25 835
Het kloneren van mensen

nr. 4
BRIEF VAN DE MINISTER VAN LANDBOUW, NATUURBEHEER EN VISSERIJ

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 21 september 1998

Op 7 april jl. heeft uw Kamer de motie TK, '97-'98, 25 835, nr. 3, inzake kloneren aangenomen. Een van de overwegingen die tot de motie heeft geleid stelt, dat niet op de uitkomst van het maatschappelijk debat over het kloneren van planten, mensen en dieren – georganiseerd door het Rathenau-Instituut – vooruit gelopen mag worden. De Kamer is daarom van mening dat voor het kloneren van dieren via kerntransplantatie geen toestemming mag worden verleend, zolang het maatschappelijke debat nog niet is afgerond.

Naar aanleiding van deze motie en de overwegingen daarbij wil ik het volgende opmerken.

Allereerst wil ik opmerken dat het Rathenau-Instituut door middel van het organiseren van verschillende activiteiten een bijdrage zal leveren aan het reeds bestaande maatschappelijk debat over kloneren. Deze bijdrage zal beëindigd worden met een rapportage aan het parlement over kloneren, waarin de verschillende in de samenleving aanwezige visies en meningen geïnventariseerd zijn. Deze rapportage zal volgens de huidige planning van het Rathenau Instituut voor de zomer aan uw Kamer toegezonden worden.

In die rapportage zal overigens geen «eindoordeel» gegeven worden over de vraag of – en zo ja onder welke voorwaarden – kloneren toelaatbaar is. Uit de motie komt naar voren dat de Kamer een maatschappelijk debat over het kloneren van dieren van groot belang acht.

Dit belang onderschrijf ik, en juist omdat ik een maatschappelijk debat over concrete toepassingen van biotechnologische handelingen bij dieren, zoals kloneren door middel van kerntransplantatie, van groot belang acht, is in het Besluit biotechnologie bij dieren gekozen voor afhandeling van vergunningaanvragen door middel van een uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure. Dit betekent dat de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij – na ontvangst van een advies van de Commissie biotechnologie bij dieren – eerst een ontwerp-besluit neemt. Tegen dit ontwerp-besluit kan een ieder bedenkingen inbrengen. Bij voldoende belangstelling wordt over het ontwerp-besluit een hoorzitting georganiseerd, waarbij een ieder opmerkingen over het ontwerp-besluit kan maken en eventuele mondelinge bedenkingen kan indienen. Pas daarna neem ik een definitief besluit op een aanvraag.

Ik ben van mening dat op deze wijze de maatschappelijke inbreng bij de besluitvorming in het concrete geval optimaal gewaarborgd is: per aanvraag kunnen door een ieder argumenten aangedragen worden waarom er in het concrete geval al dan niet sprake is van onaanvaardbare gevolgen voor de gezondheid of het welzijn van dieren of van ethische bezwaren. Feitelijk vindt er op deze manier per aanvraag een debat plaats.

Destijds is – in nauw overleg met de Kamer – gekozen voor deze stap- voor-stap benadering bij de toelating van biotechnologische handelingen bij dieren. Hiertoe is een vergunningstelsel ingevoerd, waarbij steeds in individuele gevallen beoordeeld wordt of de betreffende biotechnologische handeling toelaatbaar is. Het kloneren van dieren door middel van kerntransplantatie is – in de toelichting bij het Besluit biotechnologie bij dieren – expliciet genoemd als één van de handelingen waarop dit vergunningstelsel van toepassing is. De gekozen case by case benadering sluit inderdaad niet uit dat er een vergunning voor het kloneren van dieren wordt verleend.

Echter, zoals bij de beantwoording van eerdere Kamervragen reeds is aangegeven1, zal slechts een vergunning voor het kloneren van dieren door middel van kerntransplantatie verleend worden indien met de handeling een groot maatschappelijk belang wordt gediend, de handeling geen onaanvaardbare gevolgen voor de gezondheid of het welzijn van dieren heeft en er geen reële alternatieven bestaan waarmee hetzelfde doel bereikt kan worden2. Op dit moment, onafhankelijk van concrete aanvragen, reeds vastleggen dat voor het kloneren van dieren door middel van kerntransplantatie geen vergunning zal worden verleend – hetgeen feitelijk neerkomt op een «verbod» op het kloneren van dieren acht ik in strijd met deze afgesproken stap-voor-stap benadering.

Tijdens het debat naar aanleiding van antwoorden op schriftelijke vragen van het lid stellingwerf van 1 april jl., waarbij de betreffende motie is ingediend, is naar voren gebracht dat de motie betekent dat een beslissing op ingediende aanvragen «opgeschort» dient te worden in afwachting van de resultaten van de bijdrage van het Rathenau-Instituut aan het maatschappelijk debat. Ik wil u er op wijzen dat een ieder die het voornemen heeft dieren te kloneren door middel van kerntransplantatie op basis van de bestaande regelgeving een vergunning dient aan te vragen. Het indienen van dergelijke aanvragen kan ik niet tegengaan of voorkomen. Nadat een aanvraag is ingediend is het gelet op de Algemene wet bestuursrecht (Awb) – niet mogelijk om die aanvraag gedurende de looptijd van het Rathenau-debat «niet in behandeling te nemen». De Minister van LNV is in principe gehouden binnen drie maanden na ontvangst van een aanvraag een ontwerpbesluit te nemen en binnen zes maanden na ontvangst een «definitief» besluit.

Deze termijnen kunnen, indien een aanvraag een omstreden onderwerp betreft, door mij met een redelijke termijn verlengd worden, maar het is op basis van de Awb niet mogelijk de besluitvorming voor een onbepaalde tijd – in afwachting van de «uitkomsten» van het maatschappelijk debat – «op te schorten».

Echter: omdat ik op dit moment geen nieuwe aanvragen inzake kerntransplantatie in behandeling heb en de vergunningprocedure zes maanden of meer in beslag zal nemen, kan ik bij het vaststellen van een definitief besluit over een kerntransplantatie-aanvraag rekening houden met de resultaten van de bijdrage van het Rathenau-Instituut aan het maatschappelijke debat. Er zal door mij derhalve niet op deze resultaten vooruit gelopen worden. Hiermee kom ik aan de strekking van de motie tegemoet.

Daarnaast zal ik eventuele ontwerp-besluiten inzake kerntransplantatie die voor de uiteindelijke rapportage van het Rathenau-Instituut door mij genomen worden, ook aan de Kamer toezenden. Ook de Kamer kan dan binnen vier weken na publicatie van een ontwerp-besluit, tegen dat besluit gemotiveerde bedenkingen inbrengen.

De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,

H. H. Apotheker


XNoot
1

Zie met name TK, 1997–1998, aanhangsel van de Handelingen, blz. 539, nr. 265.

XNoot
2

Ik wil u bijvoorbeeld verwijzen naar de afwijzing van een vergunningaanvraag van Pharming B.V., welke aanvraag – in overeenstemming met het advies van de Commissie biotechnologie bij dieren – is afgewezen omdat de doelstelling van het onderzoek niet zodanig substantieel werd geacht dat een opheffing van het verbod gerechtvaardigd zou zijn (zie ook TK, 1997–1998, Aanhangsel van de handelingen, blz. 1667, Nr. 814). Het is ongewenst dat een nieuwe techniek voor de productie van transgene dieren (verder) ontwikkeld wordt, terwijl het belang van die transgene dieren als zodanig nog niet is aangetoond.

Naar boven