25 600 VII
Vaststelling van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van het Ministerie van Binnenlandse Zaken (VII) voor het jaar 1998

nr. 45
BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 1 juli 1998

Naar aanleiding van het mij bij uw brieven van 26 mei en 16 juni 1998 toegezonden stenografisch verslag van de ordedebatten van diezelfde dagen en de daarin opgenomen vragen, deel ik u mede namens de Minister-president het volgende mede.

Naar aanleiding van de vraag wat de regering bekend is van een mogelijk onderzoek van de Europese Rekenkamer naar de secundaire arbeidsvoorwaarden van de leden van het Europees Parlement, merk ik het volgende op. De Europese Rekenkamer is inderdaad bezig met een onderzoek naar de tenuitvoerlegging van regelingen inzake de reisvergoeding, de verblijfsvergoeding, de secretariaatsvergoeding, de vergoeding voor algemene uitgaven en de terugbetaling van reis-, verblijf- en onderwijskosten in verband met talen- en informatica-cursussen.

Het onderzoek heeft betrekking op de inhoud en controleerbaarheid van de door het Europees Parlement vastgestelde regelingen en op de toegepaste administratieve en boekhoudkundige procedures.

Dit onderzoek heeft nog niet geleid tot een officieel rapport met een reactie van het Europees Parlement. Wel is er een voorlopig rapport.

Zodra een officieel rapport van de Europese Rekenkamer beschikbaar is, zal ik uw Kamer daarover informeren.

De regering hecht groot belang aan een goede, democratische controle van besluitvorming in de Europese Unie. Hierbij speelt het Europees Parlement een essentiële rol. Voor het vervullen van deze controlerende taak is geloofwaardigheid van het Parlement een vereiste. Het negatieve beeld dat, naar aanleiding van het voorlopige Rekenkamer-rapport, in recente perspublicaties is opgeroepen geeft de Nederlandse regering reden tot zorg.

Van Nederlandse zijde zijn dan ook inmiddels stappen gezet om wijziging van de betreffende vergoedingsregelingen te bepleiten. Ik kom daarop hierna terug.

In 1979 bij de eerste verkiezing van het Europees Parlement bleek er geen mogelijkheid te bestaan voor een uniforme regeling van de rechtspositie van leden van het Europees Parlement. Schadeloosstelling (salaris) en pensioenen zouden op nationaal niveau moeten worden geregeld. In Nederland heeft dat geleid tot de Wet schadeloosstelling, uitkering en pensioen leden Europees Parlement. De inhoud daarvan is min of meer conform die van de regelingen voor de leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Met betrekking tot de pensioenregeling merk ik op dat het gegeven dat er ook een Europese pensioenregeling bestaat, heeft geleid tot de conclusie dat de Nederlandse regeling zodanig gewijzigd zou moeten worden dat een eventueel Europees pensioen in mindering wordt gebracht op hetgeen betrokkenen zouden ontvangen op grond van de Nederlandse regeling. Een desbetreffend wetsontwerp wordt thans voorbereid, zoals ik uw Kamer bij brief van 15 april 1998 heb bericht.

De overige regelingen met betrekking tot onkostenvergoedingen en tegemoetkomingen, waar het onderzoek van de Europese Rekenkamer over handelt, worden thans door het Europees Parlement zelf vastgesteld op basis van artikel 142 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap. Eventuele wijzigingen dienen ook door het Europees Parlement vastgesteld te worden.

Aandacht verdienen de mogelijkheden die het Verdrag van Amsterdam biedt om tot verandering te komen.

De wens om tot een uniform Statuut voor de leden van het Europees Parlement te komen heeft daarin een verdragsrechtelijke basis gekregen. Die wens van een uniform Statuut kan overigens niet als een nieuwe ontwikkeling worden beschouwd. Reeds in 1987 heeft het Europees Parlement aan de Raad voorstellen gedaan voor een eigen Statuut. Over de inhoud en draagwijdte van zo'n Statuut kon toen echter geen overeenstemming worden bereikt.

De Nederlandse regering heeft zich destijds op het standpunt gesteld dat een Statuut alomvattend zou moeten zijn, d.w.z. alle primaire en secundaire arbeidsvoorwaarden en kostenvergoedingen zou moeten omvatten. Het voorstel van het Europees Parlement, waarin slechts een gemiddeld hoger bedrag aan schadeloosstelling werd voorgesteld en alle bijkomende regelingen ter discretie bleven van het Parlement, werd destijds afgewezen op gronden die in 1998 niet aan betekenis hebben ingeboet.

Nederland heeft mede daarom het voorlopige rapport van de Europese Rekenkamer tijdens de Algemene Raad van 8 juni jl. aan de orde gesteld en in dat kader opnieuw gepleit voor een alomvattend Statuut voor de leden van het Europees Parlement. Zo'n Statuut wordt ingevolge het Verdrag van Amsterdam vastgesteld door het Europees Parlement met goedkeuring van de Raad die daartoe met eenparigheid van stemmen een besluit neemt. Naar de mening van de regering zal een dergelijk Statuut moeten voldoen aan eisen van transparantie, helderheid, toereikendheid en controleerbaarheid.

Tijdens de Europese Raad van Cardiff van 15 en 16 juni jl. is door diverse leden van de Europese Raad het vraagstuk aangesneden van de vergoedingen van de leden van het Europees Parlement. De Europese Raad was het eens over de wenselijkheid van een spoedige totstandkoming van een uniform Statuut. De suggestie van Minister-President Kok dat er in de tussentijd interim-maatregelen moeten worden genomen, werd door een ieder onderschreven. Inmiddels heeft ook het Europees Parlement er zich in een resolutie voor uitgesproken om in afwachting van een Statuut, de onkostenvergoedingen reeds te baseren op daadwerkelijke kosten. Ik acht dit een gunstige ontwikkeling.

Hetgeen bekend is gemaakt over de inhoud van een voorstel van het Bureau van het Europees Parlement voor een uniform Statuut voldoet overigens niet aan eerdergenoemde eisen. Er is thans echter nog geen officieel voorstel van het Europees Parlement aan de Raad. Wanneer dat wel het geval zal zijn, zal de regering de Kamer daarover informeren.

De Minister van Binnenlandse Zaken,

H. F. Dijkstal

Naar boven