25 600 VII
Vaststelling van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van het Ministerie van Binnenlandse Zaken (VII) voor het jaar 1998

nr. 46
BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 17 juli 1998

In het algemeen overleg met de vaste commissies voor Binnenlandse Zaken en voor Justitie over het ontslag van de korpschef van de politieregio Rotterdam-Rijnmond op 7 oktober 1997 (25 600-VII, nr. 15), heb ik toegezegd de Tweede Kamer nader te informeren over de maatregelen die in de politieregio Rotterdam-Rijnmond zijn genomen ter verbetering van het bestuur van die regio. Ik heb de korpsbeheerder gevraagd mij over dit onderwerp te informeren. Daarop heeft de korpsbeheerder mij bericht over de genomen maatregelen en de wijze waarop thans de politieregio Rotterdam-Rijnmond wordt bestuurd. Aan de hand daarvan stel ik u hierbij op de hoogte.

Tijdens de vergadering van het regionale college op 16 december 1997 is de nota «Versterkte contouren» vastgesteld. Hierin zijn de oriëntatie, grondslagen, sturing, structuur, samenhang en werkwijze van het politiekorps Rotterdam-Rijnmond nader beschreven. Daarin wordt enerzijds geconcludeerd dat er de afgelopen jaren veel goeds is verricht en dat op dat degelijke fundament het ingezette beleid versterkt moet worden voortgezet. Anderzijds wordt, op het moment van aantreden van de nieuwe korpschef, een beeld geschetst van de ontwikkelingen die de komende jaren van belang zullen zijn en die leiden tot een koerscorrectie. Deze bijsturing zal vooral betrekking hebben op de werkwijze van de politie, kort samengevat in het begrip fijnmazigheid.

Het presidium van de regio bestaat naast de korpsbeheerder en de hoofdofficier van justitie uit vijf burgemeesters die afkomstig zijn uit de vijf sub-regio's. Het heeft tot taak:

– het optreden als communicatieve schakel tussen de korpsbeheerder en de hoofdofficier van justitie enerzijds en de burgemeesters van de tot de politieregio behorende gemeenten anderzijds;

– het fungeren als commissie ter voorbereiding van de besluitvorming in het regionaal college;

– het gevraagd en ongevraagd optreden als adviescommissie voor de korpsbeheerder en het regionaal college;

– het op diens verzoek bijstaan van de korpsbeheerder bij de voorbereiding van diens taken in de richting van het regionaal college.

Het presidium adviseert de korpsbeheerder in het bijzonder met betrekking tot de onderwerpen als bedoeld in de artikelen 28 en 31 van de Politiewet 1993.

Tijdens de vergadering van het regionaal college van 18 mei 1998 is over de functie van het presidium geconcludeerd dat de vier taken nog steeds actueel zijn en in een behoefte voorzien. Daarnaast hebben referentschappen nadere invulling gekregen op de gebieden personeel en organisatie, financiën en kwaliteit. Dit betekent dat een lid van het presidium voor het korps eerste aanspreekpunt is met betrekking tot het betreffende aandachtsveld.

De oriëntatie van het korps blijft – vanuit het kader dat wordt geboden door artikel 2 van de Politiewet 1993 – gericht op het instandhouden van veiligheid en het waarborgen van leefbaarheid door vakbekwame politiemensen, die integer, creatief en dienstbaar zijn.

De grondslagen voor de inrichting van het politiekorps, in de nota beschreven met de begrippen vrijheid in gebondenheid en eenheid in verscheidenheid, geven weer dat de politiezorg binnen een zekere bandbreedte kleinschalig wordt ingevuld, terwijl beheersmatig sprake is van één regionaal korps.

Binnen de door het regionaal college vastgestelde kaders, onder eindverantwoordelijkheid van de korpsbeheerder en in overeenstemming met de hoofdofficier van justitie, heeft de korpschef de ruimte op passende wijze de (bedrijfsmatige) randvoorwaarden voor districten en regionale diensten eenduidig vast te stellen. Het mandaatbesluit is daartoe geactualiseerd.

Bestuurlijke betrokkenheid is gegarandeerd in de vorm van het Bestuurlijk Justitieel Overleg (BJO) per district en in de vorm van het presidium op korpsniveau. Er wordt geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid tot overdracht van bevoegdheden op grond van artikel 36 van de Politiewet 1993.

Sturing door het bevoegd gezag vindt plaats op basis van de meerjarige beleidsdoelstellingen die eens per vijf jaar door het regionaal college worden vastgesteld in het korpsbedrijfsplan. Jaarlijks vindt toetsing hiervan plaats aan de actualiteit, bij het vaststellen van het korpsjaarplan.

Het BJO richt zich in het bijzonder op onderwerpen inzake plaatselijke veiligheid, inzet van beschikbare capaciteit en de te behalen en behaalde resultaten. Daarbij kunnen ook de gemeenteraden in toenemende mate een actieve rol gaan vervullen.

Via vaststelling van het jaarplan, het jaarverslag en de jaarrekening oefent het regionaal college controle uit op de uitvoering van het korpsjaarplan en het korpsbedrijfsplan. Daarmee toetst het regionaal college tevens de resultaten aan de gestelde beleidsvoornemens. Tijdens de vergadering van 18 mei jl. heeft vaststelling van het op 1997 betrekking hebbende verslag alsmede de bijbehorende rekening plaatsgevonden.

Ik hoop u met het vorenstaande voldoende te hebben geïnformeerd over de verdere ontwikkeling van het bestuur van de politieregio Rotterdam-Rijnmond.

De Minister van Binnenlandse Zaken,

H. F. Dijkstal

Naar boven