25 874
Ongeval Transavia-toestel

nr. 6
BRIEF VAN DE MINISTER VAN VERKEER EN WATERSTAAT

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 8 maart 2000

In reactie op mijn brief met kenmerk DGRLD/ATS/00.170002A van 7 januari 2000 verzoekt u mij nogmaals om zo spoedig mogelijk een reactie kenbaar te maken inzake het ongeval met het Transavia-vliegtuig. U geeft als reden dat de commissie op korte termijn hierover een algemeen overleg wenst te voeren.

Hoezeer ik ook aan uw wens gevolg zou willen geven om al op korte termijn een standpunt te bepalen over de aanbeveling van de Raad voor de Transportveiligheid moet ik toch vaststellen dat dit niet op verantwoorde wijze haalbaar is. Zoals ik u in mijn brief van 7 januari 2000 reeds aangaf is in de Wet Raad voor de Transportveiligheid geregeld hoe met het vervolg op veiligheidsaanbevelingen dient te worden omgegaan. Conform artikel 69 en 70 van die wet dient het bestuursorgaan aan wie de Raad een veiligheidsaanbeveling heeft gericht binnen een jaar zijn standpunt daarover te bepalen. Dat standpunt dient ook aan de Raad kenbaar gemaakt te worden. Ten aanzien van de aanbevelingen aan LVNL en Transavia geldt dat deze organisaties hun standpunt binnen een jaar ook aan mij kenbaar moeten maken. Ik heb u in mijn brief aangegeven de betrokken partijen daar op te zullen wijzen.

Voor wat betreft de aanbeveling over het Geluid Preferentieel Baangebruik Systeem (GPBS) die aan mij is gericht heb ik u in ons overleg van 26 oktober 1999 aangegeven dat met de sector de afspraak is gemaakt dat deze over dit vraagstuk een advies zou uitbrengen. De sector heeft hiervoor in overleg met mij een commissie in het leven geroepen en de heer Rinnooy Kan is bereid gevonden om als voorzitter van die commissie te functioneren. Ik hoop het advies van de commissie op korte termijn te ontvangen. Pas dan en mede op grond van dat advies zal ik tot een afgewogen oordeel ten aanzien van de aanbeveling en de te nemen vervolgacties kunnen komen.

Naar ik hoop deelt u gezien het bovenstaande het standpunt dat het op dit moment onverstandig is vooruitlopend op het advies van de door de sector ingestelde zogenaamde Commissie Rinnooy Kan een reactie op de aanbeveling te geven. Mijn verwachting is nog steeds dat ik u medio mei nader zal kunnen berichten.

De Minister van Verkeer en Waterstaat,

T. Netelenbos

Naar boven