26 246
Modernisering van de rechterlijke organisatie

nr. 1
BRIEF VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 8 oktober 1998

De vaste commissie voor Justitie heeft in haar vergadering van 7 oktober 1998 besloten de Kamer voor te stellen om de modernisering van de rechterlijke organisatie, zulks naar aanleiding van het rapport van de commissie-Leemhuis (kamerstukken II, 1997–1998, 25 600 VI, nr. 41), als groot project aan te wijzen.

Conform artikel 2, eerste lid, van de Procedureregeling grote projecten (24 752, nr. 2) heeft de commissie voor de Rijksuitgaven een advies over dit voorstel uitgebracht (zie bijlage). Deze commissie heeft positief over de aanwijzing geadviseerd.

De vaste commissie voor Justitie verzoekt u, gelet op artikel 27, onderdeel g, en artikel 31 van het Reglement van Orde, te bevorderen dat de Kamer op korte termijn besluit tot aanwijzing van de modernisering van de rechterlijke organisatie (zittende magistratuur) als groot project.

De voorzitter van de commissie,

Van Heemst

De griffier van de commissie,

Pe

BIJLAGE:

Den Haag, 23 september 1998

Aan de voorzitter van de vaste commissie voor Justitie

Bij brief van 8 september 1998 heeft uw commissie de commissie voor de Rijksuitgaven om advies gevraagd over het aanwijzen van de modernisering van de rechterlijke organisatie (zittende magistratuur) als groot project. De commissie voor de Rijksuitgaven heeft hierover op 23 september 1998 beraadslaagd en steunt het voorstel van uw commissie om de Kamer voor te stellen de modernisering van de rechterlijke organisatie aan te wijzen als groot project.

De volgende overwegingen spelen daarbij een rol.

Volgens de procedureregeling grote projecten (24 752 nr. 2) moeten grote projecten in ieder geval aan de volgende criteria voldoen:

1. het gaat om een niet-routinematige en in de tijd begrensde activiteit;

2. het gaat om een activiteit waarvoor de staat alleen of grotendeels verantwoordelijkheid draagt;

3. er is sprake van een activiteit met substantiële financiële consequenties en/of aanmerkelijke uitvoeringsrisico's.

Daarnaast kunnen belangrijke gevolgen voor de samenleving of de rijksdienst, de toepassing van nieuwe technologieën of financieringsconstructies en de complexiteit van het besturings- en uitvoeringsproces een reden zijn voor aanwijzing van een project als groot project.

Aan het eerste criterium wordt zonder meer voldaan. Als concrete doelstellingen voor de modernisering van de rechterlijke organisatie worden geformuleerd, dan kan de modernisering als afgerond worden beschouwd op het moment dat die doelstellingen zijn gerealiseerd.

Daarnaast is de staat verantwoordelijk voor de facilitering van de rechterlijke organisatie. De financiële consequenties belopen (minimaal) 130 mln. structureel. Ook de complexiteit van het besturings- en uitvoeringsproces is in dit geval volgens de commissie voor de Rijksuitgaven van belang voor de aanwijzing als groot project. De combinatie van ministeriële verantwoordelijkheid voor de organisatie van de rechtspraak enerzijds en de onafhankelijkheid van de rechtspraak anderzijds maakt de besturing en de uitvoering er niet eenvoudiger op. Overigens vraagt deze combinatie om een goede afbakening van het groot project. Voor de besturing en de uitvoering is eveneens de relatie met de reorganisatie van het openbaar ministerie (ook een groot project) van belang. Tenslotte wordt in het rapport «Rechtspraak en Rechtshandhaving: maatschappelijke effecten van verbetering» een indicatie gegeven van het grote maatschappelijke belang van het opheffen van knelpunten bij de (toerusting van de) rechtspleging. Al met al is de commissie voor de Rijksuitgaven van mening dat dit voldoende argumenten zijn voor de aanwijzing van de modernisering van de rechterlijke organisatie als groot project.

De voorzitter van de commissie voor de Rijksuitgaven,

Van Walsem

Naar boven