25 922 (R 1613)
Goedkeuring van het op 2 oktober 1997 te Amsterdam tot stand gekomen Verdrag van Amsterdam houdende wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie, de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijbehorende akten, met Protocollen

nr. 11
AMENDEMENT VAN HET LID VAN OVEN

Ontvangen 29 oktober 1998

De ondergetekende stelt het volgende amendement voor:

Na artikel 3 wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 3a

Indien een vraag die betrekking heeft op de geldigheid of de uitlegging van een besluit als bedoeld in artikel K.7, eerste lid, van het in artikel 1 genoemde Verdrag aan de orde komt in een zaak aanhangig voor een tot de rechterlijke macht behorend gerecht dan wel een administratieve rechter waarvan de beslissingen niet vatbaar zijn voor hoger beroep, en deze instantie een beslissing noodzakelijk acht voor zijn uitspraak, is deze instantie gehouden zich tot het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen te wenden.

Toelichting

Dit amendement strekt ertoe in de Goedkeuringswet een bepaling op te nemen die de hoogste rechters verplicht om prejudiciële vragen te stellen. E.e.a. conform de toezegging door de regering gedaan over de zgn. K.7-verklaring.

Een dergelijk systeem zou overeenkomen met de regeling als bedoeld in artikel 177 van het EG-Verdrag alsmede met de regeling als bedoeld in artikel 73 P, eerste lid, van het Verdrag van Amsterdam. Bovendien is een dergelijke regeling op voorstel van de Tweede Kamer vastgelegd in artikel 6 van de Goedkeuringswet op het Europol-Verdrag.

Van Oven

Naar boven