26 269
Uitvoering aanbevelingen enquêtecommissie opsporingsmethoden

nr. 16
BRIEF VAN DE MINISTER VAN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 25 november 1999

Bij brief van 31 augustus informeerde ik u over de opzet van het integraal onderzoek post-Fort (26 269, nr. 13). In deze brief kondigde ik aan in november een eerste voortgangsrapportage aan uw Kamer te zullen doen toekomen.

Onderstaand treft u deze aan. De voortgangsrapportage is als volgt opgebouwd.

1. Stand van zaken strafrechtelijk onderzoek

2. Stand van zaken inventariserend onderzoek

3. Stand van zaken evaluatieonderzoek

4. Afsluiting

Onderdeel 2 over het inventariserend onderzoek schrijf ik mede namens de minister van Financiën.

Gaarne ben ik bereid de voortgangsrapportage als geheel dan wel onderdelen daarvan mondeling aan u toe te lichten. Ik gaf dat reeds aan in mijn brief aan de Vaste Commissie voor Justitie van 2 november. Bij een mondeling overleg met uw Kamer zal er naar mijn mening op enkele onderdelen sprake moeten zijn van een vertrouwelijk karakter van dit overleg.

1. Stand van zaken strafrechtelijk onderzoek

In dit deel van de voortgangsrapportage zijn, conform mijn brief van 2 november aan de Vaste Commissie voor Justitie, ook de antwoorden verwerkt op de feitelijke vragen die deze Commissie mij naar aanleiding van mijn brief van 31 augustus aan uw Kamer heeft gesteld. Concreet gaat het om de antwoorden op de vragen 2 tot en met 17, 25 tot en met 27, 29 en 30 tot en met 34. Ten aanzien van de overige vragen die betrekking hebben op het strafrechtelijk onderzoek geldt dat ik deze in een vertrouwelijk overleg met uw Kamer zou willen beantwoorden.

1.1. Inleiding

Bij mijn brief van 31 augustus 1999 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal gaf ik een uiteenzetting over de opzet van het integrale onderzoek, zoals dat onderzoek door de Tijdelijke Commissie Evaluatie Onderzoeksmethoden (de commissie-Kalsbeek; hierna te noemen: de TCEO) is aanbevolen. Tevens is daarin aangegeven waarom het naar het oordeel van mij en het College van procureurs-generaal niet zinvol is een apart feitenonderzoek in te stellen. De in die brief genoemde bezwaren (coördinatieproblemen met het strafrechtelijk onderzoek en het ontbreken van de mogelijkheid van passende maatregelen of sancties) blijven onverminderd van kracht. In verband met het tweede bezwaar ligt het overigens niet voor de hand dat na sluiting van het strafrechtelijk onderzoek alsnog een feitenonderzoek wordt ingesteld. Ik verwijs hierbij nogmaals naar de ervaringen die zijn opgedaan met het feitenonderzoek van de Rijksrecherche uit 1995 (het Fort-onderzoek). Juist op grond van die ervaringen is immers overgegaan op een strafrechtelijk onderzoek. Voor het overige verwijs ik voor de relatie feitenonderzoek-strafrechtelijk onderzoek naar mijn brief van 31 augustus.

Eén van de drie onderdelen van het integrale onderzoek is het strafrechtelijk onderzoek. Dit onderzoek zal hierna het coördinerend strafrechtelijk onderzoek worden genoemd. Zoals in voormelde brief reeds is opgemerkt heeft het College van procureurs-generaal mr G.C. Haverkate aangewezen om als coördinerend officier van justitie leiding te geven aan dit onderzoek. Het College heeft mw. mr W.J. Don aangewezen als coördinerend CID-officier van justitie van dit onderzoek.

De beide coördinerend officieren van justitie zijn in september 1999 met hun werkzaamheden aangevangen. Zij hebben zich de eerste twee maanden ingewerkt in de materie. Dit heeft geresulteerd in een plan van aanpak, dat is goedgekeurd door het College van procureurs-generaal.

In deze voortgangsrapportage wordt verslag gedaan van de onderzoeksopzet, zoals het College die op basis van het plan van aanpak heeft bepaald en waaraan ik mijn instemming heb gegeven.

Daarnaast wordt aangegeven welke (deel)onderzoeken gestart zijn of nog gestart zullen worden en wordt tevens verslag gedaan van de stand van zaken dienaangaande. Hierbij wordt ook gewezen op enige problemen waarmee nu al rekening gehouden moet worden.

Voorts wordt in deze voortgangsrapportage ingegaan op de gezagsstructuur en, daarmee samenhangend, op de wijze waarop in het coördinatieonderzoek informatie vergaard wordt.

Tot slot worden in deze voortgangsrapportage veel van de naar aanleiding van mijn brief van 31 augustus door de vaste commissie van Justitie gestelde vragen over onder meer het coördinerend strafrechtelijk onderzoek beantwoord. Uit een oogpunt van de bescherming van de belangen van opsporing en vervolging en de bescherming van privacybelangen kan een aantal vragen niet schriftelijk beantwoord worden. Ik ben evenwel bereid om tezamen met leden van het College van procureurs-generaal, die voor beide coördinerend officieren van justitie als eerste aanspreekpunt fungeren, de vaste commissie voor Justitie hierover nader mondeling, in een vertrouwelijk overleg, te informeren.

Eén vraag van de vaste commissie betrof de overeenkomst met M.K. Inmiddels heb ik hierover Kamervragen van de leden Halsema en Van Oven beantwoord, waaruit blijkt dat de gesprekken tussen het Openbaar Ministerie te Amsterdam en M.K. definitief zijn beëindigd.

1.2. Doelstellingen coördinerend strafrechtelijk onderzoek

Het coördinerend strafrechtelijk onderzoek kent de volgende doelstellingen :

1. het vaststellen of overheidsdienaren strafbare feiten hebben gepleegd;

2. het strafrechtelijk aanpakken van een criminele informant (en diens organisatie) die kennelijk dubbelspel ten nadele van de overheid heeft gespeeld;

3. het achterhalen van verdwenen geld;

4. een combinatie van het bovenstaande;

5. het doen van onderzoek naar de mogelijkheid dat parallelimporten, dan wel daarop gelijkende of geïnspireerde constructies ook hebben plaatsgehad in de periode na 1994;

6. het doen van onderzoek naar de mogelijkheid van met een en ander samenhangende corruptie;

7. het doen van onderzoek naar het XTC-traject;

8. het doen van onderzoek naar de moord op Van der Heiden;

9. het doen van onderzoek naar de vraag in welke individuele zaken er sprake is geweest van kennisgevingen van niet verdere vervolging.

1.3 Verbanden tussen deelonderzoeken

Deze onderzoeksdoelen kennen een gezamenlijke oorsprong die gelegen is in de onderzoeken door de Parlementaire Enquêtecommissie Opsporingsmethoden (hierna te noemen: de PEC) en de TCEO. Voor een meer uitvoerige beschrijving van de oorsprong wordt verwezen naar paragraaf 5.2 («Voorgeschiedenis») uit het rapport van de TCEO. Het coördinatieonderzoek bouwt voort op vele van de in die paragraaf genoemde onderzoeken uit het verleden.

In het kader van het opstellen van het plan van aanpak hebben de beide coördinerend officieren van justitie verbanden gelegd tussen de diverse onderzoeksdoelen en de op basis daarvan te verrichten deelonderzoeken. De deelonderzoeken kunnen immers niet op voorhand als geïsoleerde elementen worden beschouwd, maar als elementen die mogelijk door een of meer rode draden met elkaar verbonden zijn. Een van die mogelijke rode draden is datgene wat het in het ergste geval «corruptie» genoemd zou moeten worden en in het minst erge geval «minder fortuinlijk overheidsoptreden». Hiermee is tevens de vanzelfsprekendheid vastgelegd dat in geen enkel onderdeel van het coördinerend strafrechtelijk onderzoek overheidsdienaren als (potentiële) onderzoekssubjecten buiten beschouwing gelaten (zullen) worden. Bedacht moet echter wel worden dat dit onderzoek een strafrechtelijk onderzoek is. Dit heeft tot gevolg dat met de middelen van en volgens de normen van het strafrecht gewerkt dient te worden worden. Dit betekent onder meer dat in het coördinerend strafrechtelijk onderzoek evenzeer geldt wat in ieder strafrechtelijk onderzoek geldt, namelijk dat aan niemand eerder de status van verdachte zal worden toegekend dan de norm van artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering toestaat.

1.4. Deelonderzoeken

Op basis van een eerste inventarisatie van de coördinerend officieren van justitie zijn op dit moment de volgende deelonderzoeken, waarmee het bereiken van een of meer onderzoeksdoelen wordt nagestreefd, benoemd:

A. onderzoek naar criminele informant (en diens organisatie) die kennelijk dubbelspel ten nadele van de overheid heeft gespeeld;

B. onderzoek naar de mogelijkheid dat parallelimporten, dan wel daarop gelijkende of geïnspireerde constructies ook hebben plaatsgehad in de periode na 1994;

C. onderzoek naar het XTC-traject;

D. onderzoek naar de moord op Van der Heiden;

E. onderzoek naar de vraag in welke individuele zaken er sprake is geweest van kennisgevingen van niet verdere vervolging.

Telkens zal de vraag onder ogen moeten worden gezien of er dwarsverbanden tussen de deelonderzoeken bestaan en zo ja welke. Indien dwarsverbanden worden vastgesteld zou dit onder omstandigheden tot samenvoeging van deelonderzoeken kunnen leiden, dan wel tot nieuwe deelonderzoeken, speciaal gericht op die dwarsverbanden.

In de paragrafen 1.4.1 tot en met 1.4.3. wordt nader ingegaan op de deelonderzoeken.

1.4.1. Deelonderzoek A: dubbelspel informant

In paragraaf 5.4 van haar rapport heeft de TCEO vermeld dat het «College van procureurs-generaal (...) op basis van het rapport van het Fort-team en in het bijzonder de 26 vragen het LRT opdracht [heeft] gegeven een strafrechtelijk onderzoek te doen naar de groei-informant en zijn dubbelrol, naar betrokken ambtenaren, [alsmede een] onderzoek [te doen] naar criminele geldstromen». Deze opdracht werd reeds vóór de start van het coördinerend strafrechtelijk onderzoek verstrekt en aan deze opdracht geeft het Landelijk Rechercheteam sindsdien zeer serieus uitvoering. Het heeft hiertoe een aantal deelonderzoeken ingesteld die deels in een ver en deels in een minder ver gevorderd stadium van operationaliteit verkeren. Voor deze deelonderzoeken van het LRT geldt dat belangen van opsporing eraan in de weg staan om in deze voortgangsrapportage nadere details over de stand van zaken te verstrekken.

Als het onderzoek aanwijzingen oplevert dat meer criminele informanten dubbelspel hebben gespeeld in het kader van hetgeen onderzocht is door de PEC en de TCEO dan zullen ook die personen, indien de strafvorderlijke mogelijkheden dat toelaten, strafrechtelijk worden aangepakt.

1.4.2. Deelonderzoek B: parallelimporten (na 1994)

De directe aanleiding voor dit deelonderzoek is te vinden in onderdeel A van paragraaf 5.5 van het rapport van de TCEO, welk onderdeel begint met de zin: «De commissie is gestuit op documenten, bestaande uit verklaringen en analyses, waaruit blijkt dat sprake is (geweest) van parallel-importen cocaïne». Daarbij zou mogelijk sprake zijn geweest van corruptie. Ook zou er sprake zijn geweest van dubbelspel van een of meer informanten, hierop neerkomende dat de betreffende informant zich aan de recherche voordeed als iemand die met de politie samenwerkte, terwijl hij in werkelijkheid, in afspraak met criminele groeperingen, de parallelimporten mede organiseerde. Voor deze parallelimporten was, aldus de TCEO, medewerking van de douane en politie noodzakelijk.

In het plan van aanpak van de beide coördinerend officieren van justitie wordt ervan uitgegaan dat de TCEO met het woord «verklaringen» in elk geval heeft gedoeld op twee verklaringen, afgelegd door personen die zijn aangemerkt als bedreigde getuigen (in de zin van Afdeling 4A van Titel III van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafvordering). De coördinerend officieren hebben de beschikking over afschriften van deze verklaringen. Voorts wordt in het plan van aanpak ervan uit gegaan dat de TCEO met het woord «analyses» in elk geval heeft gedoeld op een proces-verbaal en een bijbehorend rapport d.d. 10 juli 1998, waarin minimaal acht parallelimporten in de periode 1991 tot 1994 worden vermeld. De coördinerend officieren beschikken ook over deze stukken.

Genoemde verklaringen en analyses bieden op dit moment nog onvoldoende aanknopingspunten om vast te stellen wélke overheidsambtenaren eventueel hun medewerking hebben verleend aan deze importen dan wel ongewild het slachtoffer zijn geweest van dubbelspel van een of meer informanten. Daarnaast vormen deze analyses en (anoniem) afgelegde verklaringen thans onvoldoende bewijs voor mogelijk verwijtbaar handelen van overheidsambtenaren. Derhalve is het doel van dit deelonderzoek in de eerste plaats vast te stellen wie de overheidsambtenaren zijn geweest die een rol zouden hebben vervuld bij de parallelimporten. In de tweede plaats dient te worden vastgesteld hoe die rol er precies heeft uitgezien. In de derde plaats dient te worden onderzocht of een en ander oplevert dat een of meer strafbare feiten zijn gepleegd. Kort gezegd gaat het hier derhalve om een onderzoek naar de mogelijkheid dat corruptie een «vast onderdeel» van de methodiek der parallelimporten is geweest. Hierbij wordt vanzelfsprekend ook betrokken de vraag of zich na 1994 nog paralleltransporten hebben voorgedaan.

De eerste stap die in het kader van dit deelonderzoek gezet dient te worden is het verifiëren en onderbouwen van de analyse. De analyse is gebaseerd op veelal vertrouwelijke CID-informatie. Als het gebruik van deze informatie noodzakelijk blijkt te zijn, dan zal deze informatie moeten worden verstrekt in de vorm van een proces-verbaal dat tevens een evaluatie geeft over de betrouwbaarheid van informatie en informant. Indien bepaald onderzoeksmateriaal uit de zogenoemde IRT-bestanden moet worden gebruikt, dient per gebruikte informatie te worden bezien of de herkomst van dit materiaal tegenover de rechter verantwoord kan worden. Hierbij speelt een rol dat in het verleden sprake is geweest van de «besmetverklaring» van (een deel van) mogelijk relevante IRT-informatie. Bezien moet worden in hoeverre deze informatie daadwerkelijk «besmet» is, in die zin dat deze niet voor de rechter verantwoord kan worden.

De tweede stap betreft het vaststellen van het aantal en de identiteit van de informanten die (mogelijk) dubbelspel hebben gespeeld. In het reeds verzamelde materiaal is sprake van in ieder geval één informant die kennelijk dubbelspel speelde. Uiteraard zal nagegaan worden of er overlappingen zijn met deelonderzoek A (strafrechtelijk aanpakken criminele informant), en zo ja, welke consequenties dit heeft.

Als derde stap dienen getuigen en/of mogelijke verdachten in kaart gebracht te worden. De in de analyse genoemde transporten zijn in een aantal gevallen voorwerp geweest van strafrechtelijk onderzoek in het verleden. De processen-verbaal van deze onderzoeken dienen te worden bestudeerd teneinde vast te stellen welke personen aan overheidszijde betrokken zijn geweest bij de controles van de betreffende schepen en containers en/of bij mogelijke doorlatingen of inbeslagnemingen van partijen verdovende middelen.

De laatste stap bestaat uit het vergaren van bewijsmateriaal. De anoniem afgelegde verklaringen vormen op zichzelf niet voldoende bewijs (zie artikel 344a van het Wetboek van Strafvordering). Aanvullend bewijs dient te worden gezocht in het horen van de in de derde stap gevonden getuigen en in het doen van verder relevant onderzoek. Dit kan bijvoorbeeld bestaan in het onderzoek van verdere administratie e.d..

De stappen 1 tot en met 3 worden uitgevoerd door de CID van het Landelijk Rechercheteam (LRT). Mogelijk zal voor een onderdeel van de eerste stap expertise buiten het LRT worden aangezocht. Voor de stappen 1 tot en met 3 wordt de benodigde periode geschat op ongeveer zes maanden vanaf heden. Bedacht moet wel worden dat zich bij de stappen 2 en 3 complicaties kunnen voordoen waardoor genoemde periode overschreden wordt. Het resultaat van onderzoek door de CID van het LRT zal worden vastgelegd in een proces-verbaal dat voldoende basis dient te bieden voor een operationeel rechercheteam, dat zal starten met de vierde stap, met als uiteindelijk doel de strafrechtelijke afdoening van de zaak voor de rechter. Op dit moment kan op geen enkele verantwoorde wijze worden ingeschat hoe lang deze fase van het onderzoek zal duren. Indien zich vertragende omstandigheden voordoen zal dit in de diverse voortgangsrapportages worden verantwoord. Zou overigens uit het onderzoek door de CID van het LRT blijken dat de verklaringen en analyses niet verder kunnen worden onderbouwd of aangevuld, in die zin dat dit onderzoek onvoldoende feiten en omstandigheden oplevert om te komen tot een verdenking jegens een of meer personen, dan zal ook in dat geval proces-verbaal worden opgemaakt, waarin het onderzoek en de daaruit voortvloeiende conclusie worden verantwoord.

1.4.3 Deelonderzoek C: XTC-traject

Het onderwerp waarop dit deelonderzoek betrekking heeft is aan de orde gekomen in de verhoren en het eindrapport van de PEC, in het Fort-rapport en laatstelijk in het eindrapport van de TCEO. Kort gezegd gaat het om een reeks XTC-transporten van Nederland naar Engeland waarin een informant een rol heeft gespeeld.

Voor de XTC-transporten naar Engeland is uiteindelijk in Nederland niemand veroordeeld. Wel is in Engeland de chauffeur veroordeeld van de vrachtauto waarmee de pillen werden vervoerd.

Het doel van dit deelonderzoek is te bezien in hoeverre alsnog kan worden gekomen tot een veroordeling van diegenen die indertijd bij die transporten betrokken waren.

Aangezien het coördinerend strafrechtelijk onderzoek een strafréchtelijk onderzoek is, primair gericht op het aanwijzen en berechten van verdachten, valt verbetering van de detentiesituatie van de chauffeur als zodanig niet binnen de doelstelling van dit deelonderzoek. Dit laat onverlet dat gemeld kan worden dat op dit punt belangrijke initiatieven zijn en worden ontplooid waarbij de coördinerend officieren wel betrokken zijn. De betrokken chauffeur is inmiddels overgeplaatst naar een minder zwaar regime.

Voor een gedeelte betreft het XTC-onderzoek een operationeel onderzoek. In dat kader loopt een aantal gerechtelijke vooronderzoeken die betrekking hebben op een misdrijf zoals bedoeld in artikel 70, onder 2°, Sr en die zijn ingesteld teneinde de vervolgingsverjaring te stuiten. Aangezien artikel 72, eerste lid, Sr de stuiting eerst effectief maakt door betekening van de daad van vervolging, betekent dit dat de bewuste verdachten reeds van het bestaan van deze gerechtelijke vooronderzoek op de hoogte zijn. Niettemin moeten er nog steeds strategische keuzen worden gemaakt met betrekking tot de eventuele uitbreiding van het onderzoek (andere feiten en/of andere verdachten). De coördinerend officieren van justitie moeten daartoe nog een deelplan opstellen, dat naar verwachting nog voor het einde van het jaar kan worden afgerond. Daarna kunnen de eerste van die strategische keuzen gemaakt worden.

De duur van het verdere onderzoek is in belangrijke mate afhankelijk van het antwoord op de vraag hoe de zojuist bedoelde strategische keuzen zullen uitvallen.

1.4.4. Deelonderzoek D: moord op Van der Heiden

Het onderwerp waarop dit deelonderzoek betrekking heeft is aan de orde gekomen in het eindrapport van de PEC, in het Fort-rapport en laatstelijk in het eindrapport van de TCEO. Het betreft een zeer gewelddadige liquidatie, gepleegd op 10 april 1993 te Alkmaar. Het tactisch onderzoek dat naar dit misdrijf ingesteld is geweest, heeft nimmer tot berechting van verdachten geleid.

De doelstelling van het onderzoek naar de moord op van Van der Heiden is, in de eerste plaats, vast te stellen welke personen (in de zin van Titel V van het Eerste Boek van het Wetboek van Strafrecht) hebben deelgenomen aan dit strafbare feit hebben en, in de tweede plaats, te bezien in hoeverre (alsnog) strafvervolging van die personen mogelijk is.

De coördinerend officieren van justitie hebben inmiddels een quick scan verricht op het beschikbare materiaal. Hieruit is gebleken dat ook in dit deelonderzoek de problemen van de «besmetverklaring» en van de kennisgevingen van niet verdere vervolging spelen. Hiernaar zal onderzoek worden gedaan, opdat duidelijk wordt in hoeverre de consequenties van een en ander ook in het heden nog doorwerken. Naar verwachting kunnen de coördinerende officieren van justitie eind januari 2000 definitief adviseren met betrekking tot het al dan niet opnieuw in rechte betrekken van verdachten.

1.4.5. Deelonderzoek E: kennisgevingen van niet verdere vervolging

Dit deelonderzoek hangt nauw samen met het probleem van de zogenoemde «besmetverklaring». Kort gezegd komt het hierop neer dat indertijd, na de opheffing van het IRT, is besloten niet meer voort te bouwen op (een aanzienlijk gedeelte van) de dossiers die tot dan toe door het IRT waren geproduceerd. Naar het zich thans laat aanzien had die beslissing uitsluitend tot doel eventuele procesrisico's te beperken. De beslissing tot besmetverklaring is, voorzover thans nog valt te reconstrueren indertijd genomen door de toenmalige procureur-generaal te Amsterdam op basis van ressortelijk overleg. Deze beslissing is in zoverre rigoureus geweest dat daaraan een aantal beslissingen om een kennisgeving van niet verdere vervolging uit te laten gaan is verbonden, kennelijk onder het motto: «besmet bewijs is geen bewijs; de afwezigheid van bewijs geeft geen uitzicht op een veroordeling; zonder uitzicht op een veroordeling is een (verdere) vervolging niet zinvol».

In het deelonderzoek dient enerzijds te worden bezien in hoeverre de kennisgevingen van niet verdere vervolging onherroepelijke gevolgen hebben (vooral gelet op de bewoordingen van het eerste en tweede lid van artikel 255 van het Wetboek van Strafvordering, waaruit blijkt dat een betekende kennisgeving van niet verdere vervolging in de weg staat aan het opnieuw in rechte betrekken van verdachte terzake van hetzelfde feit, tenzij nieuwe bezwaren bekend geworden zijn), terwijl anderzijds een analyse nodig is van de aard, omvang en gevolgen van de «besmetverklaring» als zodanig. Daarbij wordt niet gedoeld op de vraag of de «besmetverklaring» geïsoleerd, dus afgezien van de kennisgevingen van niet verdere vervolging, een onherroepelijke beslissing is. Die vraag is namelijk reeds ontkennend beantwoord. Wel wordt gedoeld op de bruikbaarheid van het materiaal: mag dit materiaal op grond van de Wet Politieregisters en van het Wetboek van Strafvordering (nog) als wettig bewijsmiddel worden gebruikt.

Voor twee deelonderzoeken (het XTC-traject en de moord op Van der Heiden) is het deelonderzoek naar de kennisgevingen van niet verdere vervolging van eminent belang. Dit deelonderzoek zal daarom zo tijdig worden afgerond dat in het bijzonder die beide deelonderzoeken conform de daarvoor geldende planning kunnen worden voortgezet.

1.4.6. Slotopmerking

Zowel voor de coördinerend officier van justitie als voor de coördinerend CID-officier van justitie geldt dat zij zich hebben moeten inlezen en nog steeds inlezen in aanzienlijke hoeveelheden dossiers. Tevens wordt van hen verwacht dat zij zich uitvoeriger dan thans het geval is geweest zullen verstaan met de officieren van justitie die in het verleden werkzaamheden in het post-FORT-traject hebben verricht en met de officieren van justitie die thans werkzaamheden in het post-Fort traject verrichten en die in beginsel officieren van justitie zijn die verbonden zijn aan het Landelijk Parket.

1.5. Formele aspecten

De positie van de deelonderzoeken is evident; deze onderzoeken worden verricht met inachtneming van het Wetboek van Strafvordering en alle overige regelgeving. Bestaande toetsingsstructuren (in het bijzonder de lijn Centrale Toetsingscommissie (CTC)-College) blijven voor de deelonderzoeken normaal gehandhaafd.

1.5.1. Gezagslijnen binnen het Openbaar Ministerie en informatie- vergaring binnen het coördinatieonderzoek

De functies coördinerend officieren van justitie en coördinerend CID-officieren van justitie zijn niet gebaseerd op de wet. Zij hebben derhalve geen extra bevoegdheden dan de bevoegdheden die iedere officier van justitie en CID-officier van justitie kan ontlenen aan de wet.

Wel is er een bijzondere gezagsrelatie. De coördinerend officieren van justitie verrichten hun werkzaamheden immers niet onder gezag van de hoofdofficier van justitie, maar rechtstreeks onder het gezag van het College van procureurs-generaal, waarbij twee procureurs-generaal, te weten mr D.W. Steenhuis en mr T. van Daalen als direct aanspreekpunt fungeren.

Uitgangspunt is dat de coördinerend officier van justitie noch de coördinerend CID-officier van justitie als zaaksofficier optreden. Omdat, zoals hierna (onder 4.2) wordt uiteengezet, het Landelijk Rechercheteam een centrale rol krijgt bij de diverse deelonderzoeken zullen in beginsel zaaksofficieren van het Landelijk Parket, dat strafvorderlijk bezien het gezag heeft over het Landelijk Rechercheteam, met de deelonderzoeken belast zijn. Overigens betekent dit niet dat met het materiaal dat in het verleden verzameld is en met de kennis van de officieren van justitie die in het verleden werkzaamheden in het post-FORT-traject hebben verricht niets gedaan wordt. Al het verzameld materiaal wordt op verzoek overgedragen aan de coördinerend officieren van justitie en voorzover de «oude» officieren van justitie niet meer actief betrokken zijn of worden bij de deelonderzoeken, zijn of worden zij gesprekspartners/adviseurs van de coördinerend officieren van justitie.

Ook ten aanzien van de zaaksofficieren van justitie en CID-officieren van justitie die bij een deelonderzoek betrokken zijn, is er een bijzondere gezagsrelatie. In deze onderzoeken dragen de betreffende hoofdofficier van justitie en recherche-officier van justitie hun gebruikelijke gezagsrelatie met de zaaksofficier van justitie en CID-officier van justitie over aan de coördinerend officier van justitie respectievelijk coördinerend CID-officier van justitie. Niettemin dient er een nauwe afstemming te zijn tussen de betrokken hoofdofficier van justitie en de coördinerend officieren van justitie.

Over de vervanging van reeds werkzame zaaksofficieren en over de aanwijzing van zaaksofficieren voor nieuw op te starten deelonderzoeken beslist het College. Het College kan en zal zich in deze aangelegenheden laten adviseren door de beide coördinerend officieren van justitie.

De coördinerend officier van justitie en de coördinerend CID-officier van justitie dienen de beschikking te krijgen over al het CID-materiaal dat relevant is voor het coördinatieonderzoek.

Indien zich dergelijke informatie bevindt bij een regionale criminele inlichtingendienst dragen de betreffende hoofdofficier van justitie en de recherche-officier van het plaatselijk bevoegde arrondissementsparket hun gebruikelijke gezagsrelatie met de plaatselijk bevoegde CID-officier van justitie over aan de coördinerend CID-officier van justitie. Dit laatste houdt in elk geval in dat voor het onderzoek relevante CID-informatie onvoorwaardelijk wordt overgedragen aan de coördinerend CID-officier van justitie. Met betrekking tot de overdracht van informanten verwijs ik naar mijn brief van 31 augustus 1999, waarin expliciet is vastgelegd dat ook voor het onderzoek relevante bronnen worden overgedragen. Ook in dit geval dient er een nauwe afstemming te zijn tussen de betrokken hoofdofficier van justitie en de coördinerend CID-officier van justitie.

De criminele inlichtingendienst van het Landelijk Rechercheteam heeft het primaat met betrekking tot het onderzoeken en het analyseren van alle voor het onderzoek relevante CID-informatie. Hieronder wordt bijvoorbeeld verstaan: gespreksverslagen van oude en nieuwe informanten, zogenaamde 4x4-formulieren, journaals, het IRT-materiaal en het Fort-materiaal (beheerd door de Minister van Justitie), e.d.. Indien nodig en mogelijk zullen ook de geheime dossiers van de commissie Wieringa (beheerd door de Minister van Justitie) en van de PEC opgevraagd worden. In verband met deze centrale taak van de CID van het Landelijk Rechercheteam ten aanzien van de voor de deelonderzoeken relevante CID-informatie, is het uit een oogpunt van doelmatigheid noodzakelijk dat de coördinerend CID-officier een directe gezagsrelatie tot de chef CID van het LRT heeft en in die zin de CID-officier van het Landelijk Parket vervangt. Dit geldt uiteraard alleen voor zover het gaat om te nemen beslissingen binnen de deelonderzoeken van het coördinatieonderzoek. Hier geldt dat in zoverre de hoofdofficier van justitie en de rechercheofficier van justitie hun gebruikelijke verantwoordelijkheden overdragen aan de coördinerend CID-officier van justitie. Ook hier dient nauwe afstemming plaats te vinden tussen enerzijds de hoofdofficier van justitie van het Landelijk Parket en anderzijds de coördinerend CID-officier van justitie. Ook vindt, voor zover noodzakelijk, overleg en afstemming plaats tussen coördinerend CID-officier van justitie en de CID-officier van justitie van het Landelijk Parket.

In verband met het feit dat deze gezagsstructuur afwijkt van de gebruikelijke structuur, is het noodzakelijk dat deelonderzoeken als zodanig worden benoemd. Mochten onderzoeken hun status van deelonderzoek van het coördinatieonderzoek verliezen, dan geschiedt zulks bij afzonderlijke beslissing van het College. Het deelonderzoek kan dan hetzij in zijn geheel worden stopgezet, hetzij worden voortgezet als een gebruikelijk onderzoek met de gebruikelijke gezagsstructuur.

Het College beslist, op advies van de coördinerend officier van justitie en/of de coördinerend CID-officier van justitie, over de vraag of een onderzoek al dan niet de status van deelonderzoek van het coördinatieonderzoek kan krijgen of behouden. Leidend bij dergelijke beslissingen (en adviezen) is de mate waarin het deelonderzoek geacht kan worden (nog langer) bij te dragen aan de verwezenlijking van de onderzoeksdoelen. Centraal daarbij is dat de onderzoeksdoelen, zoals hiervoor gemeld (onder 2) een min of meer gezamenlijke oorsprong kennen, welke oorsprong gelegen is in de onderzoeken van de PEC en van de TCEO. Voorts kan, zoals eerder opgemerkt (onder 2.1), de rode draad die door het coördinatieonderzoek loopt, gevat worden onder een noemer die in het ergste geval «corruptie» heet en in het minst erge geval «minder fortuinlijk overheidsoptreden». Als in een onderzoek noch bedoelde oorsprong noch bedoelde rode draad terug te vinden is, dan behoort het geen deel (meer) uit te maken van het coördinerend strafrechtelijk onderzoek.

De werkzaamheden van de coördinerend officier van justitie kunnen naar de stand van zaken op dit moment worden onderverdeeld in enerzijds de eigenlijke coördinatiewerkzaamheden (aansturen en/of initiëren en/of beëindigen van de diverse deelonderzoeken) en anderzijds werkzaamheden die (eventueel) als opsporingshandelingen kunnen worden aangemerkt. Bij de laatste categorie van werkzaamheden moet in het bijzonder worden gedacht aan het maken van dossieranalyses en het voeren van bepaalde gesprekken met bepaalde personen. Dossieranalyses kunnen in de categorie van opsporingshandelingen vallen als zij vervaardigd worden met de bedoeling ze later als processtuk te laten fungeren. Bepaalde gesprekken kunnen in de categorie van opsporingshandelingen vallen als zij veeleer te kwalificeren zijn als verhoren dan als neutrale gesprekken. De coördinerend officier gaat zonder uitdrukkelijke toestemming van het een procureur-generaal geen gesprek aan met een (gewezen) overheidsfunctionaris van wie evident is dat hij een verdachte dan wel een potentiële verdachte is.

Eventuele verschillen van mening zullen binnen deze gezagsstructuur worden opgelost. Zonodig kan het College bijzondere aanwijzingen als bedoeld in artikel 130, vierde lid van de Wet op de rechterlijke organisatie geven.

1.5.2. Coördinatie op politieniveau

Voor de uitvoering van het coördinatieonderzoek is het van eminent belang dat er niet alleen op het niveau van het Openbaar Ministerie, maar ook op politieniveau sprake is van, in de eerste plaats, concentratie van informatie en kennis en, in de tweede plaats, coördinatie van hetgeen met die informatie en kennis gedaan wordt. In concreto betekent dit dat aan het Landelijk Rechercheteam van het Korps Landelijke Politiediensten een centrale rol toekomt bij de uitvoering van de deelonderzoeken van het coördinatieonderzoek. Hetgeen hierboven reeds werd geschreven voor de CID van het LRT («De criminele inlichtingendienst van het Landelijk Rechercheteam heeft het primaat met betrekking tot het onderzoeken en analyseren van alle voor het onderzoek relevante CID-informatie») geldt derhalve voor het LRT als geheel. Dit betekent niet dat, indien belangrijke expertise zich elders bevindt (bijvoorbeeld bij andere kernteams, bij regiokorpsen of bij de CRI), aan deze expertise voorbij zal worden gegaan. Vanzelfsprekend zal evenmin de specifieke expertise van de Rijksrecherche uit het oog verloren worden. Zeker nu aan de coördinerend officieren van justitie mede is opgedragen een onderzoek te doen naar door overheidsambtenaren gepleegde strafbare feiten en naar met parallelimporten samenhangende corruptie, ligt participatie van de Rijksrecherche in de rede. De toekenning aan het LRT van de zojuist genoemde «centrale rol» ligt voor de hand, gelet op de taakstelling van het LRT en de uit die taakstelling reeds voortgevloeide bemoeienis van LRT met één of meer deelonderzoeken van het coördinatieonderzoek.

1.5.3. Schriftelijke vastlegging

In de brief van 31 augustus 1999 aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal heb ik u het volgende bericht: «Het is uitdrukkelijk mijn wens (en die van het College) dat de beide officieren aan de hand van een controleerbare analyse zichtbaar maken welke sporen en/of geruchten zich lenen voor verder strafrechtelijk onderzoek en voor welke dat niet geldt omdat de beschikbare informatie te summier of te onbetrouwbaar is, of onrechtmatig verkregen». Het College heeft de coördinerend officieren van justitie laten weten dat het er methodisch buitengewoon belang aan hecht dat de stap voor stap genomen besluiten berusten op een transparante en evenwichtige motivering, die is onderbouwd aan de hand van een controleerbare analyse van het beschikbare onderzoeksmateriaal. De beide coördinerend officieren van justitie zullen deze wensen tot leidraad nemen. Dit betekent in elk geval dat zij zo veel mogelijk hun werkzaamheden schriftelijk vastleggen in journaals, memoranda, gespreksverslagen en telefoonnotities. De zojuist bedoelde controleerbaarheid strekt er primair toe dat het College en ikzelf de door de coördinerend officieren van justitie genomen beslissingen kunnen toetsen.

1.6. Afsluiting

Door de aanstelling van een coördinerend officier van justitie en een coördinerend CID-officier van justitie, die meer dan voorheen de verschillende deelonderzoeken zullen coördineren, zullen aansturen en met elkaar in verband zullen brengen (ook op detailniveau, waar voor hun beider aanstelling vooral werd afgestemd op hoofdlijnen) en door de bijzondere gezagsstructuur met rechtstreekse aansturing van het College, heeft het onderzoek een extra impuls gekregen die bevordert dat de onderzoeksdoelen eerder bereikt zullen worden.

Daarnaast wordt ten aanzien van het tot dusverre in het post-FORT-traject verzamelde bewijsmateriaal, dat ook zal moeten dienen tot bewijsmateriaal in de deelonderzoeken, nagegaan hoe dit bewijsmateriaal tot stand gekomen is.

Voorts kunnen in het coördinatieonderzoek zaken aan het licht komen die een nieuw, nog niet benoemd, deelonderzoek, rechtvaardigen.

In zoverre is er sprake van een verdieping, verbreding en uitbouw van de onderzoeken die tot dusverre hebben plaatsgehad.

2. Stand van zaken inventariserend onderzoek

In het onderstaande zal aan de hand van een overzicht van de stand van zaken ook ingegaan worden op de door de Vaste Commissie voor Justitie gestelde vragen 19 tot en met 21. Ook zal antwoord worden gegeven op de door de Vaste Commissie voor Financiën op 14 oktober aan de staatssecretaris van Financiën en mijzelf gestelde vragen.

In mijn brief van 31 augustus gaf ik aan dat er onder verantwoordelijkheid van de departementen van Financiën en Justitie een inventarisatie zou moeten worden gemaakt van de bijzondere risico's die de positie van Nederland als distributieland met zich meebrengt voor de invoer van (hoog) criminele goederen. Het gaat hier dus niet om een verkennend onderzoek zoals wij dat kennen uit de wet Bijzondere Opsporings Bevoegdheden. Een dergelijk verkennend onderzoek dient immers om te onderzoeken of er een strafrechtelijk onderzoek gestart kan cq moet worden. Bij dit inventariserend onderzoek is dat niet aan de orde. Het onderzoek richt zich immers niet op personen maar op processen en structuren.

In goed overleg met mijn ambtgenoot van Financiën is de opzet en bemensing van het inventariserend onderzoek inmiddels vrijwel afgerond.

De verantwoordelijkheid van beide departementen wordt vorm gegeven door het op hoog ambtelijk niveau benoemen van een voorzitter en vice-voorzitter aan de Stuurgroep Inventariserend Onderzoek. Het secretariaat van deze stuurgroep berust bij het ministerie van Financiën. De stuurgroep zal het onderzoek coördineren en aansturen. In de stuurgroep wordt voorts geparticipeerd door ambtenaren van de meest betrokken directies van beide departementen alsmede door medewerkers van de divisie Douane, van het Openbaar Ministerie en van de politie. Ook zal voorzien worden in deelname vanuit de wetenschappelijke sector in de stuurgroep.

Op deze wijze menen mijn ambtgenoot van Financiën en ik een goed evenwicht te hebben gevonden tussen beleidsmatige kennis en expertise enerzijds en praktijkkennis en expertise uit het veld.

Het is de bedoeling dat de stuurgroep zich op een aantal onderdelen laat adviseren door externe deskundigen. De gedachten gaan hierbij in ieder geval uit naar wetenschappelijke expertise op het gebied van de vervoerseconomie, aan expertise vanuit de (forensische) accountancy en eventueel aan expertise vanuit de vervoersbranche zelf.

Hierover zijn inmiddels oriënterende besprekingen gevoerd met een aantal betrokkenen. De Stuurgroep is inmiddels gestart met zijn werkzaamheden en heeft zich georiënteerd op een eerste onderzoeksopzet.

Als uitgangspunten ter afbakening van de inventarisatie worden gehanteerd:

– De inventarisatie beperkt zich tot de bestudering van fenomenen en processen en richt zich niet op personen of op concrete gevallen

– Het maken van een schets van de bijzondere kenmerken van een transito- en distributieland als Nederland

– De positiebepaling van de douane bij de interventie in het logistieke proces;

– De duiding van bijzondere risico's

– Een inventarisatie van de bestaande maatregelen ter beperking van risico's (bijvoorbeeld risico-analyse, antecentenonderzoeken, integriteitsbevordering)

– Het formuleren van aanbevelingen tot verbetering van de risico beheersing

Het onderzoek richt zich, gelet op de in het kader van de rapportage van de commissie-Kalsbeek beschikbaar gekomen bevindingen met betrekking tot de zogenoemde parallelimporten, in eerste instantie op vervoer met containers via de zeehavens, op het gevaar van corruptie en op de illegale invoer van cocaine, wapens, springstoffen en andere hoog criminele goederen.

In dit onderzoek zal onder meer feitelijk inzicht moeten worden gegenereerd in de vraag of en zo ja hoe parallele importen kunnen hebben plaatsgevonden. Zoals hierboven is aangegeven zal ook de douane bij dit onderzoek betrokken zijn. Ik wijs er in dit verband op dat de commissie-Kalsbeek op blz. 196 van haar rapport stelt dat zij «is gestuit op documenten, bestaande uit verklaringen an analyses, waaruit blijkt dat er sprake is (geweest) van parallelimporten cocaine». De betrokken verklaringen en analyses zijn niet met de douane besproken aangezien zij deel uit maken van het in 1996 gestarte strafrechtelijk onderzoek inzake post-Fort. Zoals bekend had en heeft dit onderzoek (waarover ik eerder in deze brief uitgebreid sprak) onder meer tot doel om onderzoek te doen naar de parallel-importen in de periode 1991–1994 en daarna.

Het eerste deel van het inventariserend onderzoek zal vooral feitelijk van aard zijn. Met name gaat het er dan om inzicht te geven in de structuur van vervoersstromen en in de rol van de primair toezichthoudende overheidsinstanties en – voorzover van belang – van betrokkenen in het bedrijfsleven. Bij dit deel van het onderzoek zullen waarschijnlijk externen worden betrokken.

Vervolgens is het de bedoeling om risico's en zwakke plekken zoveel mogelijk in kaart te brengen inclusief risico's op het gebied van integriteit. Het is niet zo dat wij op voorhand zaken als risicofactor benoemen (bijv. de drugswetgeving of het strafsysteem). Niet geheel uit te sluiten is echter dat dergelijke factoren gaandeweg het onderzoek in beeld zullen kunnen komen maar een vooropgezet doel is dat allerminst. Ook in deze fase zal naar verwachting op onderdelen van externen gebruik worden gemaakt.

Tenslotte zal het onderzoek worden afgerond met het formuleren van praktische aanbevelingen om risico's weg te nemen dan wel te beperken.

Het streven is er op gericht om de Kamer in het tweede kwartaal van het jaar 2000 over de uitkomsten van het inventariserend onderzoek te informeren.

3. Stand van zaken evaluatieonderzoek

In mijn brief van 31 augustus jl. heb ik naast een strafrechtelijk onderzoek en een inventariserend onderzoek een procesevaluatie aangekondigd van het post-Fort onderzoek. Behalve dat een dergelijke evaluatie meer inzicht kan verschaffen in de wijze waarop de opsporing in het post-Fort onderzoek gestalte heeft gekregen is de toegevoegde waarde van dit onderzoek naar mijn mening ook gelegen in het feit dat het leermomenten kan opleveren voor toekomstige opsporingsonderzoeken. In het onderstaande wordt de stand van zaken tot op dit moment beschreven. In deze stand van zaken zijn tevens de antwoorden verwerkt op de feitelijke vragen die de Vaste Commissie voor Justitie mij heeft gesteld over dit deel van het integraal onderzoek. Concreet gaat het om de vragen 22, 23, 24 en 28.

3.1. Uitvoerders

De evaluatie van het post-Fort onderzoek is opgedragen aan het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatie Centrum (WODC) van mijn ministerie. Zoals u bekend, verleent het WODC wetenschappelijke ondersteuning aan de justitiële beleidsontwikkeling en staat de onafhankelijkheid van het centrum bij het verrichten van wetenschappelijke activiteiten buiten kijf. Aan de onafhankelijkheid van de onderzoekers die voor de evaluatie van het post-Fort onderzoek zorg zullen dragen, hoeft derhalve niet te worden getwijfeld. Het onderzoek zal worden verricht op een nader te bepalen locatie, waarbij de noodzakelijke voorzieningen worden getroffen om de vertrouwelijkheid en veiligheid van de onderzoeksgegevens te waarborgen.

3.2. Wijze van uitvoering

De onderzoekers zullen in januari 2000 een begin maken met een haalbaarheidsonderzoek. Hierin worden de mogelijkheden tot het doen van onderzoek verkend en de beschikbare schriftelijke bronnen geïnventariseerd. Op basis van deze eerste analyse en verkennende gesprekken met een aantal sleutelfiguren zal het onderzoek worden afgebakend. Naar verwachting medio 2000 zal duidelijk zijn waarop het evaluatieonderzoek zich zal toespitsen.

Om interferentie met de lopende strafrechtelijke onderzoeken onder leiding van de coördinerende officieren van justitie te voorkomen verdient het overweging om ten aanzien van de procesevaluatie een scheiding aan te brengen tussen twee onderzoeksperioden. De eerste periode beslaat het tijdvak vanaf de totstandkoming van het Fort-onderzoek van de Rijksrecherche tot en met de publicatie van het rapport van de TCEO (ruwweg de periode 1996–1999). De tweede periode heeft betrekking op de opsporingsactiviteiten die momenteel aan de dag worden gelegd. Deze periode vangt aan bij de aanstelling van de twee coördinerende officieren van justitie en eindigt bij de sluiting van het laatste strafrechtelijke deelonderzoek dat valt onder de noemer «post-Fort». Naar mijn mening is het raadzaam dat de evaluatie zich in eerste instantie richt op het rechercheproces in de periode 1996–1999. Wellicht kan hierover afzonderlijk gerapporteerd worden. In een later stadium zouden dan de thans lopende en in de nabije toekomst te verrichten opsporingsactiviteiten kunnen worden geëvalueerd.

De evaluatie zal plaatsvinden aan de hand van de analyse van relevante documenten en het houden van interviews met sleutelfunctionarissen. Hierbij zal, zoals ik reeds eerder aankondigde in mijn brief van 31 augustus jl., gewerkt worden volgens de zogenaamde L.E.G.O.-systematiek1. Het door het WODC ontworpen L.E.G.O.-instrument is gefaseerd en modulair opgebouwd. Het grote voordeel van deze structuur is dat zowel op bepaalde elementen en beslismomenten de nadruk kan worden gelegd, als ook dat ex post een opsporingsonderzoek integraal aan een kritische toets kan worden onderworpen. Een modulaire opbouw maakt het tevens mogelijk specifieke functionarissen te betrekken bij specifieke thema's.

In het kader van het post-Fort onderzoek zal in ieder geval aandacht moeten worden besteed aan de volgende fases:

– De aanleiding tot het onderzoek, het vooroverleg en het plan van aanpak

– Het verkennend onderzoek

– Het tactisch en financieel onderzoek

– De resultaten

Per fase zal aandacht worden besteed aan:

– De verrichte activiteiten

– De aansturing en het managen daarvan

– De eventuele externe druk die op het onderzoek heeft gerust

– De afwegingen die zijn gemaakt ten aanzien van de te nemen risico's

Het feit dat voor elementen als aansturing en externe druk ruimte is gereserveerd, impliceert dat in de WODC-evaluatie ook aandacht zal worden besteed aan de communicatie en de verantwoordelijkheidsverdelingen tussen (de top van) het ministerie van Justitie en het College van Procureurs-Generaal. Ik voeg hier aan toe dat de evaluatie zich niet uitsluitend richt op factoren die een optimaal resultaat mogelijk in de weg hebben gestaan, maar ook op de positieve ervaringen die in de recherchepraktijk zijn opgedaan. Het uitgangspunt van het evalueren van opsporingsonderzoek is immers dat de verschillende bij de opsporingspraktijk betrokken organisaties door middel van een terugblik lering kunnen trekken uit de activiteiten die zij hebben ontplooid.

Het L.E.G.O.-instrument is op ruime schaal verspreid binnen de opsporingsdiensten en het OM en is reeds verschillende malen gebruikt. Voorbeelden van dit gebruik zijn onder andere te vinden in de evaluatie van het 4M-onderzoek van het Kernteam Noord-oost Nederland, de evaluatie van twee fraudeonderzoeken in de regio Twente, vier zelfevaluaties van onderzoeken van de interregionale fraudeteams en de zelfevaluatie door het kernteam Zuid, in samenwerking met het parket 's-Hertogenbosch, van het zogenaamde «sneeuwbalonderzoek».

3.3. Toegankelijkheid van het onderzoeksmateriaal

Om de evaluatie te doen slagen is het noodzakelijk dat de onderzoekers de beschikking krijgen over alle informatie die in het kader van het post-Fort onderzoek verzameld is. Ik zal het College van procureurs-generaal en de ambtelijke top van mijn departement opdracht geven alle medewerking aan het onderzoek te verlenen en te garanderen dat de onderzoekers toegang krijgen tot alle onder het departement en het College ressorterende stukken die voor de evaluatie van belang zijn. Door middel van een brief aan mijn ambtsgenoten van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Financiën, Economische Zaken en Defensie beoog ik hetzelfde effect te bewerkstelligen ten aanzien van de diensten die onder hun beheer vallen.

3.4. Publicatie

De bevindingen van de procesevaluatie zullen openbaar worden gemaakt en aan uw Kamer ter beschikking worden gesteld. Ik houd om eerder genoemde redenen de mogelijkheid open van twee publicaties. De eindrapportage van het onderzoek zal, om interferentie met het lopende strafrechtelijke onderzoek te voorkomen, pas na afloop van het strafrechtelijke onderzoek worden gepubliceerd.

Teneinde de voortgang van het onderzoek te bewaken zal een kleine begeleidingscommissie worden ingesteld.

4. Afsluiting

Met het bovenstaande hoop ik u inzicht te hebben gegeven in de stand van zaken op de drie onderdelen van het integraal onderzoek. Vanzelfsprekend ben ik gaarne bereid om in mondeling overleg met u nadere toelichting te verschaffen. Gelet op mijn wens om voortvarend verder te kunnen gaan met het integraal onderzoek zou ik het op prijs stellen om nog dit kalenderjaar met u van gedachten te kunnen wisselen over de voorliggende voortgangsrapportage.

Voor een groot gedeelte zal dat naar mijn inschatting in het openbaar kunnen. Met name daar waar het om (delen van) het strafrechtelijk onderzoek gaat zal dat in mijn optiek echter in vertrouwelijk overleg moeten plaatsvinden.

De Minister van Justitie,

A. H. Korthals


XNoot
1

De afkorting L.E.G.O. staat voor «Leren door middel van het evalueren van grootschalige onderzoeken». Het instrument in kwestie is in 1997 door het WODC ontwikkeld en aan de opsporingspraktijk aangeboden ten behoeve van zelfevaluatie. Momenteel wordt binnen het WODC gewerkt aan een verbeterde versie van het instrument.

Naar boven