25 600 VII
Vaststelling van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van het Ministerie van Binnenlandse Zaken (VII) voor het jaar 1998

nr. 42
BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 10 juni 1998

Tijdens het algemeen overleg met de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken van uw Kamer op 17 december jl. (25 600-VII, nr. 32) over integriteit van het openbaar bestuur heb ik meegedeeld uw Kamer nader te zullen informeren over de stand van zaken met betrekking tot het thema integriteit binnen het politiekorps Rotterdam-Rijnmond. Voorts heb ik toegezegd de minister van Justitie de vraag voor te leggen of zij de Kamer wil informeren over de positie van het Openbaar Ministerie in Rotterdam ten opzichte van het rapport «Integriteitsbeeld normatiek politieregio Rotterdam-Rijnmond» en over het beleid van het Openbaar Ministerie in Rotterdam bij concrete aanwijzingen van corruptie en ander niet-integer gedrag.

Voorts heeft de voorzitter van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken mij bij brief van 26 januari jl. met bovenvermeld kenmerk verzocht te bevorderen dat de brief van 29 mei 1997 van de korpsbeheerder van de politieregio Rotterdam-Rijnmond aan mij inzake integriteit binnen het korps alsnog openbaar wordt gemaakt.

Hierbij geef ik mede namens mijn ambtgenote van Justitie gevolg aan deze toezeggingen en uw verzoek tot openbaarmaking van de betreffende brief van de korpsbeheerder.

Stand van zaken binnen het korps met betrekking tot thema integriteit

Desgevraagd heeft de korpsbeheerder mij geïnformeerd over de stand van zaken binnen het korps met betrekking tot het thema integriteit.

Het deelproject Normatiekontwikkeling dat zijn pilot kende in het district IJsselgemeenten, is inmiddels ook van start gegaan in het district West. Dit jaar en in 1999 zal uitvoering worden gegeven aan het deelproject in alle overige districten en units.

Ook op het gebied van security wordt voortgang gemaakt. Op basis van het ontwikkelde beleid is een korpssecurity-functionaris aangewezen die thans de uitvoerende werkzaamheden op dat gebied coördineert en die decentraal wordt bijgestaan door taakaccenthouders.

In de tweede helft van 1997 zijn 138 meldingen bij het bureau Interne Zaken (BIZ) ontvangen. In principe worden al die meldingen onderzocht op de mogelijkheid dat ze informatie bevatten die nader onderzoek door het bureau Interne Zaken vereist. Van de 138 meldingen leidden er 86 tot nader onderzoek, terwijl er nog 52 meldingen op onderzoek wachten. Deze werkvoorraad is voor het korps reden geweest voor vergroting van de formatieve personeelssterkte van het bureau Interne Zaken tot 11,5 fte's. Voorshands is deze personeelsuitbreiding vastgesteld voor een periode van vier jaar. Daarnaast is het aantal zogenaamde «poolers» vergroot. Onder dit begrip vallen personeelsleden van districten, die voor tevoren afgesproken perioden werkzaamheden verrichten op het gebied van disciplinaire en strafrechtelijke onderzoeken en die worden aangestuurd door het bureau Interne Zaken.

Door deze keuzen kan naar het oordeel van de korpsbeheerder naast een adequater repressieve aanpak ook structureel meer aandacht worden besteed gaan worden aan de preventieve taak van het bureau, waardoor de werkvoorraad zal afnemen en bovendien aan preventie meer aandacht kan worden geschonken. Op deze wijze wordt nog meer aandacht besteed aan integriteit en zullende medewerkers van het korps worden gebracht tot andere en meer genuanceerde inzichten, waarbij de leermomenten veel beter zullen worden benut.

Positie van het Openbaar Ministerie ten opzichte van het rapport «Integriteitsbeeld normatiek politieregio Rotterdam-Rijnmond» en het beleid van het Openbaar Ministerie bij concrete aanwijzingen van corruptie en ander niet-integer gedrag

De minister van Justitie heeft mij geïnformeerd over de positie van het Openbaar Ministerie in Rotterdam ten opzichte van het rapport «Integriteitsbeeld normatiek politieregio Rotterdam-Rijnmond» en over het beleid van het Rotterdamse Openbaar Ministerie bij concrete aanwijzingen van corruptie en ander niet-integer gedrag.

Het Rotterdamse parket is indertijd, in 1996, niet betrokken geweest bij de totstandkoming van het rapport. Dat was opgesteld in opdracht van en uitgebracht aan de korpsleiding. Het rapport is eerst later op verzoek van de beheersdriehoek geagendeerd en daar besproken. Ofschoon het rapport geen aanknopingspunten bevatte voor concreet strafrechtelijk onderzoek, vormde de inhoud voor de beheersdriehoek aanleiding om de korpschef te verzoeken gerichte maatregelen te treffen om aan de in het rapport gesignaleerde problematiek een einde te maken. Het rapport en de naar aanleiding daarvan gemaakte opmerkingen zijn vervolgens besproken in de andere gremia voor het beheer en het bestuur van het regiokorps.

Los van het bovenstaande hanteert het Rotterdamse Openbaar Ministerie als bestendig beleid dat signalen van vermoedelijk gepleegde strafbare feiten, direct nadat zij bij de korpsleiding (in de praktijk: het bureau Interne Zaken) zijn binnengekomen worden besproken met de ten deze verantwoordelijke plv. hoofdofficier van justitie. Per geval wordt bepaald of de zaak strafrechtelijk onderzocht zal worden of dat intern/disciplinair onderzoek de voorkeur heeft. Het strafvorderlijke criterium van het redelijk vermoeden van een strafbaar feit, wordt in het algemeen strikt gehanteerd.

Openbaarmaking van de brief van 29 mei 1997 van de korpsbeheerder aan de ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken

Desgevraagd heeft de korpsbeheerder mij meegedeeld geen bezwaar te hebben tegen inwilliging van het verzoek van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken om openbaarmaking van zijn brief van 29 mei 1997, temeer daar een vergaande samenvatting van de brief reeds in de publiciteit is geweest. Een afschrift van de betreffende brief is als bijlage bij deze brief gevoegd.1 Tijdens het algemeen overleg op 17 december jl. heb ik tevens toegezegd er op zich geen bezwaar tegen te hebben om het onder de brief van de korpsbeheerder liggende rapport aan uw Kamer voor te leggen, maar dan wel vertrouwelijk. Het overleg hierover met de korpsbeheerder is inmiddels nagenoeg afgerond. Ik zal u hierover op korte termijn (separaat) informeren.

De Minister van Binnenlandse Zaken,

H. F. Dijkstal


XNoot
1

Ter inzage gelegd bij de afdeling Parlementaire Documentatie.

Naar boven