26 122
Srebrenica

nr. 14
BRIEF VAN DE MINISTER VAN DEFENSIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 16 juli 1999

In mijn brief van 13 juli jl. (26 122, nr. 13), waarmee ik U ter vertrouwelijke kennisneming vier door de Militaire Inlichtingen Dienst (MID) opgestelde gespreksverslagen over vermeend rechtsextremistisch gedrag aanbood, heb ik U laten weten dat de Koninklijke landmacht de opdracht had gekregen na het onlangs bekend worden van het bestaan van deze MID-gespreksverslagen, na te gaan of deze gespreksverslagen bij de landmacht bekend waren en, zo ja, of dat aanleiding heeft gegeven tot maatregelen.

Ik kan U heden daarover het volgende mededelen. Met uitzondering van een op lager niveau geplaatste KL-functionaris, is niemand van de Landmachtstaf destijds op de hoogte gesteld van het feit dat de MID met de gesprekken in 1996 begon. Er zijn aan de toenmalige en huidige bevelhebber nimmer mededelingen gedaan over deze MID-activiteit, die overigens ook niet heeft geresulteerd in een afrondende MID-rapportage. Het hoofd van de voormalige afdeling Inlichtingen & Veiligheid van de Directie Operatiën KL, die in februari 1996 aantrad (de maand waarin de MID met de gesprekken begon), is eveneens niet op de hoogte gesteld van het feit dat de MID deze gesprekken voerde en er vervolgens verslagen van had gemaakt.

De Minister van Defensie,

F. H. G. de Grave

Naar boven