uit van dit project.De FIOD als opsporingsdienst voor de fiscaliteit behoeft een voorziening gelijk de EBRI die bij de reguliere politie vervult. Echter, ook andere bijzondere opsporingsdiensten kunnen node zo'n functionaliteit missen. Een zodanige functionaliteit is voorzien, doch de organisatorische inbedding is thans nog onderwerp van nadere studie en overweging. Nog voor het Kerstreces zal het kabinetsstandpunt over de BOD-en naar de Tweede Kamer worden gezonden.
46Formeel regelen voorwaarden voor buitenlandse opsporingsorganisaties in het kader van het optreden op Nederlands grondgebied.(§ 3.6.)Voor zover de kaders neergelegd in internationale verdragen en de Nederlandse wetgeving ruimte bieden om aanvullende afspraken te maken wordt met deze aanbeveling ingestemd. In beginsel bestaat de bedoelde formele regeling uit de toepasselijke verdragen en Nederlandse regelgeving. 57–68, 124–127zie brief par. 4
47Voorlichting over Nederlandse regelgeving m.b.t. bijzondere opsporingsbevoegdheden in het buitenland.(§ 3.7.)Met deze aanbeveling wordt ingestemd. Diverse projecten op dit terrein lopen reeds. 57–68, 124–127zie brief par. 4
48Verduidelijking van wijze van behandeling internationale rechtshulpverzoeken tot doorlaten, gecontroleerde aflevering en de inzet van (criminele) burgerinfiltranten.(§ 3.7.)Met deze aanbeveling wordt ingestemd. Uitvoering vindt plaats in het kader van het project implementatie wetgeving Bob, GVO en politieregisters.57–68, 124–127zie brief par. 4
49Opstellen formeel kader voor buitenlandse liaison officers(§ 3.7.)Met deze aanbeveling wordt ingestemd. Er is inmiddels een werkgroep belast met het actualiseren, nader uitwerken en implementeren van regelgeving terzake. 63zie brief par. 4
50Oprichten ICC (Informatie Coördinatie Centrum) voor internationale rechtshulp(§ 3.7.)Met deze aanbeveling wordt ingestemd. Er zijn thans reeds vier ICC's operationeel in Nederland. Het openbaar ministerie en politie hebben reeds besloten tot de oprichting van deze ICC's waarin OM en politie gezamenlijk de afdoening van de rechtshulp in een bepaald geografisch gebied (variërend van 1 tot 3 arrondissementen) gaan verzorgen. Inmiddels hebben OM en politie besloten waar een achttal ICC's geplaatst zullen worden. Thans zijn in ieder geval al 6 ICC's operationeel.
51Eenduidige vormgeving rol CID-officier van Justitie; daadwerkelijk intensieve sturing en controle t.a.v. CID.(§ 4.2.)Met deze aanbeveling wordt ingestemd. Uitvoering wordt hieraan gegeven in het kader van het project implementatie wetgeving Bob, GVO en politieregisters. Aan ontwikkelingen die zich in de praktijk voordoen, m.n. vanuit het landelijk platform CID-officieren van justitie, zal nader invulling worden gegeven. Waar nodig zal de Handleiding Opsporingsbevoegdheden daartoe worden aangepast (werkgroep Wijziging Wet Politieregisters).
52Evaluatie vorm en functie van rechercheofficier van Justitie(§ 4.2.)Met deze aanbeveling wordt ingestemd. Het College van procureurs-generaal zal de ontwikkeling van de functie van recherche-officier verder bewaken. 70Op dit moment gaat aandacht vooral naar inzet van opsporingsmethoden en prioriteren van voorgenomen onderzoeken.In toekomst wellicht ook een rol bij bewaken van de eenheid van gezagsuitoefening over recherche door officieren van justitie en bewaken van kwaliteit recherche binnen de parketten.
53Geen combinatie van de functies van CID-officier en zaaksofficier.(§ 4.2.)Met deze aanbeveling wordt ingestemd. Het kabinet wil echter niet zo ver gaan dat een combinatie van functies altijd uitgesloten zou moeten zijn. Een doelmatige aanwending van middelen kan hiertoe leiden. Belangrijk is dat in een dergelijk geval, die tot de uitzonderingen moet behoren, altijd intercollegiale toetsing plaatsvindt, in de eerste plaats door de recherche-officier.129zie brief par. 6
54Nemen van nadere beslissingen door College PG's omtrent de doorwerking van richtlijnen en regels over opsporingsmethoden en de herziening van de procedure tot toewijzing van kernteamonderzoeken. Meer actieve houding ten aanzien van de normering en organisatie van de opsporingsmethoden.(§ 4.3.)Met deze aanbeveling wordt ingestemd. Het departement van Justitie en het College van procureurs-generaal werken nauw samen in het project implementatie wetgeving Bob, GVO en politieregisters. De uitvoering vindt plaats in het kader van dit project. 1, 4, 38, 39, 52, 133zie brief par. 4.
55Versnellen en vereenvoudigen selectieprocedure kernteamonderzoeken(§ 4.3.)Met deze aanbeveling wordt ingestemd. De thans in oprichting zijnde informatieplatforms kunnen bijdragen aan het werkaanbod voor de kernteams. Een spoedprocedure voor toewijzing van onderzoeken is inmiddels in het leven geroepen.72zie brief par. 4
56Verheldering toetsingscriteria CTC; toegankelijk maken CTC-jurisprudentie.(§ 4.3.)Met deze aanbeveling wordt ingestemd. Een bundel met CTC-jurisprudentie, waarin voorgelegde zaken, alsmede de overwegingen die aan de besluitvorming van die zaken ten grondslag hebben gelegen zijn opgenomen wordt thans opgesteld. Deze komt beschikbaar voor politie en OM. 17, 82–87, 94 
57Procedure toetsing CTC(§ 4.3.)Met deze aanbeveling kan worden ingestemd. Bezien zal worden in hoeverre uniformering mogelijk is. 17, 82–87, 94Door de CTC wordt nagegaan op welke wijze het aanmeldingsformulier dient te worden aangepast, mede door de inwerkingtreding van de Wet BOb. Het College van PG's zal het aangepaste en geactualiseerde formulier onder de aandacht van de hoofdofficieren en rechercheofficieren van justitie brengen. Voorts wordt een checklist opgesteld waaraan voorgelegde zaken zullen worden getoetst. Met ingang van het nieuwe jaar wordt hier een aanvang mee gemaakt.
58Beëindigen registratiezaken bij CTC, daarvoor in de plaats periodiek wetenschappelijk onderzoek laten verrichten.(§ 4.3.)Het kabinet maakt ten aanzien van deze aanbeveling een voorbehoud. In overleg met het College van procureurs-generaal zal worden bezien of het wenselijk is op centraal niveau een overzicht te behouden en derhalve de registratie bij de CTC te handhaven. 32, 33, 86De onduidelijkheid die er bestond bij registratiezaken lag met name in de categorie observatie. Alleen ingezette apparatuur die bestond uit hoogwaardige technologie moest worden aangemeld. Dit begrip werd in praktijk verschillend geïnterpreteerd. Het WODC heeft inmiddels besloten dat een recentelijk afgesloten onderzoek naar effectiviteit van infiltratie zal worden opgevolgd door een dergelijk onderzoek, maar dan naar de effectiviteit van observatiemiddelen. Na inwerkingtreding Wet BOb zijn alle zaken die nu ter registratie aan de CTC moeten worden aangemeld, onderworpen aan een bevel van de officier van justitie. Deze bevelen worden in het COMPAS-systeem geregistreerd. Een parallelle landelijke registratie lijkt daarmee overbodig geworden.
59Nader onderzoek naar de mogelijkheid eenmaal bij de rechter-commissaris gehoorde «rechtmatigheidsgetuigen» niet bij de rechter nogmaals toe doen horen.(§ 4.4.)Met deze aanbeveling wordt ingestemd. Een nader onderzoek zal worden ingesteld.89zie brief par. 6
60Formuleer wettelijke basis voor coördinerend rechter-commissaris.(§ 4.4.)Het kabinet maakt ten aanzien van deze aanbeveling een voorbehoud. De functie van coördinerend rechter-commissaris bestaat nu enkele jaren. Op basis van de ervaringen die nu zijn opgedaan, zal aan het openbaar ministerie en aan de zittende magistratuur advies gevraagd worden over een wettelijke basis voor de functie. 88zie brief par. 6
61Actievere houding Ministerie van Justitie(§ 4.3.)Uitvoering van de aanbeveling, die betrekking heeft op een actievere houding van het ministerie van Justitie t.a.v. de implementatie met betrekking tot de normering van de bijzondere opsporingsmethoden, zal plaatsvinden door middel van het implementatietraject Wet Bob. 4, 38, 39, 52, 133zie brief par. 2
62Inventarisatie van de opleidingsbehoefte bij de politie ten aanzien van de bijzondere opsporingsmethoden (evt. additionele middelen ter beschikking stellen)(§ 2.2.)Aanbeveling wordt overgenomen. Uitvoering vindt plaats in het kader van het project implementatie wetgeving Bob, GVO en politieregisters. 132In het kader van de implementatie wet BOb is – na uitvoerige inventarisatie van de opleidingsbehoefte in zowel het politieveld als binnen het openbaar ministerie – een opleidingstraject georganiseerd voor politie en justitie, op basis van de daar levende behoeften.Zie brief par. 2.
63Verantwoordelijkheid voor het beheer over de CID-registers overdragen aan het OM(§ 3.3.)Het kabinet neemt deze aanbeveling niet over, omdat inmiddels in de wet een voorziening is getroffen waardoor gewaarborgd is dat het OM altijd toegang heeft cq gegevens verstrekt krijgt uit de registers. 31Het algemeen beheer inzake de politieregisters is ingevolge de algemene bepalingen van de Wet politieregisters toebedeeld aan de korpsbeheerder (personeel, financiën, beveiliging, automatisering, etc). Het OM heeft een belangrijke rol bij het invoeren en verwijderen van gegevens alsmede bij het (tezamen met de korpsbeheerder) houden van toezicht op de bijzondere registers, vanuit zijn gezagsmatige verantwoordelijkheid voor de opsporing (strafrechtelijke toets). De korpsbeheerder heeft bij dat toezicht met name een rol waar het gaat om de strikte naleving van de bewaartermijnen en de feitelijke juistheid van de gegevens.
64TK meer belang hechten aan tijdelijk behandeling wetsvoorstellenn.v.t.
65Integraal onderzoekVerwezen wordt naar de brief aan TK inzake de wijze van aanpak van het onderzoek post-FortVerwezen wordt naar voortgangsrapportage integraal onderzoek die op 29 november jl. aan Tweede Kamer is gezonden.
66Parlementaire controlen.v.t.
Naar boven