25 604
Jaaroverzicht Zorg 1998

nr. 26
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Rijswijk, 7 april 1998

In het nota-overleg van 17 november 1997 over het Jaaroverzicht Zorg 1998 is gesproken over het onderwerp dagbesteding voor verstandelijk gehandicapten. Tijdens dat overleg heeft de heer ir. B.J. van der Vlies een motie ingediend (TK 1997–1998, 25 604 nr. 16) met het verzoek aan de regering om te komen tot een plan van aanpak voor dagbesteding voor mensen met een ernstige verstandelijke handicap.

In de afgelopen periode heb ik, tegen de achtergrond van de motie, met de Vereniging Gehandicaptenzorg Nederland over de actuele situatie in de instellingen en een mogelijke meerjarenaanpak overleg gevoerd.

Over de mij voor ogen staande meerjarenaanpak informeer ik u met deze brief. Ik ga achtereenvolgens in op de volgende punten:

– actuele situatie dagbesteding

– inzet middelen 1998 voor dagbesteding

– meerjarige aanpak dagbesteding 1999 e.v.

Vooraf wil ik opmerken, dat het kabinet zich op het standpunt stelt, dat het doen van financiële uitspraken of toezeggingen voor 1999 en latere jaren voorbehouden is aan het volgende kabinet. Om die reden is het niet mogelijk in deze brief uitspraken te doen over de mogelijk noodzakelijke budgetten voor de jaren 1999 e.v.

Actuele situatie dagbesteding

De Vereniging Gehandicaptenzorg Nederland (VGN) heeft in het laatste kwartaal van 1997 met de campagne «Over het hoofd gezien» de aandacht van publiek, pers en politiek gevraagd voor het ontbreken van adequate dagbesteding voor met name mensen met een ernstige verstandelijke handicap in instellingen voor zorg aan verstandelijk gehandicapten. Doelstelling van de campagne was zowel binnen de eigen sector als daarbuiten de gesignaleerde achterstanden op het gebied van dagbesteding op te heffen en tot een volledig aanbod van dagbesteding voor alle categorieën verstandelijk gehandicapten te komen.

De veronderstelling, dat er sprake is van een achterstand, baseert de VGN op onderzoeksgegevens van het NZI uit 1992. De belangrijkste conclusies uit het onderzoek zijn:

– landelijk gezien is het gemiddelde aantal uren dagbesteding per persoon 15,8 (afgerond 16) uur per week, dat is ruim 2 uur per dag;

– er zijn groepen die relatief minder dagbesteding krijgen, de z.g. risicogroepen; met name de zeer ernstig verstandelijk gehandicapten krijgen opvallend minder dagbesteding t.w. 6,5 – 6,7 uur per week;

– in de onderzoekspopulatie (a-selecte steekproef van 1671 bewoners, respons 87%) bleek 5 % van alle bewoners geen enkele dagactiviteit te hebben.

In 1995 bleek uit een vervolgonderzoek van het NZI, dat de situatie niet veel veranderd was.

De VGN heeft bij besluit van het algemeen bestuur de intentie uitgesproken om verenigingsbreed de handen ineen te slaan om de huidige achterstanden op te heffen en te komen tot volledige dagbesteding voor iedereen. Het gaat dus primair om een appel aan de lidinstellingen zelf om, ook binnen het bestaande budget, meer aandacht te schenken aan dagbesteding. Immers de vraag of ernstig verstandelijk gehandicapten veel of weinig dagbesteding krijgen, hangt ook af van de beleidsbeslissingen die het management neemt inzake de inzet van het personeelsbudget en de samenstelling van de personeelsformatie.

Door de VGN wordt nu in de tweede plaats aan de Rijksoverheid gevraagd dit proces te ondersteunen en te faciliteren.

De VGN wil prioriteit geven aan verruiming van dagbesteding voor de zeer ernstig verstandelijk gehandicapten. Het doel daarbij is om het huidige gemiddelde aantal uren dagbesteding van circa 6 uur per week naar een gemiddeld aantal uren van circa 16 uur per week per cliënt te brengen. Dit betekent een toename van ongeveer 10 uur per week per persoon. De VGN gaat ervan uit, dat de dagbesteding moet worden gegeven in kleine groepen van maximaal vier personen. Dit komt overeen met 540 extra FTE-personeel. Geraamde kosten f 32 mln.

In tweede instantie wil de VGN voor alle intramurale cliënten uitbreiding van dagbesteding t.w. 32 uur per persoon per week, te geven in groepen van vier tot en zes personen. Hiervoor zijn extra 2 672 FTE noodzakelijk. De door de VGN geraamde kosten hiervoor bedragen f 158 mln. Om de dagbesteding voor de 24-uurszorg op een aanvaardbaar peil te brengen zou dus, volgens de aannames en berekeningen van de VGN een extra investering nodig zijn van circa (f 32 + f 158 =) f 190 mln.

Inzet middelen 1998 voor dagbesteding

Op de slotbijeenkomst van de campagne «Over het hoofd gezien» op 3 november 1997 heb ik het doel van de campagne onderschreven en daarbij ook mijn steun toegezegd.

Gelet op het beschikbare cijfermateriaal en de indringende boodschap uit de VGN-campagne heb ik in mijn prioriteitenafweging voor het JOZ 1998, naast de inzet van middelen ter vermindering van de wachtlijsten, een bedrag van f 36 mln bestemd voor dagbesteding, als een eerste stap in een meerjarige aanpak van de problematiek. Inmiddels is bij de Voorjaarsnota door het kabinet beslist om naast die f 36 mln (structureel) nog eens f 5 mln (structureel) voor dit doel beschikbaar te stellen. Met deze f 5 mln extra meen ik voldaan te hebben aan het verzoek van mevrouw A.M. Vliegenthart en mevrouw drs. S. van Vliet, zoals zij dat tijdens het nota-overleg van 17 november 1997 in een motie (TK 1997–1998, 25 604 nr.12) hebben neergelegd.

Over de bestemming van deze middelen heb ik met de VGN afgesproken, dat deze gelden met voorrang zullen worden ingezet voor de categorie bewoners met een zeer ernstige verstandelijke handicap. De VGN heeft aan de lidinstellingen verder de oproep gedaan de beschikbare capaciteit zo effectief mogelijk en in onderlinge samenwerking in te zetten.

Het is mij bekend dat de VGN inmiddels een aantal activiteiten ontplooit om de samenwerking tussen intramurale en semimurale instellingen te stimuleren. Ook anderszins is de VGN actief om de instellingen te ondersteunen bij het verbeteren van de dagbesteding voor hun cliënten. Want, het zij nogmaals gezegd, de actie was primair bedoeld als oproep aan de instellingen zelf, om met gebruikmaking van het bestaande budget, personeel en infrastructuur binnen de gehele sector meer werk te gaan maken van dagbesteding. Mijn indruk is dat de instellingen ook gehoor geven aan deze oproep en bijvoorbeeld in hun financiële en personeelsbeleid het accent verleggen van de woonfunctie naar dagbesteding.

Overigens is het van groot belang, dat de genomen maatregelen continu op hun effect voor de omvang van de dagbesteding worden bezien. Als start hiervoor heb ik met de VGN afgesproken dat de inzet van middelen voor 1998 vergezeld gaat van een onderzoek door het NZI naar de actuele situatie aan het begin van 1998 in de instellingen. Het beschikbare onderzoeksmateriaal over de dagbesteding reikt immers niet verder dan het jaar 1995.

Meerjarige aanpak dagbesteding 1999 e.v.

Uit het bovenstaande blijkt, dat het vraagstuk van dagbesteding voor met name ernstiger verstandelijk gehandicapten vooral benaderd is als een kwantitatief vraagstuk. De geconstateerde achterstanden gaven daar ook aanleiding toe. Ik heb daarvoor ook begrip getoond. Vandaar dat ik voor 1998 een bedrag van nu in totaal f 41 mln (structureel) beschikbaar heb gesteld. Ik meen met deze financiële impuls het fundament te hebben gelegd voor een oplossing van het probleem. Ik merk daar echter het volgende bij op.

Ik ben van mening, dat ten aanzien van een vervolgtraject geen adequate besluiten kunnen worden genomen, indien niet, naast de vraag naar de omvang van de noodzakelijk geachte dagbesteding, tegelijkertijd ook een afweging van meer inhoudelijke aard wordt betrokken.

Voor een meerjarige aanpak van dagbesteding heb ik dan ook allereerst behoefte aan een wetenschappelijke/objectieve benadering van het onderwerp dagbesteding in relatie tot mensen met een handicap.

Ik heb besloten de Gezondheidsraad te vragen naar de stand van de wetenschap ten aanzien van activeringsmogelijkheden, waaronder dagbesteding, voor mensen met een verstandelijke handicap gericht op verbetering van kwaliteit van leven.

Een meerjarenaanpak voor 1999 en latere jaren is mijns inziens uitermate gewenst, doch wil ik mede laten afhangen van het antwoord van de Gezondheidsraad op mijn vraagstelling.

De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

E. G. Terpstra

Naar boven