Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum brief |
|---|---|---|---|---|
| Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1997-1998 | 26154 nr. 1;416 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum brief |
|---|---|---|---|---|
| Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1997-1998 | 26154 nr. 1;416 |
Aan de Voorzitters van de Eerste en van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
's-Gravenhage, 7 september 1998
Ter griffie van de Eerste en van de Tweede Kamer der Staten-Generaal ontvangen op 11 september 1998. De wens dat het verdrag aan de uitdrukkelijke goedkeuring van de Staten-Generaal wordt onderworpen kan door of namens één van de Kamers of door ten minste vijftien leden van de Eerste Kamer dan wel dertig leden van de Tweede Kamer te kennen worden gegeven uiterlijk op 11 oktober 1998.Overeenkomstig het bepaalde in artikel 2, eerste lid, en artikel 5, eerste lid, van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen, de Raad van State gehoord, heb ik de eer U hierbij ter stilzwijgende goedkeuring over te leggen het op 11 mei 1998 te Kiev tot stand gekomen Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en het Kabinet van Ministers van Oekraïne inzake technische en financiële samenwerking (Trb. 1998, 140)1.
Een toelichtende nota bij dit verdrag treft U eveneens hierbij aan.
De goedkeuring wordt alleen voor Nederland gevraagd.
Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt, omdat het zonder meer instemmend luidt (artikel 25a, vierde lid, onder b, van de Wet op de Raad van State).
Het verdrag heeft ten doel een juridisch raamwerk vast te stellen voor de uitvoering van door Nederland gesteunde projecten voor technische en financiële assistentie in Oekraïne. Het gaat daarbij in hoofdzaak om projecten ontwikkeld onder het Programma Samenwerking Oost-Europa (PSO). In voorkomende gevallen vallen ook projecten in het kader van het Programma Maatschappelijke Transformatie (MATRA) en transporten van humanitaire goederen onder het verdrag. Verder kunnen onder meer ook door Nederland medegefinancierde projecten van multilaterale instellingen onder het verdrag vallen. De kern van het verdrag is de bepaling inzake belastingvrijstelling voor materialen en apparatuur die in het kader van de projecten in Oekraïne worden geïmporteerd.
De noodzaak van een verdrag is van Oekraïense zijde naar voren gebracht. De Oekraïense regering wenst zonder een internationaalrechtelijke basis niet langer af te wijken van de geldende invoerbepalingen in het land. Van 1992 tot en met 1997 verleende de Oekraïense regering belastingvrijstelling op basis van het op 30 oktober 1992 te Kiev tot stand gekomen Memorandum of Understanding inzake het PSO tussen het Nederlandse Ministerie van Economische Zaken en het Oekraïense coördinerende agentschap voor technische assistentie. Op 2 december 1997 is een intentieverklaring met betrekking tot de bevordering van een spoedige totstandkoming van een verdrag inzake technische en financiële samenwerking getekend door de Nederlandse Staatssecretaris van Economische Zaken en de Oekraïnse minister voor technische assistentie. Het ontbreken van een grondslag voor de belastingvrijstelling kan de voortgang van de PSO-projecten ernstig belemmeren. Om deze reden is de totstandkoming van dit verdrag van groot belang en is het wenselijk dat het verdrag vooruitlopend op de inwerkingtreding ervan voorlopig wordt toegepast vanaf de datum van ondertekening.
De Oekraïense regering (volgens de Oekraïense Grondwet: het Kabinet van Ministers) wenste het verdrag te sluiten met de Nederlandse regering, aangezien een verdrag tussen Oekraïne en het Koninkrijk der Nederlanden aan Oekraïense zijde een uitgebreide en langdurige goedkeuringsprocedure zou impliceren. Gezien het spoedeisende belang voor Nederland bij de totstandkoming van dit verdrag is de Nederlandse regering aan de Oekraïense wens tegemoet gekomen. Het verdrag zal uiteraard tussen beide landen gelden.
Het verdrag zal uit zijn aard, wat het Koninkrijk betreft, alleen voor Nederland gelden.
Artikel 1 schetst de doelstellingen van het verdrag. Deze komen overeen met de doelstellingen van het PSO en MATRA, te weten de ondersteuning van het transitieproces naar een marktgerichte economie en een pluriforme samenleving, alsmede de bevordering van samenwerking tussen Nederlandse en Oekraïense ondernemingen en instellingen. Het verdrag beoogt verder een juridisch kader voor de samenwerking te scheppen teneinde een voorspoedig verloop van de programma's en projecten te bevorderen. Het verdrag voorziet niet in een verplichting tot hulpverlening door Nederland.
Artikel 2 geeft de reikwijdte van het verdrag aan. Niet alleen projecten en programma's overeengekomen tussen de bevoegde autoriteiten aan beide zijden vallen onder het verdrag (onderdeel a), maar ook projecten en programma's die worden uitgevoerd in samenwerking met derden (onderdeel d). Met het laatste wordt onder meer bedoeld de co-financiering van multilaterale projecthulp uitgevoerd door internationale financiële instellingen zoals de Wereldbank en de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling. In onderdeel b is bepaald dat als de verdragsluitende partijen dit wensen ook projecten van particuliere organisaties onder de werking van het verdrag vallen. Het gaat daarbij om projecten in het kader van MATRA en voor humanitaire hulpverlening. Jaarlijks zal een lijst worden overeengekomen met projecten die onder de reikwijdte van het verdrag zullen vallen.
Artikel 3 bevat een opsomming van de vormen van hulp. Het onderscheid tussen technische bijstand en financiële bijstand zal in de praktijk minder scherp zijn dan dit artikel lijkt te veronderstellen. Op dit moment is er namelijk bij projecten doorgaans sprake van een gemengde vorm waarin technische en financiële en materiële hulp samengaan. Voorts is humanitaire hulp uitdrukkelijk genoemd, omdat in het verleden sprake is geweest van problemen rond belastingvrije invoer van goederen in het kader van humanitaire hulpprojecten. In 3.7 en 3.8 zijn de bevoegde autoriteiten aangewezen die bij de uitvoering van het verdrag betrokken zijn.
In artikel 4 is de vrijstelling van belastingen en heffingen geregeld ten aanzien van door Nederland gefinancierde diensten en goederen in het kader van een onder het verdrag vallend project of programma. Douanerechten vallen buiten de vrijstelling; deze zullen door de ontvangende Oekraïense partij moeten worden opgebracht. Deze kosten zijn evenwel beperkt en bedragen op dit moment 0,15 % van de waarde van de ingevoerde goederen. Tijdens de onderhandelingen bleek het niet mogelijk de douanerechten aan een maximumpercentage te binden. De Oekraïense regering heeft echter wel aangetoond dat de douanerechten de afgelopen jaren slechts minimaal zijn verhoogd. Het derde lid, waarin is bepaald dat projectmanagementeenheden kunnen worden ingesteld voor betalingsprocedures in verband met projecten, is op verzoek van de Oekraïne vanwege zijn nationale regelgeving opgenomen. Bij PSO-projecten zal slechts in beperkte mate gebruik worden gemaakt van deze bepaling aangezien de financiële huishouding van die projecten doorgaans geheel vanuit Nederland wordt gevoerd.
Artikel 5 is op Oekraïens verzoek opgenomen. De Oekraïense regering streeft ernaar om corruptie op alle niveaus van de samenleving uit te bannen. Met deze bepaling stemt de Nederlandse regering van harte in. De bepaling kan bij een voorkomende gelegenheid dienen als titel om een project te staken.
De in artikel 6 genoemde registratieprocedure is reeds enkele jaren van kracht voor PSO-projecten en het artikel bevestigt dus de huidige situatie. De registratieprocedure is slechts van administratieve aard. Deze wordt thans reeds gevolgd bij het PSO en leidt doorgaans niet tot grote vertraging bij de aanvang van een project. De Nederlandse ambassade te Kiev is aanspreekpunt in geval van voorkomende problemen als gevolg van de uitvoering van dit artikel.
De in artikel 7 geregelde voorlopige toepassing van het verdrag is noodzakelijk vanwege het belang zo snel mogelijk belastingvrijstelling voor Nederlandse projecten te kunnen garanderen.
De Staatssecretaris van Economische Zaken,
G. Ybema
De Minister van Buitenlandse Zaken,
J. J. van Aartsen
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-26154-1.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.