Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum indiening |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1997-1998 | 25684-(R1600) nr. 5 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum indiening |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1997-1998 | 25684-(R1600) nr. 5 |
Ontvangen 5 maart 1998
Met belangstelling heeft de regering kennis genomen van het verslag van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken.
De leden van de fractie van het RPF vragen in hoeverre de afbakening van de zeegebieden tussen Nederland en zijn buren (Duitsland, het Verenigd Koninkrijk), nu definitief geregeld is.
In antwoord hierop veroorlooft ondergetekende zich te verwijzen naar de memorie van toelichting, waar staat vermeld dat met het Verenigd Koninkrijk nog een protocol gesloten moet worden in verband met de aanpassing van het drielandenpunt van het continentaal plat. De afbakening van de zeegebieden met Duitsland dient nog definitief te worden geregeld.
De leden van de fractie van het RPF geven aan dat zij de historische context missen waarin de regeling tussen Nederland en België moet worden geplaatst. Zij informeren waarom deze slepende kwestie niet eerder tot een oplossing kon worden gebracht.
In antwoord hierop wijst ondergetekende allereerst op het feit dat de «Wielingen-kwestie», zoals dit onderwerp in de wandeling meestal wordt genoemd, hoog op de politieke agenda kwam te staan als gevolg van de ervaringen in de Eerste Wereldoorlog. De handhaving van de neutraliteit door Nederland en het feit dat België bij de Eerste Wereldoorlog betrokken raakte, leidde tot bepaalde spanningen die op dit punt werden veroorzaakt door het ontbreken van een grensafbakening in de territoriale zee. Na afloop van de Eerste Wereldoorlog werd dan ook getracht tot verdragsrechtelijke afspraken te komen. Hoewel de «Wielingen-kwestie» geen definitieve regeling vond in het op 22 mei 1926 ondertekende verdrag terzake, leidden de daarin opgenomen bepalingen tot zoveel weerstand, dat het verdrag in 1927 door de Eerste Kamer werd verworpen. Dit had het aftreden tot gevolg van mijn toenmalige ambtsvoorganger, jhr. H.A. van Karnebeek. In de dertiger jaren werden de besprekingen weliswaar hervat, maar het lukte niet tot een verdrag te komen. Na de Tweede Wereldoorlog werden de besprekingen – met tussenpozen – hervat, maar telkens maakten andere onderwerpen (de uitbreiding van de territoriale zee van 3 tot 12 zeemijl, de afbakening van het continentaal plat) het sluiten van een verdrag niet mogelijk. In 1993 werd in overleg tussen de toenmalige Ministers van Buitenlandse Zaken van Nederland en België besloten onderhandelingen te (her)starten om deze kwestie definitief tot een oplossing te brengen. Zoals in de memorie van toelichting is uiteengezet, lag de aanleiding daarvoor in de internationaalrechtelijke ontwikkelingen, met name de inwerkingtreding van het op 10 december 1982 te Montego-Bay totstandgekomen Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee (Trb. 1983, 83) en de instelling van een Exclusieve Economische Zone in de Noordzee. De daarop volgende onderhandelingen werden geopend op 17 november 1994 en leidden in mei 1996 tot overeenstemming, zodat de desbetreffende verdragen op 18 december van het laatstgenoemde jaar ondertekend konden worden.
De aan het woord zijnde leden vragen welke concessies de Nederlandse regering bij de onderhandelingen over beide Verdragen heeft gedaan. In antwoord hierop, wordt gewezen op het feit dat bij de onderhandelingen – naast het droogvallen van de Rassen – rekening is gehouden met de sinds 1965 plaatsgevonden hebbende uitbouw van de haven van Zeebrugge. Als gevolg hiervan en van de Nederlandse bereidheid uit goed nabuurschap in te stemmen met enkele aanpassingen, is de definitieve zijwaartse afbakening in verhouding met de eerder op ambtelijk niveau met België afgesproken administratieve lijn ten gunste van België opgeschoven in oppervlakte van het continentaal plat met 331,44 km2 en in oppervlakte van de territoriale zee met 54,72 km2.
Op de vraag van de leden van de RPF-fractie naar de stand van zaken in België met betrekking tot de goedkeuring in België en het Vlaamse gewest van de verdragen, antwoordt ondergetekende dat de verdragen alleen de federale procedure hoeven te doorlopen. Het Belgische parlement heeft de verdragen nog niet goedgekeurd.
De leden van de RPF-fractie vragen vervolgens of de vermelding in de memorie van toelichting dat «de Wielingen en de vaargeul van de Westerschelde» zich in de territoriale zee van België bevinden, wel juist is.
Ondergetekende erkent dat de door de aan het woord zijnde leden geciteerde passage uit de memorie van toelichting bij nader inzien tot verwarring kan leiden. Met «de Westerschelde» wordt geduid op de rivier, beter gezegd de zeearm, die zich op Nederlands grondgebied bevindt. De vaargeulen in die zeearm bevinden zich uiteraard eveneens op Nederlands territoir. In de memorie van toelichting wordt echter gesproken over de vaargeul die zich in de territoriale zee van België bevindt, of die zich daar na inwerkingtreding van de onderhavige verdragen althans (gedeeltelijk) komt te bevinden. Het gedeelte van de vaargeul in de monding van de Westerschelde dat toegang geeft tot de rivier vanuit de zuidzijde, wordt aangeduid met «Wielingen». Deze vaargeul komt ten dele in de Belgische territoriale zee te liggen. De verdragsrechtelijke afspraken met betrekking tot de verruiming van de vaarweg op de Westerschelde hebben uiteraard betrekking op de vaargeulen die onweersproken op Nederlands territoir liggen.
Op de vraag van de leden van de RPF-fractie op welke wijze rekening is gehouden worden met de zeewaartse uitbouw van de haven van Zeebrugge in België en het droogvallen van de Rassen voor de Nederlandse kust, wordt geantwoord dat de equidistantielijn werd vastgesteld tot het meest zeewaarts gelegen punt op een afstand van 12 zeemijlen van respectievelijk het westelijke havenhoofd van de haven van Zeebrugge en het meest westelijke punt van de droogvallingslijn van de Rassen.
De aan het woord zijnde leden informeren tenslotte naar de stand van zaken ten aanzien van het onderzoek naar een eventuele aanleg van het Baalhoekkanaal. Hierop kan geantwoord worden dat de Vlaamse minister-president, de heer Van den Brande, in een overleg op 11 februari 1998 met de Nederlandse minister-president en de Nederlandse minister van Verkeer en Waterstaat heeft meegedeeld dat de Vlaamse regering afziet van de aanleg van het Baalhoekkanaal.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-25684-5.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.