25 972
Wijziging van de Wet milieubeheer, de Wet rampen en zware ongevallen en de Arbeidsomstandighedenwet ter uitvoering van de EG-richtlijn betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken (Seveso II)

nr. 3
MEMORIE VAN TOELICHTING

Inleiding

Op 3 februari 1997 is in werking getreden richtlijn nr. 96/82/EG van de Raad van de Europese Unie van 9 december 1996, betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken (PbEG 1997, L 10), hierna te noemen: de richtlijn). Deze richtlijn wordt In het spraakgebruik ook aangeduid als Seveso II-richtlijn. Deze richtlijn dient ter vervanging van de zogeheten Seveso-richtlijn (richtlijn nr. 82/501/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 24 juni 1982 inzake de risico's van zware ongevallen bij bepaalde industriële activiteiten, PbEG L 230, zoals deze laatstelijk is gewijzigd bij richtlijn nr. 91/692/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 23 december 1991 (PbEG L 377). Op grond van artikel 23, eerste lid, van de richtlijn wordt richtlijn 82/501/EEG 24 maanden na de inwerkingtreding van deze richtlijn ingetrokken. Dat is tevens het tijdstip waarop aan de richtlijn door de lid-staten uitvoering moet zijn gegeven.

Evenals de Seveso-richtlijn heeft de huidige richtlijn tot onderwerp de preventie van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn en de beperking van de gevolgen daarvan voor mens en milieu. De richtlijn is van toepassing op inrichtingen waarin gevaarlijke stoffen in bepaalde hoeveelheden aanwezig zijn of kunnen zijn. De richtlijn is niet van toepassing op: militaire inrichtingen; inrichtingen die stralingsgevaar veroorzaken; vervoer van gevaarlijke stoffen en de tijdelijke opslag daarvan tijdens het vervoer, een en ander voor zover dit vervoer buiten de onder de richtlijn vallende inrichtingen plaats vindt; vervoer van gevaarlijke stoffen door pijpleidingen; mijnbouwinrichtingen alsmede stortplaatsen voor afval. De hiervoor genoemde uitsluitingen zullen in het nader te noemen Besluit risico's zware ongevallen worden opgenomen.

Voor wat betreft de zojuist genoemde vervoersgebonden activiteiten – men denke hierbij aan de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen op zelfstandige spoorwegemplacementen en bij stuwadoorsbedrijven – is het voornemen separaat van de implementatieregelgeving en na overleg met de betrokken bedrijfstak een specifieke op de kenmerken van de betrokken bedrijfstak toegesneden regeling voor te bereiden waarmee een ten opzichte van de richtlijn gelijkwaardig beschermingsniveau wordt gewaarborgd.

De richtlijn is gebaseerd op artikel 130 S, eerste lid, van het EG-Verdrag, in welk artikel als beginsel van het milieubeleid is opgenomen het behoud en de bescherming van de kwaliteit van het milieu en de bescherming van de mens door preventief handelen. Behalve op de preventieve bescherming van mens en milieu buiten de betrokken inrichtingen (externe veiligheid) heeft de richtlijn evenals haar voorgangster tevens betrekking op de preventieve bescherming van werknemers (interne veiligheid) alsmede op de voorlichting over mogelijke zware ongevallen aan de bevolking en op de (voorbereiding op de) bestrijding daarvan.

De Seveso-richtlijn – tot stand gebracht naar aanleiding van het ongeval met een procesinstallatie in het Italiaanse dorp Seveso, waarbij een deel van het grondgebied langdurig verontreinigd werd door dioxine – kan worden gezien als een eerste stap op het gebied van de beheersing van risico's en ongevallen ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen in de chemische procesindustrie en in opslagbedrijven.

Het doel van de onderhavige richtlijn is, voortbordurend op hetgeen onder invloed van de Seveso-richtlijn in de lid-staten tot stand is gekomen, op een doelmatige wijze hoge niveaus van bescherming binnen de lid-staten te waarborgen.

Wijzigingen ten opzichte van de Seveso-richtlijn

Hieronder zal in het kort worden geschetst in welke opzichten de nieuwe richtlijn verschilt van de Seveso-richtlijn.

De Seveso-richtlijn voorzag in een aantal elementaire verplichtingen voor zowel de fabrikant als de overheid.

In de eerste plaats verplichtte de Seveso-richtlijn de fabrikant om alles in het werk te stellen om zware ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan voor mens en milieu te beperken.

Naast deze algemene zorgplicht voorzag de richtlijn in een plicht tot kennisgeving van de fabrikant aan de bevoegde instanties. In deze kennisgeving moesten inlichtingen worden gegeven ter zake van de aard en de hoeveelheid van de bij de industriële activiteit betrokken gevaarlijke stoffen en processen, de genomen preventieve maatregelen en noodmaatregelen. De overheid diende vervolgens de lokale bevolking voor te lichten over de veiligheidsmaatregelen en de te volgen gedragslijn bij een ongeval.

De in de kennisgeving vervatte informatie had zowel betrekking op de externe veiligheid als op de interne veiligheid als op de voorbereiding van de rampenbestrijding. Vandaar dat de aan de kennisgeving ten grondslag liggende informatieplicht is neergelegd in drie wettelijke regelingen: de Arbeidsomstandighedenwet en het Besluit verplichtstelling arbeidsveiligheidsrapport; het op de Wet milieubeheer gebaseerde Besluit risico's zware ongevallen (rapport inzake de externe veiligheid) en de Rampenwet, waarvan de citeertitel recent is gewijzigd in Wet rampen en zware ongevallen.

De hierboven genoemde elementen – algemene zorgplicht, het verschaffen van inlichtingen aan het bevoegde gezag (in de vorm van een veiligheidsrapport), voorlichting aan de bevolking en voorbereiding op de bestrijding van zware ongevallen – vormen tevens de kern van de nieuwe richtlijn.

Ter aanvulling van het regime van de Seveso-richtlijn en in het licht van de ervaringen die na 1982 in de lid-staten zijn opgedaan met de beheersing van risico's en ongevallen, voorziet de richtlijn in een aantal nieuwe elementen. Deze elementen betreffen:

1. Verruiming van de reikwijdte van de richtlijn en vereenvoudiging van de criteria voor het aanwijzen van inrichtingen waarop de richtlijn van toepassing is.

Onder de Seveso-richtlijn vielen enerzijds de op een lijst voorkomende industriële installaties (bijlage I bij die richtlijn) en anderzijds opslagbedrijven. Door dit systeem werden niet alle risicovolle inrichtingen onder de werking van de richtlijn gebracht.

In de aanwijssystematiek van de nieuwe richtlijn wordt niet gewerkt met een positieve lijst van inrichtingen. De richtlijn is van toepassing op ieder bedrijf waarin gevaarlijke stoffen in zodanige hoeveelheden aanwezig zijn dat er een risico van een zwaar ongeval ontstaat.

De richtlijn bevat ter afbakening van de kring van betrokken bedrijven een lijst van met name genoemde stoffen (bijlage I, deel 1) en een lijst van tot een gevaarscategorie behorende stoffen (bijlage I, deel 2) waarbij per stof of gevaarscategorie drempelhoeveelheden zijn aangegeven. De lijst van met name genoemde stoffen is ten opzichte van de in de Seveso-richtlijn gehanteerde lijst sterk ingekort; een aantal stoffen is thans ondergebracht in de lijst met in een gevaarscategorie ingedeelde stoffen en preparaten, terwijl aan de lijst met gevaarscategorieën enkele categorieën gevaarlijke stoffen zijn toegevoegd. Overschrijding van een van de bij de betrokken stof of categorie van stoffen aangegeven drempels brengt mee dat het betrokken bedrijf onder de verplichtingen van de richtlijn valt. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen twee typen inrichtingen: inrichtingen waarvan de exploitant aan algemene verplichtingen moet voldoen (onder andere de algemene zorgplicht en de verplichting tot het voeren van een preventiebeleid voor zware ongevallen (PBZO)), en inrichtingen waarvan de exploitant daarenboven een veiligheidsrapport moet indienen bij het bevoegde gezag.

Volgens de Seveso-richtlijn golden de algemene verplichtingen voor de exploitant van een industriële activiteit, waarbij zeer toxische, toxische, ontvlambare of ontplofbare stoffen zijn betrokken, niet zijnde de afzonderlijke opslag van gevaarlijke stoffen, zonder dat daarvoor een drempelhoeveelheid overschreden behoefde te worden.

In het systeem van de nieuwe richtlijn ontstaan verplichtingen voor de inrichtinghouder eerst bij overschrijding van de drempelhoeveelheid. Als gevolg van het nieuwe aanwijssysteem vallen thans plus minus 130 bedrijven onder de verplichting om een veiligheidsrapport in te dienen (was in 1995: 116). De algemene verplichtingen van de richtlijn – algemene zorgplicht; indiening kennisgeving met essentiële gegevens inzake aard en hoeveelheid van aanwezige gevaarlijke stoffen; opstellen PBZO-document; uitwisselen van informatie met buurbedrijven indien er sprake is van mogelijke domino-effecten – zijn van toepassing op ongeveer 150 extra bedrijven.

2. De verplichting voor de exploitant om een document op te stellen waarin zijn beleid ter preventie van zware ongevallen wordt vastgelegd en om te zorgen voor de correcte uitvoering van dat beleid door middel van passende maatregelen, structuren en beheerssystemen.

3. Voorschriften voor exploitant en overheid teneinde zogenaamde domino-effecten te voorkomen. Op grond van gegevens van de exploitant van een onder de richtlijn vallende inrichting wijst het bevoegde gezag de bedrijven aan die door hun ligging de kans op of de gevolgen van een zwaar ongeval vergroten. De betrokken exploitanten dienen gegevens uit te wisselen om in hun beleid rekening te kunnen houden met de invloed van het door hen veroorzaakte risico op de risico's van naburige bedrijven.

4. De verplichting voor de overheid om minimumvoorschriften in acht te nemen bij het opstellen van externe noodplannen ter bestrijding van zware ongevallen buiten inrichtingen waarin gevaarlijke stoffen aanwezig zijn in hoeveelheden gelijk aan of groter dan de hoogste drempelwaarden genoemd in bijlage I van de nieuwe richtlijn.

5. De verplichting om bij de voorbereiding en de vaststelling van plannen in het kader van de ruimtelijke ordening inzicht te hebben in en rekening te houden met de risico's die door reeds aanwezige of door de vestiging van nieuwe inrichtingen worden veroorzaakt ten einde voldoende afstand te creëren tussen risicovolle en risicogevoelige functies. Voor bestaande situaties waarin het aanhouden van veiligheidsafstanden niet (voldoende) mogelijk is, geldt dat volstaan kan worden met aanvullende technische maatregelen aan de risicobron.

6. De verplichting voor de lid-staten om voldoende gegevens te verstrekken aan lid-staten die kunnen worden getroffen door de grensoverschrijdende gevolgen van een zwaar ongeval in inrichtingen waarin de hoogste drempelhoeveelheden genoemd in bijlage I van de nieuwe richtlijn worden overschreden.

7. De verplichting tot actieve openbaarmaking van het veiligheidsrapport, behoudens de mogelijkheid om bepaalde gegevens wegens het vertrouwelijke karakter daarvan uit te zonderen.

8. Een doelmatiger tenuitvoerlegging van de richtlijn door de bevoegde instanties door voorschriften met betrekking tot het inspectieregime. Inspecties moeten aan bepaalde voorwaarden met betrekking tot het doel, de frequentie, de rapportage en follow- up voldoen.

9. De verplichting voor de exploitant en de overheid om interne onderscheidenlijk externe noodplannen regelmatig te testen en zonodig te herzien.

Wijze van implementatie

Ter uitvoering van de richtlijn dient een aantal wetten en besluiten te worden gewijzigd en een aantal nieuwe besluiten te worden gemaakt. Het betreft de Wet milieubeheer, de Arbeidsomstandighedenwet en de Wet rampen en zware ongevallen alsmede het op deze wetten gebaseerde Besluit risico's zware ongevallen, het op de Arbeidsomstandighedenwet gebaseerde Arbeidsomstandighedenbesluit, het op de Wet rampen en zware ongevallen gebaseerde Besluit informatie inzake rampen en zware ongevallen en de op artikel 7, derde lid, van de Wet rampen en zware ongevallen gebaseerde algemene maatregel van bestuur. Om deze reden kan er geen sprake zijn van implementatie bij ministeriële regeling, zoals bedoeld in artikel 21.6, zesde lid, van de Wet milieubeheer.

Hoewel de richtlijn daartoe wel de ruimte biedt, bevat de implementatieregelgeving geen verdergaande, nationale maatregelen en komt deze derhalve inhoudelijk overeen met de richtlijn, met dien verstande dat bestaande nationale regels voorzover deze uitgaan boven datgene waartoe de richtlijn verplicht, in stand blijven.

De implementatie van het grootste gedeelte van de richtlijn zal via een nieuw Besluit risico's zware ongevallen en daarop gebaseerde ministeriële regels zijn beslag krijgen. Dit nieuwe besluit zal worden gebaseerd op de drie zojuist genoemde wetten. Naast de hierboven onder punt 1, 2, 3, 6, 8 en 9 (dit laatste punt uitsluitend voorzover het betreft de interne noodplannen) genoemde elementen zal de stroomlijning van het vroegere arbeidsveiligheidsrapport (AVR) en externe-veiligheidsrapport (EVR) tot één, in voorkomende gevallen in fasen ingediend, veiligheidsrapport een belangrijk aspect van het nieuwe besluit zijn. Voor bundeling van de bestaande rapporten tot één veiligheidsrapport is gekozen omdat ook de richtlijn de indiening van één rapport veronderstelt. De richtlijn laat toe dat verschillende veiligheidsrapporten, delen daarvan of rapporten die krachtens andere wetgeving worden opgesteld tot één rapport worden gecombineerd, maar alleen indien daarmee onnodige overlappende informatie en dubbel werk wordt voorkomen (artikel 9, tweede lid, van de richtlijn). Juist op dit punt bestond kritiek op het vroegere AVR en EVR.

Het voornemen bestaat om het bevoegde gezag krachtens de Wet milieubeheer in het hier bedoelde besluit aan te wijzen als het bestuursorgaan dat het veiligheidsrapport ontvangt en dat zorg draagt voor toezending aan de andere betrokken bestuursorganen. Het hier bedoelde gezag zou dan vervolgens de conclusies van deze bestuursorganen betreffende het onderzoek van het veiligheidsrapport meedelen aan degene die de inrichting drijft.

Voor wat betreft het inspectieregime zal in het besluit de verplichting worden opgenomen dat de betrokken bevoegde instanties een systematisch inspectieprogramma opzetten. In de toelichting bij het besluit zal voorts worden uiteengezet op welke wijze door middel van samenwerking, afstemming en gezamenlijke inspecties aan een effectiever toezicht kan worden bijgedragen, een en ander met behoud van de verschillende wettelijke verantwoordelijkheden van de betrokken instanties.

Het ligt in de bedoeling om de uitwerking van de inhoud van de verschillende verplichtingen uit het besluit, met name op het gebied van het PBZO-document en het veiligheidsrapport, bij ministeriële regeling te doen plaatsvinden. Deze regeling zal door de drie betrokken bewindslieden, van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van Binnenlandse Zaken en van VROM, worden vastgesteld. De voor deze uitwerking noodzakelijke delegatiebevoegdheid wordt nu in de drie wettelijke regelingen opgenomen.

Voor wat betreft de hierboven onder 4, 7 en 9 (externe noodplannen) genoemde punten wordt verwezen naar de desbetreffende wetswijziging. Voor punt 4 is dit artikel 2c van de Wet rampen en zware ongevallen, voor punt 7 is dit artikel 5a, eerste en tweede lid, van de Arbeidsomstandighedenwet en voor punt 9 is dit artikel 5, eerste lid, onderdeel c en d, van de Arbeidsomstandighedenwet. Overwogen wordt punt 5 vorm te geven door middel van een besluit op grond van hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer.

Op grond van artikel 13, vierde lid, van de richtlijn moet het veiligheidsrapport ter beschikking van het publiek worden gesteld. Het onderhavige wetsvoorstel beperkt zich wat het veiligheidsrapport betreft tot het implementeren van de voorschriften ter zake van de gronden waarop een veiligheidsrapport door het bevoegde gezag vertrouwelijk kan worden gehouden.

Daarnaast schept dit wetsvoorstel de grondslag voor de uit de richtlijn voortvloeiende verplichtingen voor de werkgever voor zover deze betrekking hebben op de interne veiligheid (bescherming van de werknemers). Bedoelde verplichtingen zullen hoofdzakelijk in het nieuwe Besluit risico's zware ongevallen worden neergelegd. Verder zal in het Arbeidsomstandighedenbesluit worden voorzien in een regeling voor bedrijven die niet onder de reikwijdte van de richtlijn vallen, maar die thans wel AVR-plichtig zijn.

De Vereniging van Nederlandse Gemeenten, en het Interprovinciaal Overleg zijn betrokken bij het overleg over de wijze waarop uitvoering gaat worden gegeven aan de uit de richtlijn voortvloeiende verplichtingen tot gegevensverstrekking aan de overheid.

Openbaarheid

Artikel 13 van de richtlijn verplicht tot het actief openbaarmaken van het veiligheidsrapport, terwijl in artikel 20 de passieve openbaarmaking wordt geregeld. Artikel 20 heeft betrekking op alle gegevens die op grond van de richtlijn aan de daartoe door de lid-staten aangewezen bevoegde instantie zijn verstrekt. De wijze waarop deze bepalingen in de nationale wetgeving zijn geïmplementeerd, is voor de drie betrokken wetten niet geheel gelijk. Dit vloeit voort uit de verschillen die thans al voor de betrokken wetten gelden.

In artikel 19.3 van de Wet milieubeheer zijn reeds bepalingen omtrent het actief openbaarmaken opgenomen. Naast de daar reeds genoemde gronden om gegevens vertrouwelijk te behandelen, eist de richtlijn ook de mogelijkheid om persoonlijke gegevens op verzoek vertrouwelijk te behandelen. Er is voor gekozen deze grond niet met zoveel woorden aan artikel 19.3 toe te voegen, maar in de Wet milieubeheer de mogelijkheid te scheppen om ter uitvoering van internationale verplichtingen bij algemene maatregel van bestuur gegevens aan te wijzen, die ook vertrouwelijk kunnen worden behandeld. Hiermee wordt bereikt dat de mogelijkheid van het vertrouwelijk houden van persoonlijke gegevens uitdrukkelijk beperkt wordt tot de in de richtlijn bedoelde situaties. Op deze wijze wordt zoveel mogelijk recht gedaan aan de door deze wet nagestreefde openbaarheid van milieu-informatie.

De passieve openbaarheid is voor wat betreft milieu-informatie niet alleen geregeld in artikel 20 van de richtlijn, doch al eerder in artikel 3, tweede lid, van Richtlijn nr. 90/313/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 7 juni 1990 inzake vrije toegang tot milieu-informatie. De in artikel 20 opgenomen uitzonderingsgronden komen inhoudelijk overeen met de gronden genoemd in artikel 3 van die richtlijn. Aan artikel 3, tweede lid, van genoemde richtlijn, en daarmee aan artikel 20 van de onderhavige richtlijn, wordt voorzover het milieu-informatie betreft, uitvoering gegeven door een geringe aanpassing van artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur (WOB) (kamerstukken II, 1995/96, 24 613).

Artikel 20 van de richtlijn geeft derhalve voorzover het de passieve openbaarheid betreft geen aanleiding hoofdstuk 19 van de Wet milieubeheer te wijzigen. De Wet rampen en zware ongevallen evenals de Arbeidsomstandighedenwet kennen daarentegen nog geen bepalingen terzake van de openbaarmaking. Bij beide wetten is in nieuwe artikelen, een op de systematiek van de WOB en deels van de WOB afwijkende regeling terzake van de actieve en passieve openbaarheid opgenomen. Derhalve geldt materieel voor de drie betrokken wetten in beginsel een zelfde regime met betrekking tot de openbaarmaking van gegevens op grond van de richtlijn.

Transponeringstabel

Bij deze toelichting is een transponeringstabel gevoegd, waarin is aangegeven in welke wetsartikelen de verschillende bepalingen uit de richtlijn zijn verwerkt.

ARTIKELEN

ARTIKEL I WET MILIEUBEHEER

Artikel 13, vierde lid, van de richtlijn verplicht tot het actief openbaar maken van het veiligheidsrapport dat de exploitant van een inrichting waarin gevaarlijke stoffen in bepaalde hoeveelheden aanwezig zijn of kunnen zijn, moet indienen bij de daartoe aangewezen bevoegde autoriteit.

Het artikel geeft daarbij ook een opsomming van de gevallen waarin bepaalde delen van het rapport vertrouwelijk kunnen worden gehouden. Het gaat hier om het vertrouwelijke karakter van industriële, commerciële en persoonlijke gegevens, de veiligheid van de Staat, het voorkomen van sabotage of de nationale defensie.

Artikel 19.3 van de Wet milieubeheer voorziet reeds expliciet in de mogelijkheid om in de meeste hierboven bedoelde gevallen gegevens op verzoek van de belanghebbende geheim te houden en in plaats van de volledige tekst, een tweede, beperkte, tekst openbaar te maken. De in dit artikel opgenomen omschrijving is weliswaar woordelijk niet gelijk aan die van artikel 13, vierde lid, van de richtlijn, inhoudelijk zijn de gronden wel gelijk. Artikel 18.3 van de Wet milieubeheer voorziet alleen niet in de door de richtlijn toegelaten mogelijkheid om persoonlijke gegevens vertrouwelijk te behandelen. In deze mogelijkheid wordt thans voorzien doordat aan het eerste lid een volzin wordt toegevoegd waarin de mogelijkheid wordt geschapen om bij algemene maatregelen van bestuur uitzonderingsgronden op te nemen ter uitvoering van internationale verplichtingen. In het nieuwe Besluit risico's zware ongevallen zal op grond van deze wetswijziging worden bepaald dat ter uitwerking van de aanwijzingsbevoegdheid genoemd in artikel 19.3 van de Wet milieubeheer ook persoonlijke gegevens, op verzoek van degene die de inrichting drijft, vertrouwelijk kunnen worden gehouden. Aangenomen mag worden dat door deze beperkte wetswijziging in de praktijk weinig zal wijzigen.

Artikel 19.3 van de Wet milieubeheer heeft betrekking op gegevens die voorkomen in of die kunnen worden afgeleid uit een stuk waarvan de wet of afdeling 3.5 of 3.6 van de Algemene wet bestuursrecht de verplichting tot openbaarmaking inhoudt. Hieronder vallen derhalve gegevens uit het veiligheidsrapport, voor zover dat deel uitmaakt van de bescheiden die op grond van artikel 5.15 en 5.17 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer bij de aanvraag om een vergunning (oprichtingsonderscheidenlijk uitbrekings- en/of wijzigingsvergunning) moeten worden gevoegd, indien de aanvraag betrekking heeft op een inrichting waarop paragraaf 3 van het Besluit risico's zware ongevallen van toepassing is.

Naast de indiening van een veiligheidsrapport in het kader van de vergunningaanvraag verplicht het Besluit risico's zware ongevallen de houders van bepaalde inrichtingen om periodiek, dat wil zeggen éénmaal per vijf jaar, derhalve los van een aanvraag om vergunning, een veiligheidsrapport in te dienen bij het bevoegde gezag. Ter uitvoering van de richtlijn wordt het bevoegde gezag in het nieuwe Besluit risico's zware ongevallen verplicht een zodanig veiligheidsrapport (actief) openbaar te maken. Voor deze gevallen dienen dezelfde gronden voor geheimhouding te gelden als die welke gelden voor milieu-informatie die op grond van de Algemene wet bestuursrecht openbaar worden gemaakt.

Het eerste lid van artikel 19.3 van de Wet milieubeheer is daarom uitgebreid tot gegevens die voorkomen in of die kunnen worden afgeleid uit een stuk dat op grond van een algemene maatregel van bestuur krachtens de Wet milieubeheer moet worden openbaar gemaakt.

Naast de specifieke regeling met betrekking tot de openbaarheid van het veiligheidsrapport in het reeds genoemde artikel 13, vierde lid, van de richtlijn, draagt artikel 20 van de richtlijn de lid-staten op de bevoegde autoriteiten te verplichten om de uit hoofde van de richtlijn verkregen inlichtingen ter beschikking te stellen aan alle natuurlijke of rechtspersonen die daarom verzoeken. Het betreft hier derhalve passieve openbaarheid.

In dit artikel is voorts bepaald, voor zover de nationale bepalingen daarin voorzien, onder welke omstandigheden de door de bevoegde autoriteiten en de Commissie ontvangen inlichtingen vertrouwelijk mogen worden gehouden.

ARTIKEL II WET RAMPEN EN ZWARE ONGEVALLEN

Met betrekking tot de voorbereiding van de rampenbestrijding bepaalt de richtlijn in hoofdlijnen het volgende. Ten behoeve van de bestrijding van zware ongevallen in bepaalde, de meer gevaarlijke, categorieën richtingen – dit zijn de inrichtingen waarin gevaarlijke stoffen aanwezig zijn die de in bijlage I bij de richtlijn, derde kolom, aangegeven hoeveelheden te boven gaan – moeten de bevoegde autoriteiten een extern noodplan voor de buiten de inrichting te nemen maatregelen opstellen. De exploitanten van deze inrichtingen moeten aan de bevoegde autoriteiten de voor het opstellen van dit noodplan noodzakelijke gegevens verstrekken. Indien de gegevens niet worden verstrekt, kunnen de bevoegde autoriteiten de inbedrijfstelling of exploitatie doen staken. De richtlijn noemt de onderwerpen die in het noodplan aan de orde moeten komen. De bevolking dient over dit noodplan te worden geraadpleegd. Ten aanzien van deze categorieën inrichtingen moeten de autoriteiten de bevolking ambtshalve en periodiek informeren over de bij een ongeval te treffen veiligheidsmaatregelen en te volgen gedragslijn. De richtlijn noemt de onderwerpen waarover de bevolking in ieder geval moet worden geïnformeerd. Zo nodig worden ook andere lid-staten geïnformeerd. Heeft zich een zwaar ongeval voorgedaan, dan moet de exploitant de overheid zo spoedig mogelijk inlichten en nadien andere relevante informatie verstrekken.

De Wet rampen en zware ongevallen en het Besluit informatie inzake rampen en zware ongevallen kennen reeds een aantal bepalingen die ook onderwerp van de richtlijn zijn. Deels is dit het gevolg van het feit dat de huidige wet en het huidige besluit mede tot doel hadden om richtlijn 82/501/EEG te implementeren. De bepalingen van de nieuwe richtlijn die reeds volledig zijn geïmplementeerd en de desbetreffende wet- en regelgeving kunnen hierna buiten beschouwing blijven. In het hierna volgende wordt uiteengezet tot welke nieuwe wet- en regelgeving de richtlijn noopt. Ook bij de implementatie van de nieuwe richtlijnbepalingen is de bestaande systematiek van de Wet rampen en zware ongevallen gevolgd. Dit betekent dat de algemene verplichtingen in de wet worden neergelegd en dat de nadere eisen die betrekking hebben op specifieke situaties onderwerp zijn van een algemene maatregel van bestuur.

Evenals de Wet rampen en zware ongevallen kent de richtlijn waar het gaat om de voorbereiding van de bestrijding van rampen en zware ongevallen een belangrijke rol toe aan de planvorming. De richtlijn kent het begrip extern noodplan. Dit plan komt in onze wetgeving niet voor. Het externe noodplan is een combinatie van het rampenplan en het rampbestrijdingsplan. De specifieke eisen die de richtlijn stelt aan het externe noodplan hebben nagenoeg uitsluitend betrekking op het rampbestrijdingsplan. Derhalve wordt verder in deze toelichting alleen gesproken over het rampbestrijdingsplan en worden de specifieke eisen ten aanzien van het externe noodplan geïmplementeerd door de nadere eisen ten aanzien van het rampbestrijdingsplan.

A

Zoals in de inleiding reeds is uiteengezet ziet de richtlijn op het voorkomen van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken, en op het beperken van de gevolgen daarvan voor mens en milieu. In de richtlijn is ernstig gevaar voor de mens en/of het milieu een belangrijk element in de definitie van zwaar ongeval. Dit gegeven noopt ertoe dat in de wetgeving met betrekking tot de rampenbestrijding ook dit element wordt opgenomen. Tot dusver ontbreekt in de definitie van ramp of zwaar ongeval in de Wet rampen en zware ongevallen nog het element van ernstig gevaar voor het milieu. Daarom wordt nu aan deze definitie het element van ernstige bedreiging van het milieu toegevoegd. In het nieuwe Besluit risico's zware ongevallen wordt de in de richtlijn gegeven definitie van zwaar ongeval opgenomen. Het zware ongeval als in dat besluit gedefinieerd is te beschouwen als een deelbegrip van het in de Wet rampen en zware ongevallen opgenomen begrip ramp of zwaar ongeval.

B

De Wet rampen en zware ongevallen kent thans geen bepaling die verplicht tot het geven van informatie ten behoeve van de planvorming of de voorbereiding van de rampenbestrijding in het algemeen. Dit vindt zijn reden vooral hierin dat de noodzaak van een dergelijke bepaling niet algemeen wordt gevoeld. Veelal bestaat – zij het formeel gezien dus ten onrechte – de veronderstelling dat bedrijven reeds verplicht zijn aan de gemeente de gegevens te leveren die zij nodig heeft om een rampenplan en een rampbestrijdingsplan vast te stellen. Wel bevat het huidige artikel 2c de verplichting voor een ieder die over relevante veiligheidstechnische gegevens beschikt om aan burgemeester en wethouders de informatie te geven die zij nodig hebben om onder meer de bevolking te informeren over rampen en zware ongevallen die zich mogelijk kunnen voordoen, de maatregelen die zijn getroffen ter voorkoming en bestrijding daarvan en de alsdan te volgen gedragslijn. Deze verplichting is echter onvoldoende in het licht van de richtlijnbepaling die de exploitant van een inrichting welke tot de meer gevaarlijke categorieën behoort, verplicht om aan de overheid gegevens met het oog op het opstellen van een rampbestrijdingsplan te verstrekken. Daarom wordt in het gewijzigde eerste lid van artikel 2c de verplichting tot gegevensverstrekking verruimd tot alle gegevens die nodig zijn in het kader van de voorbereiding van de rampenbestrijding. Deze gegevens moeten indien nodig aan drie bestuursorganen worden verstrekt. Deze bestuursorganen hebben immers taken op het gebied van deze voorbereiding. De voorbereiding van de vaststelling door de gemeenteraad van het rampenplan en eventueel van de nadere uitwerking of wijziging daarvan, alsmede de voorbereiding van de bestrijding in het algemeen, zijn in beginsel een taak van burgemeester en wethouders. De burgemeester moet in voorkomend geval een rampbestrijdingsplan vaststellen. De regionale brandweer heeft ingevolge de Brandweerwet 1985 taken op het terrein van de bestrijding van rampen en zware ongevallen en de voorbereiding daarvan. In dit verband gaat het in het bijzonder om het voorbereiden van de coördinatie van de bestrijding, het voorbereiden van de organisatie voor het optreden van de brandweer in buitengewone omstandigheden en het regelen van de operationele leiding bij de bestrijding. Daarom moet ook het bestuur van de regionale brandweer de gegevens krijgen die zij in dat kader nodig heeft.

De in het tweede lid aan burgemeester en wethouders gegeven bevoegdheid om te bevelen dat een krachtens artikel 7, derde lid, aangewezen inrichting niet in bedrijf wordt gesteld indien degene die de inrichting gaat drijven niet aan zijn verplichting tot informatieverstrekking heeft voldaan, vindt haar grond in de Seveso- II richtlijn. Ingevolge artikel 17, eerste lid, tweede volzin, van de richtlijn kunnen de exploitatie of de inbedrijfstelling van een inrichting worden verboden, indien de exploitant de krachtens de richtlijn verlangde gegevens niet binnen de daarvoor gestelde termijn heeft ingediend. Ingevolge artikel 2 van de Wet rampen en zware ongevallen zijn burgemeester en wethouders belast met de voorbereiding op de bestrijding van rampen en zware ongevallen in het algemeen. Hiermee is in overeenstemming dat de bevoegdheid om een niet-inbedrijfstelling van een nieuwe inrichting te bevelen aan dit college wordt gegeven. Het oordeel van dit college is in een concreet geval doorslaggevend bij de beoordeling of aan de informatieverplichting zoals deze in het nieuwe Besluit risico's zware ongevallen zal worden uitgewerkt, is voldaan. Onverminderd hetgeen in de Algemene wet bestuursrecht over de voorbereiding van besluiten is bepaald, zullen burgemeester en wethouders alvorens een niet-inbedrijfstelling te bevelen overleggen met andere bestuursorganen. Zij zullen ook overleggen met het orgaan dat bevoegd is een vergunning krachtens de Wet milieubeheer te verlenen, dit in verband met de nauwe relatie tussen de rampenbestrijding, de voorbereiding daarop en de externe veiligheid. In dit overleg zal aan de orde kunnen komen welke gegevens in het kader van de voorbereiding op de bestrijding van rampen en zware ongevallen ten aanzien van de betrokken inrichting relevant zijn en in hoeverre deze relevante gegevens wel of niet zijn verstrekt. In het nieuwe Besluit risico's zware ongevallen wordt aangegeven welke gegevens degene die de inrichting drijft of gaat drijven door middel van het veiligheidsrapport moet verstrekken.

Voor bestaande krachtens artikel 7, derde lid, aangewezen inrichtingen is de bevoegdheid tot stilleggen bij het niet verstrekken van informatie geregeld in artikel 25c.

Het derde lid van artikel 2c is de delegatiegrondslag voor de nadere regels omtrent informatieverschaffing. Op dat artikel wordt het nieuwe Besluit risico's zware ongevallen gebaseerd, voor zover het de gegevensverstrekking met het oog op de voorbereiding van de rampenbestrijding betreft. Met dit nieuwe besluit worden de richtlijnbepalingen geïmplementeerd die zien op het verschaffen van gegevens door de exploitanten van de onder de werking van de richtlijn vallende categorieën inrichtingen. De gegevens die betrekking hebben op de voorbereiding van de rampenbestrijding zullen veelal deel uitmaken van het veiligheidsrapport. Dit door de richtlijn vereiste rapport geeft een beschrijving van de risico's van de inrichting en van de maatregelen om die risico's te beperken. Dit rapport zal ook gegevens bevatten die ingevolge de richtlijn moeten worden verstrekt met het oog op het maken van het rampbestrijdingsplan. Een groot deel van de gegevens van het rapport zal zowel het ene als het andere doel dienen. Zo wordt voorkomen dat dezelfde gegevens meerdere keren moeten worden overgelegd.

Zaken waaraan in het veiligheidsrapport aandacht moet worden besteed die mede betrekking hebben op de voorbereiding van de bestrijding van rampen en zware ongevallen zijn onder meer zones die door een zwaar ongeval kunnen worden getroffen, een gedetailleerde beschrijving van de scenario's voor mogelijke zware ongevallen, een beoordeling van de omvang en ernst van de gevolgen van zware ongevallen en een risico-analyse.

In het vierde lid van artikel 2c zijn gegevens waarvan de geheimhouding door het belang van de veiligheid van de staat is geboden, van de verplichting tot gegevensverstrekking uitgezonderd. Het huidige artikel 2c kent ook reeds een dergelijke bepaling. Zo zijn bij voorbeeld militaire autoriteiten niet gehouden het gemeentebestuur of het bestuur van de regionale brandweer gegevens te verschaffen waarop met het oog op het belang van de veiligheid van de staat een geheimhoudingsplicht rust. Van gegevens waarop een dergelijke geheimhoudingsplicht rust moeten worden onderscheiden gegevens die wel behoren te worden verstrekt, doch een vertrouwelijk karakter hebben. De richtlijn voorziet in de mogelijkheid dat – binnen bepaalde kaders – vertrouwelijke gegevens die aan de overheid zijn verstrekt, vertrouwelijk worden gehouden. In dit verband zij gewezen op artikel 25a van dit wetsvoorstel. Voorts voorziet artikel 2.5 van de Algemene wet bestuursrecht in een geheimhoudingsplicht voor ambtenaren aan wie vertrouwelijke gegevens zijn verstrekt.

C

De richtlijn bepaalt in artikel 11 dat voor de meer gevaarlijke categorieën inrichtingen door de bevoegde autoriteiten een rampbestrijdingsplan voor de voornamelijk buiten de inrichting te nemen maatregelen moet worden opgesteld. De richtlijn somt in bijlage IV de gegevens op die het plan moet bevatten. De bevolking moet over het plan worden geraadpleegd. Het plan moet met passende tussenpozen van niet meer dan drie jaar door de autoriteiten opnieuw worden bezien, beproefd en zo nodig herzien en bijgewerkt. Daarbij dient rekening te worden gehouden met veranderingen die zich in de betrokken inrichting en bij de hulpverleningsdiensten hebben voorgedaan, met nieuwe technische kennis en met inzichten omtrent de bij zware ongevallen te nemen maatregelen.

De betrokken overheid kan in het licht van de gegevens van het velligheidsrapport gemotiveerd besluiten dat geen rampbestrijdingsplan behoeft te worden opgesteld.

In artikel 7, eerste lid, van de Wet rampen en zware ongevallen is reeds voorgeschreven dat de burgemeester voor elke ramp of zwaar ongeval waarvan plaats, aard en gevolgen voorzienbaar zijn een rampbestrijdingsplan vaststelt. In dat plan wordt het geheel van bij die ramp of dat zware ongeval te nemen maatregelen opgenomen. Het rampbestrijdingsplan is thans niet openbaar (artikel 7, eerste lid, tweede volzin). Deze niet-openbaarheid strookt niet met de richtlijn die impliciet uitgaat van openbaarheid van het rampbestrijdingsplan. De bevolking moet immers over dit plan worden geraadpleegd. Bovendien worden veel gegevens voor het rampbestrijdingsplan gehaald uit stukken (bv. het veiligheidsrapport) die ook openbaar zijn. Daarom is voorgesteld om de huidige niet-openbaarheid van het rampbestrijdingsplan te doen vervallen. Dat staat er niet aan in de weg dat uitzonderingen op de openbaarheid mogelijk zijn, onder meer waar het gaat om vertrouwelijke bedrijfsgegevens en het voorkómen van sabotage. Verwezen zij naar het nieuwe artikel 25a.

D

In overeenstemming met de systematiek van de wet geeft het bestaande eerste lid van artikel 7 de algemene verplichting voor de burgemeester om een rampbestrijdingsplan vast te stellen en creëert dit wetsvoorstel in het nieuwe derde lid de grondslag om bij algemene maatregel van bestuur nadere regels te stellen. Bij die algemene maatregel van bestuur wordt bepaald wanneer in ieder geval een plan moet worden gemaakt, worden regels gesteld over het raadplegen van de bevolking over dat plan alsmede over het periodiek beproeven en het actualiseren van dat plan.

Voor de goede orde wordt opgemerkt dat op grond van het derde lid van artikel 7 ook voor andere niet onder de richtiijn vallende inrichtingen of categorieën rampen en zware ongevallen een rampbestrijdingsplan kan worden voorgeschreven.

De richtlijn voorziet in de mogelijkheid dat de overheid in het licht van de gegevens van het veiligheidsrapport onder vermelding van de motieven besluit, dat geen plan behoeft te worden opgesteld. Deze bepaling wordt geïmplementeerd in het nieuwe vierde lid van artikel 7. Uiteraard zal de burgemeester, alvorens een dergelijk besluit te nemen, zich laten adviseren. Daarbij kan in het bijzonder ook aan de regionale brandweer worden gedacht. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gegeven over de bekendmaking van een dergelijk besluit.

E

Ingevolge artikel 13, vierde lid, van de richtlijn dient het veiligheidsrapport door de bevoegde autoriteiten ter beschikking van het publiek te worden gesteld. Hier geldt dus de eis van actieve openbaarheid. Daarbij wordt de mogelijkheid geboden om bepaalde delen van het rapport om een aantal genoemde redenen niet openbaar te maken. Voorts verplicht artikel 20 van de richtlijn de bevoegde autoriteiten om alle op grond van de richtlijn verkregen inlichtingen ter beschikking te stellen van alle natuurlijke of rechtspersonen die daarom verzoeken (passieve openbaarheid). Er worden zeven redenen genoemd op grond waarvan de bevoegde autoriteiten de door hen ontvangen inlichtingen vertrouwelijk kunnen houden indien de nationale bepalingen daarin voorzien.

Het voorgestelde artikel 25a verplicht in het eerste lid burgemeester en wethouders om de krachtens artikel 2c verschafte informatie ten behoeve van de vaststelling van de in artikel 7, derde lid, bedoelde rampbestrijdingsplannen (in feite dus de gegevens van het veiligheidsrapport) ter beschikking van het publiek te stellen. Het tweede lid betreft de uitzondering hierop. De in artikel 10, eerste lid, van de WOB genoemde absolute uitzonderingsgronden kunnen onverminderd van toepassing blijven, terwijl de in het tweede lid genoemde relatieve uitzonderingsgronden dienen te worden aangepast. Het derde, vierde en vijfde lid hebben betrekking op de uitzonderingen op de passieve openbaarheid waar het de overige aan de overheid verstrekte gegevens betreft. Ook hier is zo nauwkeurig mogelijk aangesloten bij de WOB en is alleen van de WOB afgeweken waar de richtlijn dit voor de bestrijding van rampen en zware ongevallen noodzakelijk maakt.

Artikel 18 van de richtlijn schrijft voor dat de lid-staten ervoor zorgen dat de bevoegde autoriteiten een inspectiesysteem of andere op het soort betrokken inrichting afgestemde controlemaatregelen opzetten. Met deze inspecties moet onder meer kunnen worden nagegaan of de gegevens, vervat in het veiligheidsrapport of in een ander ingediend rapport, de situatie in de inrichting goed weergeven. Voor de inrichtingen dient een inspectieprogramma te worden opgezet. Tenzij de bevoegde autoriteit op grond van een systematische evaluatie van de gevaren van zware ongevallen bij een bepaalde inrichting een inspectieprogramma heeft vastgesteld, voert de bevoegde autoriteit in het kader van het programma ten minste één inspectie per jaar uit in iedere inrichting die behoort tot een van de categorieën meer gevaarlijke inrichtingen.

De richtlijn wordt op dit punt, waar het de voorbereiding op de bestrijding van rampen en zware ongevallen betreft, geïmplementeerd in het nieuwe artikel 25b. Dit artikel draagt burgemeester en wethouders op om ambtenaren aan te wijzen die belast zijn met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens artikel 2c bepaalde ten aanzien van krachtens artikel 7, derde lid, aangewezen inrichtingen. In aansluiting daarop geeft afdeling 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht nadere bepalingen inzake dit toezicht op de naleving. Voorts legt artikei 25b de grondslag voor het bij of krachtens algemene maatregel van bestuur geven van regels over dit toezicht. Het nieuwe Besluit risico's zware ongevallen zal een opdracht aan het ingevolge de Wet milieubeheer tot vergunningverlening bevoegde gezag bevatten om samen met onder meer het bestuur van de regionale brandweer een inspectieprogramma vast te stellen.

De derde tranche van de Algemene wet bestuursrecht, die op 1 januari 1998 in werking is getreden, geeft bepalingen over het toepassen van bestuursdwang en het opleggen van een dwangsom. Hoewel de door een inrichting over te leggen gegevens mede kunnen dienen ter vaststelling van een rampbestrijdingsplan door de burgemeester en voor de voorbereiding van de coördinatie van de bestrijding van rampen en zware ongevallen door de regionale brandweer dienen de gegevens ook de voorbereiding op die bestrijding in het algemeen. Deze voorbereiding is een taak van burgemeester en wethouders. Voorts moeten gegevens met het oog op het in het kader van de preparatie informeren van de bevolking aan burgemeester en wethouders te worden verstrekt. Ter voorkoming van misverstand over de vraag welk orgaan bevoegd is tot het uitoefenen van bestuursdwang, wordt in de nieuwe artikelen 2c, tweede lid en 25c uitdrukkelijk bepaald dat burgemeester en wethouders daartoe bevoegd zijn, althans ten aanzien van de krachtens artikel 7, derde lid, aangewezen categorieën inrichtingen. In genoemde artikelen is bepaald dat tot de bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang behoort het verbieden van de inbedrijfstelling van de inrichting, het stilleggen of gedeeltelijk buiten werking stellen of verzegelen van de inrichting dan wel het verzegelen of verwijderen van hetgeen zich in de inrichting bevindt. Deze in dit wetsvoorstel neergelegde bevoegdheid, indien door een aangewezen inrichting niet de vereiste gegevens met het oog op de voorbereiding van de rampenbestrijding zijn overgelegd, is vergaand. Zij vindt haar oorzaak in het feit dat onder omstandigheden het niet verstrekken van deze gegevens een doelmatige bestrijding te zeer in de weg kan staan.

F

In artikel 26 wordt handelen in strijd met onder meer artikel 2c, eerste lid, strafbaar gesteld voor zover dat handelen in de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 2c, tweede lid, is aangeduid als strafbaar feit. Omdat in dit wetsvoorstel het tweede lid van artikel 2c is vernummerd tot derde lid, moet de verwijzing in artikel 26 worden aangepast.

ARTIKEL III ARBEIDSOMSTANDIGHEDENWET

Zoals hiervoor is uiteengezet in het algemene deel van de memorie van toelichting, vindt de implementatie van de richtlljn voor een belangrijk deel plaats in een op de Wet milieubeheer, de Wet rampen en zware ongevallen en de Arbeidsomstandighedenwet gebaseerde algemene maatregel van bestuur, het nieuwe Besluit risico's zware ongevallen. Uiteraard dient de Arbeidsomstandighedenwet een adequate delegatiegrondslag te bevatten voor de punten die de arbeidsveiligheid betreffen en die bij of krachtens deze algemene maatregel van bestuur zullen worden geregeld. In artikel 5, eerste lid, wordt zo concreet en nauwkeurig mogelijk bepaald ten aanzien van welke onderwerpen regels worden gesteld. Bij de algemene maatregel van bestuur zal de systematiek van de richtlijn worden gevolgd op het punt van de integratie van de aspecten die betrekking hebben op milieubeheer, rampenbestrijding en arbeidsveiligheid. Ook hiervoor wordt verwezen naar het algemene deel van de memorie van toelichting. Een van de consequenties hiervan is dat er niet langer sprake zal zijn van het naast elkaar bestaan van een apart extern veiligheidsrapport op grond van de Wet milieubeheer en een apart arbeidsveiligheidsrapport op grond van de Arbeidsomstandighedenwet. Hieruit vloeit voort dat de vaststelling van de regels betreffende de inhoud van het (arbeids)veiligheidsrapport niet op het niveau van de wet in formele zin plaatsvindt, maar in de algemene maatregel van bestuur. Artikel 5 van de Arbeidsomstandighedenwet kan tegen die achtergrond aanzienlijk worden vereenvoudigd.

Ten aanzien van de bedrijven en inrichtingen die thans onder de reikwijdte van artikel 5 van de Arbeidsomstandighedenwet vallen, maar niet onder het toepassingsbereik van de richtlijn – en daarmee in de toekomst evenmin zullen vallen onder de werkingssfeer van het nieuwe Besluit risico's zware ongevallen – zal in het Arbeidsomstandighedenbesluit worden geregeld dat de noodzaak van een arbeidsveiligheidsrapport blijft bestaan. Op dit moment staat immers de tijdige implementatie van de richtlijn voorop.

Het voorgestelde artikel 5, eerste lid, biedt de ruimte om in het Arbeidsomstandighedenbesluit (dus in een «aparte», voornamelijk op de Arbeidsomstandighedenwet gebaseerde algemene maatregel van bestuur) vast te stellen ten aanzien van welke bedrijven en inrichtingen een arbeidsveiligheidsrapport noodzakelijk blijft en aan welke eisen het moet voldoen.

Artikel 5, eerste lid, zal derhalve zowel de grondslag bieden voor de algemene maatregel van bestuur ter implementatie van de richtlijn (het nieuwe Besluit risico's zware ongevallen), als voor het (in een andere algemene maatregel van bestuur, namelijk het Arbeidsomstandighedenbesluit) handhaven van de verplichting tot het opstellen van een arbeidsveiligheidsrapport voor die bedrijven en inrichtingen die niet onder de werkingssfeer van de richtlijn vallen, maar waarvoor thans wel de verplichting geldt om een arbeidsveiligheidsrapport te maken.

De bedoelde wijziging van het Arbeidsomstandighedenbesluit (die dus betrekking zal hebben op het handhaven van het nationale beleid op het gebled van de arbeidsveiligheid, voor zover dit de thans aan de orde zijnde implementatiewetgeving te boven gaat) zal deel uitmaken van hetzelfde wetgevingsproces als dat waarin de implementatie van de richtlijn bij algemene maatregel van bestuur plaatsvindt, en ook op hetzelfde tijdstip in werking treden.

Separaat zal de aldus in het Arbeidsomstandighedenbesluit neer te leggen regeling met betrekking tot het nationale beleid ten aanzien van het arbeidsveiligheidsrapport gewijzigd worden. Uitgangspunt hierbij is een vermindering van de administratieve lastendruk in samenhang met handhaving van het beschermingsniveau. Het betreft hier een uitsluitend nationale afweging. De afwegingen die gemaakt zullen worden met betrekking tot de voorbereiding van wetgeving op dit punt maken echter geen deel uit van de implementatie «sec» en zullen derhalve leiden tot een apart wetgevingstraject.

Voorts is in een nieuw artikel 5a voorzien in een regeling betreffende de openbaarmaking en geheimhouding van gegevens waarover de Arbeidsinspectie beschikt met betrekking tot de voorkoming en beheersing van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken. Deze regeling is op dezelfde leest geschoeid als die, zoals voorgesteld in artikel 25a van de Wet rampen en zware ongevallen.

A

Artikel 5, eerste lid, aanhef

De regels in de algemene maatregel van bestuur die de arbeidsveiligheid betreffen, komen naast en niet in plaats van de overige verplichtingen die in de Arbeidsomstandighedenwet aan de werkgever worden opgelegd. Met betrekking tot de reeds bestaande verplichtingen kan in het bijzonder worden gewezen op artikel 4 van de wet, waarin de werkgever ertoe wordt verplicht zijn beleid mede te richten op bescherming van de veiligheid en gezondheid van de werknemers. Verplichtingen die krachtens het voorgestelde artikel 5 worden opgelegd vormen deels dan ook verbijzonderingen van de verplichtingen die in het algemeen reeds ten aanzien van de (arbeids)veiligheid zijn vastgesteld.

Ook in de richtlijn wordt de verhouding tussen algemene en bijzondere voorschriften aldus geduid. Uit artikel 2, tweede lid van de richtlijn vloeit immers voort dat de zogenaamde kaderrichtlijn met betrekking tot de veiligheid en de gezondheid van de werknemers op het werk onverkort van toepassing is (richtlijn nr. 89/391/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 juni 1989 betreffende de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers op het werk, PbEG L 183).

Artikel 5, eerste lid, onder b

In artikel 5, vijfde lid, is thans bepaald welke personen desgevraagd kennis moeten kunnen nemen van het veillgheidsrapport. Dit zal op basis van onderdeel b worden bepaald in de algemene maatregel van bestuur.

Artikel 5, eerste lid, onder e

Met betrekking tot dit onderdeel kan worden opgemerkt dat (artikel 11, derde lid, van) de richtlijn weliswaar verplicht tot raadpleging van het personeel over het interne noodplan, maar geen vergelijkbare verplichting oplegt ten aanzien van het veiligheidsrapport. In het huidige artikel 5, zesde lid, van de wet is echter uitdrukkelijk bepaald dat over het arbeidsveiligheidsrapport en de wijziging daarvan vooraf overleg moet worden gepleegd met de ondernemingsraad. Omdat artikel 5 in de voorgestelde vorm niet langer spreekt over het arbeidsveiligheidrapport, kan het zesde lid niet in die vorm gehandhaafd worden. In de algemene maatregel van bestuur zal worden bepaald dat ten aanzien van de delen van het veiligheidsrapport die de arbeidsveiligheid betreffen, – en, voor zover nog nodig, over het interne noodplan – vooraf overleg met de ondernemingsraad wordt gevoerd; dit om te voorkomen dat de overleg-verplichting ook aspecten van het veiligheidsrapport zou gaan betreffen die ook thans niet aan de overleg-verplichting zijn onderworpen (bijvoorbeeld milieu-aspecten).

Tegelijk is er ter wille van de consistentie in voorzien, zoals dat ook op andere plaatsen in de Arbeidsomstandighedenwet is gebeurd, dat kan worden bepaald dat bij ontbreken van een ondernemingsraad wordt overlegd met de belanghebbende werknemers.

Wat betreft de verplichting uit de richtlijn om met betrekking tot het interne noodplan het personeel te raadplegen, is evident dat het interne noodplan in het veiligheidsrapport aan de orde moet komen.

Artikel 5, eerste lid, onder f

In artikel 17 van de richtlijn is bepaald dat onder bepaalde omstandigheden een exploitatieverbod moét, en in andere gevallen mág worden opgelegd. In artikel 37 van de Arbeidsomstandighedenwet is bepaald onder welke omstandigheden de daartoe aangewezen ambtenaar bevoegd is tot stillegging van de werkzaamheden. Bij de algemene maatregel van bestuur zal voor zover het de arbeidsveiligheid betreft worden bepaald dat een exploitatieverbod geldt:

– in dezelfde gevallen waarin op grond van artikel 37 het werk kan worden stilgelegd, dat wil zeggen indien exploitatie een ernstig gevaar oplevert voor de aanwezige personen;

– in de gevallen zoals die thans zijn omschreven in artikel 5, zevende lid. Het ligt niet in de bedoeling om ten aanzien van de arbeidsveiligheid verdergaande exploitatieverboden of stilleggingsgronden in de wetgeving op te nemen.

Artikel 5, eerste lid, onder g

De richtlijn stelt een aantal eisen met betrekking tot inspectie en toezicht die thans niet in de arbeidsomstandighedenwetgeving zijn opgenomen. Om uitvoering te kunnen geven aan de bepalingen van de richtlijn ten aanzien van het beoordelen van het veiligheidsrapport (en het berichten van de werkgever daarover, artikel 9, vierde lid, van de richtlijn), het opzetten van een inspectieprogramma, het opstellen van een inspectierapport (artikel 18, tweede Iid, van de richtlijn) door de met het toezicht op de naleving van de Arbeidsomstandighedenwet belaste ambtenaar is in artikel 5, eerste lid, onder g de grondslag aangebracht voor het stellen van regels.

Artikel 5, tweede lid

In dit artikellid zijn het huidige tweede, derde, achtste, veertiende en vijftiende Iid opgegaan.

Volgens het huidige artikel 5, tweede lid, kan de minister de verplichting tot het aanwezig hebben van een (arbeids)veiligheidsrapport afzonderlijk aan een werkgever opleggen met betrekking tot een bedrijf of inrichting. Deze bevoegdheid is neergelegd in het voorgestelde tweede lid, eerste volzin.

Daarbij is tevens voorzien in de mogelijkheid een of meer van de verplichtingen bedoeld in of krachtens het eerste lid (niet) op te leggen. Dit houdt verband met de omstandigheid dat – anders dan in de huidige situatie – de betreffende verplichtingen kunnen variëren afhankelijk van de hoeveelheid gevaarlijke stoffen in het bedrijf.

Met betrekking tot het veertiende en vijftiende lid is het daarin gestelde over de eis tot naleving komen te vervallen. Hiertoe wordt verwezen naar de toelichting bij onderdeel C.

Ter voorkoming van misverstand wordt erop gewezen dat de formulering dat de werking van de aanwijzing wordt opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken, of indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist, geen wijziging brengt in de omstandigheid dat ook in de bezwaarfase deze opschortende werking bestaat. Dit houdt verband met de systematiek van de Algemene wet bestuursrecht, waarin ook de fase waarin bezwaar kan worden gemaakt, wordt aangemerkt als beroepstermijn. In dat verband kan eveneens worden verwezen naar de wijzigingen van de Arbeidsomstandighedenwet ingevolge de Aanpassingswet derde tranche Algemene wet bestuursrecht.

Vervallen leden van artikel 5

Het vervallen van het eerste, tweede, derde, zesde, zevende, achtste, veertiende en vijftiende lid is hiervoor toegelicht. De overige leden van het artikel kunnen vervallen omdat bij algemene maatregel van bestuur regels kunnen worden gesteld over het stellen van regels door de minister (thans: twaalfde lid). Voorts worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels gesteld over:

– het actueel houden van het veiligheidsrapport (thans: vierde lid),

– het verstrekken van gegevens aan de toezichthoudende ambtenaar (thans: vijfde lid),

– de wijze waarop toezichthoudende diensten elkaar informeren (thans: negende lid).

Wat betreft de eis tot het treffen van voorzieningen als bedoeld in artikel 5, tiende en elfde lid, is er geen reden om die te onderscheiden van de eis tot naleving als bedoeld in artikel 36. Om die reden is in artikel 36, eerste lid, de mogelijkheid geopend een eis te stellen met betrekking tot de naleving van regels, gesteld krachtens artikel 5. Bij algemene maatregel van bestuur zal worden bepaald dat de eis tot naleving gesteld kan worden en op welke wijze die zal worden afgestemd met het gezag dat is belast met het milieubeheer en de rampenbestrijding.

Artikel 5a

Het nieuwe artikel 5a regelt de in de richtlijn opgenomen actieve en passieve openbaarheid. Dit artikel volgt dezelfde systematiek als het hiervoor behandelde artikel 25a van de Wet rampen en zware ongevallen.

In aanvulling op hetgeen in de toelichting op artikel 25a van dit wetsvoorstel is genoteerd, wordt nog het volgende opgemerkt.

Eerste en tweede lid

De regeling van de verstrekking uit eigen beweging is neergelegd in de eerste twee leden. Het eerste lid verplicht tot verstrekking uit eigen beweging van gegevens die bij algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen. In het nieuwe Besluit risico's zware ongevallen zal worden bepaald dat het hier gaat om het veiligheidsrapport. Voorts zullen bij of krachtens dit besluit regels kunnen worden gesteld omtrent zaken als het tijdstip van terbeschikkingstelling van het publiek. Omdat in de Arbeidsomstandighedenwet het begrip veiligheidsrapport niet meer voorkomt, is het niet mogelijk in de wet zelf te bepalen welk document openbaar moet worden gemaakt. Evenmin is het mogelijk de verplichting tost verstrekking uit eigen beweging van toepassing te verklaren op alle gegevens die krachtens artikel 5, eerste lid, onder b, worden verschaft, omdat daaronder ook andere gegevens vallen (zoals het zogenaamde PBZO-document voor niet veiligheidsrapportplichtige werkgevers), waarvoor ingevolge de richtlijn de verplichting tot actieve openbaarmaking niet geldt.

In het tweede lid worden de gronden genoemd waarop openbaarmaking achterwege mag blijven. Het gaat dan om de weigeringsgronden als bedoeld in artikel 10, eerste lid van de Wet openbaarheid van bestuur, aangevuld met het belang van het voorkomen van sabotage en de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.

In het nieuwe Besluit risico's zware ongevallen zullen regels worden opgenomen met betrekking tot de openbaarmaking van het veiligheidsrapport. De openbaarmaking zal feitelijk geschieden door het bevoegd gezag in de zin van de Wet milieubeheer, mede namens het «bevoegd gezag» in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet en de Wet rampen en zware ongevallen. Dit om te voorkomen dat elke instantie separaat actie zou moeten ondernemen om te voldoen aan de verplichting het veiligheidsrapport openbaar te maken. Wat betreft de Arbeidsomstandighedenwet zal de uitwerking hiervan in het nieuwe Besluit risico's zware ongevallen plaatsvinden krachtens artikel 5a, eerste lid. Voor wat betreft de Wet milieubeheer en de Wet rampen en zware ongevallen is in de artikelen 8.44, derde lid, respectievelijk 25a, eerste lid, in deze mogelijkheid voorzien. De vraag welk gezag de afweging moet maken of een weigeringsgrond van toepassing is met betrekking tot een of meer onderdelen van het veiligheidsrapport, is in abstracto moeilijk te beantwoorden. Indien de betreffende gegevens ten aanzien waarvan moet worden beoordeeld of openbaarmaking achterwege moet blijven, in het veiligheidsrapport zijn opgenomen in verband met de arbeidsveiligheid, zal deze beoordeling moeten worden gemaakt door de Arbeidsinspectie. Gaat het daarentegen om delen van het veiligheidsrapport die primair betrekking hebben op milieu-aspecten of rampenbestrijding buiten het bedrijf, dan dient de beoordeling plaats te vinden door het gezag dat daarmee is belast.

Voor de werkgever behoeft dit geen bezwaar te zijn. Hij kan het verzoek tot geheimhouding doen bij het bevoegd gezag in de zin van de Wet milieubeheer dat als loket fungeert. Raakt het verzoek aan de verantwoordelijkheid van het gezag dat toeziet op de Arbeidsomstandighedenwet of de Wet rampen en zware ongevallen, dan wordt de beslissing op het verzoek afgestemd met dat gezag. De beslissing op het verzoek is in dat geval een gezamenlijke, die ook in de ondertekening tot uitdrukking komt.

Derde, vierde en vijfde lid

Deze leden hebben betrekking op het verstrekken van informatie op verzoek. De voorgestelde regeling komt erop neer dat informatie in beginsel wordt verschaft tenzij daar genoemde weigeringsgronden van toepassing zijn. De beslissing op een dergelijk verzoek wordt genomen door het gezag aan wie het verzoek gericht is. Indien de beoordeling van het verzoek tot de competentie van een ander gezag behoort, wordt het doorgezonden; is er een gezamenlijke beoordeling nodig, dan is ook de beslissing gezamenlijk.

Tot slot wordt nog opgemerkt dat de in artikel 5a neergelegde regeling met betrekking tot de openbaarmaking van de daar bedoelde gegevens, alleen zal gelden voor bedrijven die onder de reikwijdte van de richtlijn vallen. Voor wat betreft bedrijven die daar niet onder vallen, maar die wel AVR-plichtig blijven op grond van de in het Arbeidsomstandighedenbesluit te treffen regeling, blijft de situatie dezelfde als thans, zodat de WOB hierop onverkort van toepassing blijft.

B

Deze wijziging vloeit voort uit het vervallen van het negende lid van artikel 5.

C

De eis tot het treffen van voorzieningen in het huidige tiende en elfde lid van artikel 5 is niet goed te onderscheiden van de eis tot naleving, bedoeld in artikel 36. Evenmin zijn er goede redenen om met betrekking tot de werking van de eis en de rechterlijke toetsing daarvan onderscheid te biijven maken tussen deze eisen. Een eis tot naleving van het bepaalde krachtens artikel 5, eerste lid, wordt om die reden aangemerkt als een eis tot naleving als bedoeld in artikel 36. Dit is tot uitdrukking gebracht door artikel 5 op te nemen in het eerste lid van artikel 36.

D

Zoals bij het voorgestelde artikel 5, tweede lid, is toegelicht is de bevoegdheid van de minister om de verplichting tot het aanwezig hebben van een arbeidsveiligheidsrapport afzonderlijk op te leggen, overgeheveld naar het tweede lid, eerste volzin.

In artikel 40 is de verwijzing naar artikel 5 hieraan aangepast.

ARTIKEL IV WET OP DE ECONOMISCHE DELICTEN

In de memorie van toelichting bij het voorstel tot wijziging van de Rampenwet en andere wetten in verband met de uitbreiding van de reikwijdte van de Rampenwet tot zware ongevallen en de regeling van enige andere onderwerpen (kamerstukken II 1995/96, 24 481, nr. 3, blz. 8) is reeds uiteengezet dat ontwikkelingen in de rechtspraak van het Hof van Justitie van de EG nopen tot een effectieve sanctionering van schending van EG-richtlijnverplichtingen, wil sprake zijn van een daadwerkelijke volledige implementatie. In het licht van het doel en de inhoud van onder meer richtiijn 82/501/EEG is strafrechtelijke handhaving het meest doelmatig. Daartoe werd bij die wetswijziging artikel 26 in de Wet rampen en zware ongevallen ingevoegd en werden in de opsomming in artikel 1a, onder 1° van de Wet op de economische delicten de artikelen 2c, eerste lid, en 11b, tweede lid, – voor zover overtredingen van deze artikelen zijn aangeduid als strafbare feiten – van de Wet rampen en zware ongevallen ingevoegd. Om buiten twijfel te stellen dat ook overtredingen van voorschriften gesteld bij of krachtens de algemene maatregelen van bestuur, bedoeld in de artikelen 2c, derde lid, en 11b, derde lid, – voor zover aangeduid als stafbare feiten – economische delicten zijn, is in het wetsvoorstel de opsomming betreffende de Wet rampen en zware ongevallen in bovengenoemde zin aangevuld.

Strafbaarstelling van handelen in strijd met bepalingen van het nieuwe Besluit risico's zware ongevallen die zijn gebaseerd op de Wet milieubeheer en de regels gesteld krachtens artikel 5 van de Arbeidsomstandighedenwet, is geregeld in de op die wetten betrekking hebbende verwijzingen in artikel 1a respectievelijk artikel 1 van de Wet op de economische delicten.

ARTIKEL V OVERGANGSBEPALING INZAKE NIET-OPENBAARHEID RAMPBESTRIJDINGSPLANNEN

Bij het vervallen van de niet-openbaarheid van het rampbestrijdingsplan is er voor gekozen om uitsluitend voor op het tijdstip van inwerkingtreding van dit wetsvoorstel reeds bestaande rampbestrijdingsplannen de openbaarheid op een later tijdstip in werking te laten treden.

ARTIKEL VI INWERKINGTREDING

Het tijdstip van inwerkingtreding wordt bij koninklijk besluit bepaald. Op deze wijze kan de inwerkingtreding van de wetswijzigingen en van het nieuwe Besluit risico's zware ongevallen goed op elkaar worden afgestemd. Tevens is met de gekozen redactie de mogelijkheid geschapen om bepaalde artikelen of onderdelen daarvan op een later moment in werking te laten treden, bij wijze van overgangsregeling.

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

M. de Boer

De Minister van Binnenlandse Zaken,

H. F. Dijkstal

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

F. H. G. de Grave

Transponeringstabel behorende bij richtlijn 96/82/EG van de Raad van de Europese Unie van 9 december 1996 betreffende de beheersing van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken.

Ter uitvoering van deze richtlijn worden de Wet milieubeheer (Wm), de Wet rampen en zware ongevallen (Wr) en de Arbeidsomstandighedenwet (Aw) gewijzigd. In de rechterkolom is weergegeven op welke plaats in de (al bestaande of voorgestelde) wetgeving een bepaling van de richtlijn is of wordt geïmplementeerd.

Artikel richtlijnArtikel wet
1behoeft geen implementatie
  
2, lid 1regelen op grond van 5, eerste lid, onderdeel a, Aw; regelen op grond van 8.44 Wm
2, lid 25, eerste lid, eerste zin, Aw
  
3, 
onderdeel 11.1, leden 1, 3 en 4, Wm;
onderdelen 2 t/m 6regelen op grond van 5, eerste lid, onderdeel a, Aw; regelen op grond van 8.44 Wm
onderdeel 51, onderdeel b, Wr
onderdeel 8behoeft geen implementatie
  
4regelen op grond van 5, eerste lid, onderdeel a, Aw; regelen op grond van 8.44 Wm
  
5, lid 13, eerste lid, Aw; 4 Aw; regelen op grond van 8.44 Wm
5, lid 2regelen op grond van 5, eerste lid, onderdeel c, Aw; regelen op grond van 8.44 Wm
  
6, leden 1, tweede  
streepje, en 2 t/m 4regelen op grond van 5, eerste lid, onderdeel b en d, Aw; regelen op grond van 8.44 Wm
6, leden 1, eerste  
streepje, en 2regelen op grond van 8.5 Wm
  
7, leden 1 en 2regelen op grond van 5, eerste lid, onderdeel b en c, Aw; regelen op grond van 8.44 Wm
7, lid 3regelen op grond van 5, eerste lid, onderdeel a, Aw; regelen op grond van 8.44 Wm
  
8, lid 1regelen op grond van 5, eerste lid, onderdeel g, Aw; regelen op grond van 8.44 Wm
8, lid 2,  
onderdeel aregelen op grond van 5, eerste lid, onderdeel a en c, Aw; regelen op grond van 8.44 Wm
onderdeel b2c, eerste lid, Wr; regelen op grond van 2c, derde lid, Wr; regelen op grond van 8.44 Wm
  
9, leden 1 en 2regelen op grond van 5, eerste lid, onderdeel b en c, Aw; regelen op grond van 8.44 Wm
9, lid 3, eerste 
streepje5.15 en 5.17 Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer; regelen op grond van 5, eerste lid, onderdeel d, Aw
  
9, lid 3, tweede t/m  
vierde streepjeregelen op grond van 8.44 Wm
9, lid 4,eerste streepje regelen op grond van 5, eerste lid, onderdeel g, Aw; regelen op grond van 8.44 Wm; t.a.v. nieuwe inrichtingen: afdeling 3.5 Algemene wet bestuursrecht
  
9, lid 4, tweede streepjeregelen op grond van 5, eerste lid, onderdeel f, Aw; 8.1, eerste lid, en 8.25, eerste lid, Wm
9, lid 5regelen op grond van 5, eerste lid, onderdeel b, c en d, Aw; regelen op grond van 8.44 Wm
9, lid 6regelen op grond van 5, eerste lid, onderdeel b, Aw; regelen op grond van 8.44 Wm
  
10, eerste streepjeregelen op grond van 5, eerste lid, onderdeel b, c en d, Aw; regelen op grond van 8.44 Wm
10, tweede streepje5.17 Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer; regelen op grond van 8.44 Wm
  
11, lid 1,  
onderdeel aregelen op grond van 5, eerste lid, onderdeel b, c en d, Aw
onderdeel b2c, eerste lid, Wr; regelen op grond van 2c, derde lid, Wr
onderdeel c7, eerste lid, Wr; regelen op grond van 7, derde lid, Wr
11, lid 2regelen op grond van 7, derde lid Wr; regelen op grond van 5, eerste lid, onderdeel b en c, Aw
11, lid 3regelen op grond van 7, derde lid, Wr; regelen op grond van 5, eerste lid, onderdeel e, Aw
11, lid 4regelen op grond van 7, derde lid, Wr; regelen op grond van 5, eerste lid, onderdeel c en d, Aw
11, lid 57, derde lid, Wr; regelen op grond van 5, eerste lid, onderdeel c en d, Aw
11, lid 67, vierde lid, Wr
  
12, lid 1regelen op grond van 5.1 Wm
12, lid 2Afdeling 3.5 Algemene wet bestuursrecht j° 5.15 en 5.17 Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer en jo. Wet op de Ruimtelijke Ordening
  
13, lid 12a, eerste lid, Wr; regelen op grond van 2a, vierde lid, Wr;
13, lid 22a, derde lid, Wr; regelen op grond van 2a, vierde lid, Wr
13, lid 3regelen op grond van 7, derde lid, onderdeel d, Wr
13, lid 419.3 Wm; regelen op grond van 19.3 Wm; 25a, eerste en tweede lid, Wr; 5a, eerste en tweede lid, Aw
13, lid 5Afdeling 3.5 Algemene wet bestuursrecht j° Wet op de Ruimtelijke Ordening
13, lid 6regelen op grond van 8.44 Wm
  
14, lid 1hoofdstuk 17 Wm
onderdeel a, b en c2c, eerste lid, Wr; regelen op grond van 2c, derde lid; 11b, eerste en tweede lid, Wr; regelen op grond van 11b, derde lid, Wr; regelen op grond van 5, eerste lid, onderdeel b en d, Aw
onderdeel dregelen op grond van 2c, derde lid, en 11b, derde lid, Wr; regelen op grond van 5, eerste lid, onderdeel b en d, Aw
14, lid 217.3 Wm; 2b Wr; regelen op grond van 5, eerste lid, onderdeel g, Aw
  
15behoeft geen implementatie
  
1632, eerste lid, Aw; 18.2 Wm; 25b Rw
  
17, lid 1,  
eerste alinea8.25, tweede lid, Wm; 5.15 en 5.17 Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer; regelen op grond van 5, eerste lid, onderdeel f, AW
tweede alinea2c, tweede lid, en 25c Wr; regelen op grond van 5, eerste lid, onderdeel f, Aw; 18.12 Wm
17, lid 2hoofdstuk 6, 7 en 8 Algemene wet bestuursrecht
  
18, lid 1hoofdstuk 18 Wm; 25b Wr; regelen op grond van 25b Wr; regelen op grond van 5, eerste lid, onderdeel g, Aw
18, lid 2regelen op grond van 8.44 Wm; 25b Wr; regelen op grond van 25b, Wr; regelen op grond van 5, eerste lid, onderdeel g, Aw
18, lid 318.6 Wm; 2c, eerste lid, Wr; regelen op grond van 2c, derde lid, Wr; regelen op grond van 5, eerste lid, onderdeel g, AW
  
19behoeft geen implementatie
  
20, lid 110 Wet openbaarheid van bestuur; 25a, derde, vierde en vijfde lid, Wr; 5a, derde, vierde en vijfde lid, Aw
20, lid 2behoeft geen implementatie
  
21behoeft geen implementatie
  
22behoeft geen implementatie
  
23, lid 1behoeft geen implementatie
23, lid 2V; regelen op grond van 8.44 Wm
  
24behoeft geen implementatie
  
25behoeft geen implementatie
  
26behoeft geen implementatie
  
Bijlage Iregelen op grond van 8.44 Wm
Bijlage IIregelen op grond van 5, eerste lid, onderdeel b en c, Aw; regelen op grond van 8.44 Wm
Bijlage IIIregelen op grond van 8.44 Wm
Bijlage IV, onderdeel 1regelen op grond van 5, eerste lid, onder b, Aw
Bijlage IV, onderdeel 2regelen op grond van 7, derde lid, onderdeel a, Wr
Bijlage Vregelen op grond van 2a, vierde lid, Wr
Bijlage VIbehoeft geen implementatie
Naar boven