25 720
Organisch Psychosyndroom

nr. 17
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 7 juni 2004

Tijdens het Algemeen Overleg met uw Commissie op 18 december 2003 (29 239/25 883/25 720, nr. 3) heb ik toegezegd u te zullen informeren over het systeem van etikettering van verfproducten in Noorwegen en Denemarken en de invloed daarvan op het ontstaan van beroepsziekten (met name het Organisch Psychosyndroom, schade aan het zenuwstelsel) als gevolg van de blootstelling aan vluchtige organische stoffen.

Scandinavische systemen

Zowel in Denemarken als in Noorwegen wordt reeds gedurende een groot aantal jaren een door sociale partners gedragen systeem gehanteerd waarmee de risico's van producten, die vluchtige organische stoffen (VOS, zoals oplosmiddelen) bevatten, herkenbaar worden gemaakt voor de gebruiker.

In Noorwegen is daartoe in 1983 een wettelijke verplichting ingevoerd op grond waarvan producten die VOS bevatten (op het etiket) gekenmerkt moeten worden met een zogeheten OAR-code. Het begrip OAR staat voor Occupational Air Requirement. Dit is een, op grond van de samenstelling van het product, berekende maat voor de vereiste ventilatie in een binnenruimte om de concentratie aan VOS op een acceptabel niveau te houden tijdens het uitvoeren van b.v. schilderswerkzaamheden. Een laag OAR-getal betekent een gering risico voor de werknemer.

Deze OAR-code lijkt enigszins op het systeem dat in Denemarken sedert 1972 wordt gehanteerd. In de in Denemarken gehanteerde zogenoemde (wettelijk geregelde) MAL-code is aan het OAR-getal een getal toegevoegd dat extra informatie verschaft over andere (dan effecten op het zenuwstelsel) gezondheidsrisico's van het betreffende product.

In beide landen is aan de voorgeschreven etikettering de verplichting gekoppeld om zo veilig mogelijke producten te kiezen, i.c. producten met een zo laag mogelijke OAR- of MAL-code, indien dit technisch mogelijk is. Op deze wijze wordt vervanging van risicovolle producten gestimuleerd.

In beide landen is het beschreven systeem goed bekend bij zowel producenten als professionele gebruikers. Zelfs door consumenten wordt het systeem gebruikt bij de keuze van producten.

In Noorwegen heeft invoering van het systeem tot resultaat gehad dat thans 87% van het volume van de gebruikte VOS-houdende producten is ondergebracht in de laagste gevarenklasse. Die producten kunnen daarmee zonder bijzondere maatregelen op de werkplek worden verwerkt. Het ontstaan van het Organisch Psychosyndroom als gevolg van beroepsmatige blootstelling aan VOS (oplosmiddelen) is in Noorwegen van 164 gevallen per jaar in 1989 gedaald naar 88 gevallen in 1999. Een afname van circa 50%. Het blootstellingsniveau aan VOS (oplosmiddelen) is in dezelfde periode met circa 30% afgenomen. De Noorse Arbeidsinspectie is ervan overtuigd is dat de toegenomen kennis over de gevaren van blootstelling aan VOS heeft geleid tot een vergroot bewustzijn onder werknemers. De invoering van de MAL-code en de substitutieverplichting in 1982 in Denemarken heeft ertoe geleid dat thans 90% van de professioneel toegepaste verf watergedragen is (voor zowel binnen- als buitensituaties).

Beide landen vrezen overigens dat het betreffende etiketteringssysteem moet worden opgegeven onder invloed van Europese handelsrichtlijnen. Opname van de betreffende kengetallen in productinformatiebladen blijft wel toegestaan, maar zal naar verwachting veel minder effect sorteren omdat deze informatiebladen nauwelijks door werknemers (kunnen) worden gelezen. Uiteraard zijn de problemen de wereld uit wanneer de EU zou besluiten om een vergelijkbaar etiketteringssysteem in te voeren. Of zulks haalbaar is kan ik op dit moment niet beoordelen. Voorwaarde is in elk geval dat er in de EU meer aandacht komt voor de OPS-problematiek. Nederland en de Scandinavische landen hebben zich hiervoor de afgelopen jaren flink ingespannen. Zo heeft in september 2003, in vervolg op een in Delft in 1999 gehouden conferentie, bij het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten een workshop plaatsgevonden, gericht op EU-harmonisatie van OPS-diagnoseprotocollen.

Invoering in Nederland?

In mijn brief van 30 september 2003 heb ik u uitvoerig geïnformeerd over de voortgang van het beleid ter preventie van het Organisch Psychosyndroom. Daarbij heb ik ook opgemerkt dat de systematiek van verplichte vervanging van oplosmiddelrijke producten door oplosmiddelarme voor een aantal belangrijke bedrijfstakken (b.v. de scheepsbouw en de metaal) een zeer complex karakter dreigt te verkrijgen, vanwege de enorme diversiteit aan VOS-houdende producten die daar worden toegepast. In feite komen, voor wat dergelijke complexe situaties betreft, de grenzen in zicht van wat nog kan worden geregeld met het type vervangingsregelgeving zoals dat tot nu toe is gehanteerd. De werknemersbescherming zou er bij gediend zijn als, met behoud van de goed werkende vigerende vervangingsregelingen, voor dergelijke complexe situaties een meer generieke aanpak voor het terugdringen van het gebruik van oplosmiddelen zou kunnen worden ontwikkeld, bijvoorbeeld naar model van de bovenbeschreven Scandinavische systematiek.

Inmiddels is een aantal verkenningen uitgevoerd naar de bruikbaarheid van de Scandinavische systematiek voor ons land. Dit heeft veel informatie opgeleverd. Volgende stap die zal worden gezet is de uitvoering van een proefproject (pilot), waarin voor een beperkt aantal veel gebruikte producten een OAR-getal door de leveranciers van die producten wordt berekend, en op grond waarvan werkgevers die deze producten gebruiken hun keuze bepalen. De medewerking van het veld is dus onmisbaar, en uiteraard zal gebruik kunnen worden gemaakt van de Scandinavische ervaringen. Op basis van de uitkomst van dit proefproject zullen naar verwachting conclusies kunnen worden getrokken over de bruikbaarheid en inzetbaarheid van een OAR-(achtige) aanpak in ons land. In het geval dat de conclusie positief is rijst vervolgens de vraag hoe (vrijwillig of wettelijk, fasering, kwaliteitsborging) een OAR-aanpak kan worden ingevoerd. Ik stel mij voor dat zulks via een geleidelijke weg geschiedt. Zo kan in eerste instantie een rangschikking van producten naar OAR-getal werkgevers behulpzaam zijn om tot een productkeuze te komen die minder blootstellingsrisico's op de werkplek met zich meebrengt. Als volgende stap zouden, bij gebleken bruikbaarheid en acceptatie, voor toepassingen van producten in bepaalde situaties bovengrenzen aan de OAR-waarden van het betreffende product kunnen worden gesteld. Wat betreft de juridische status van een eventuele introductie meen ik dat deze het best op grond van vrijwillige afspraken met sociale partners kan worden gerealiseerd. Zo zal in overleg met de fabrikanten van zowel verfproducten als van oplosmiddelen worden bezien op welke wijze de problemen waar Noorwegen en Denemarken momenteel tegenaan lopen kunnen worden vermeden en langs welke weg het instrument verder kan worden ontwikkeld en geoperationaliseerd. Afhankelijk van de resultaten van het bedoelde proefproject stel ik mij voor na te gaan op welke wijze binnen de EU een traject kan worden gestart dat kan leiden tot de invoering van een dergelijk systeem binnen Europa. Ik realiseer mij goed dat inzet van een dergelijk traject binnen Europa een kwestie van lange adem is, maar gezien het internationale werkterrein van de betrokken fabrikanten en leveranciers meen ik dat zulks de beste kansen biedt om een stevig en duurzaam draagvlak te krijgen.

Tenslotte wijs ik, met verwijzing naar mijn brief van 30 september 2003, u erop dat er, behalve het OAR-spoor, nog verschillende andere wegen bewandeld worden om tot verlaging van blootstelling aan organische oplosmiddelen te komen. De kaders waarbinnen dit gebeurt zijn met name arboconvenanten en VASt-trajecten.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

M. Rutte

Naar boven