nr. 41
BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
's-Gravenhage, 11 juni 1998
Bijgaand bied ik u namens het kabinet de Arbeidsmarktrapportage Overheid
1998 aan.1
Deze arbeidsmarktrapportage heeft tot doel op hoofdlijnen inzicht te verschaffen
in de arbeidsmarktpositie van de overheid als geheel en in die van de afzonderlijke
overheidssectoren. Dit zijn de sectoren rijk, gemeenten, provincies, onderwijs
& wetenschappen, defensie, politie, waterschappen en rechterlijke macht.
Het gaat daarbij met name om de concurrentiepositie van de overheidswerkgevers
op de arbeidsmarkt.
De kwaliteit en het volume van de publieke dienstverlening is in hoge
mate afhankelijk van het vermogen van de overheid om voldoende gekwalificeerd
personeel aan te trekken en te behouden. Aangezien de overheid daartoe op
de arbeidsmarkt moet concurreren met werkgevers in de marktsector en in andere
segmenten van de publieke sector is het relevant de arbeidsmarktpositie van
de acht overheidssectoren periodiek te monitoren.
Voor het kabinet, c.q. de coördinerend minister, is een dergelijke
monitoring met name van belang in verband met de jaarlijkse afweging ten aanzien
van de omvang, de verdeling en de invulling van de arbeidsvoorwaardenruimte
voor ambtenaren. De Arbeidsmarktrapportage Overheid beoogt daartoe een beleidsmatig
fundament te bieden.
Hoewel de Arbeidsmarktrapportage Overheid niet primair bedoeld is voor
diepgaande analyses van de arbeidsmarktpositie van afzonderlijke overheidssectoren,
biedt de rapportage wel een sectoraal beeld op hoofdlijnen. In die zin beoogt
de rapportage ook een informatief document te zijn voor de sectorale overheidswerkgevers.
Ten behoeve van de ontwikkeling van het arbeidsvoorwaarden- en arbeidsmarktbeleid
op sectoraal niveau en voor de CAO-onderhandelingen is het wenselijk dat de
sectorale overheidswerkgevers echter ook zelf investeren in meer specifieke
arbeidsmarktmonitors voor de eigen sector. Bij verschillende overheidssectoren
wordt overigens ook reeds gewerkt aan de ontwikkeling van dergelijke sectorale
instrumenten of zijn die reeds beschikbaar (bijvoorbeeld bij de sector Onderwijs
& Wetenschappen). Ik heb het voornemen om in samenspraak met de verschillende
overheidssectoren te onderzoeken hoe tot een zo goed mogelijke aansluiting
kan worden gekomen tussen de jaarlijkse Arbeidsmarktrapportage Overheid en
sectorale arbeidsmarktmonitors binnen de overheid.
Enkele opmerkingen ten aanzien van de arbeidsmarktpositie van de overheid
zijn hier op zijn plaats.
Tot 1996 werd de overheid nog niet geconfronteerd met grootschalige wervingsproblemen.
Slechts op deelmarkten waren er hier en daar problemen. Het aandeel moeilijk
vervulbare vacatures bij de overheid nam in de periode 1993 tot en met 1995
af terwijl dat aandeel in de marktsector toenam. Sinds 1996 is er echter ook
bij de overheid sprake van een gestage toename van het aandeel moeilijk vervulbare
vacatures, zij het niet in die mate als in de marktsector. In de komende jaren
zullen de overheidssectoren geconfronteerd worden met tekorten aan werknemers
op universitair en hbo niveau. Dit geldt voor nagenoeg alle voor de overheid
relevante studierichtingen. Hierbij dient bedacht te worden dat meer dan vijftig
procent van het overheidspersoneel hbo of academisch geschoold is en dat 1
op de 3 werkzame hbo'ers en academici bij de overheid werkt. Als gevolg van
de vergrijzing van het overheidspersoneel zal bovendien de vervangingsvraag
in de komende jaren toenemen. Naast tekorten aan academici en hbo'ers worden
er ook tekorten verwacht aan werknemers met bepaalde mbo opleidingen, ook
voor mbo opleidingen die relevant zijn voor de overheid als werkgever. Naar
verwachting zal geen enkele overheidssector gevrijwaard blijven van arbeidsmarktknelpunten.
Als voorbeeld wijs ik op signalen uit het onderwijsveld zoals een tekort aan
vervangers in het basisonderwijs en het teruglopen van de instroom in de lerarenopleiding
voor het voortgezet onderwijs.
De beloning van ambtenaren lijkt bij de laatste beschikbare meting over
1994 in vergelijking met de marktsector vooralsnog adequaat, mits verondersteld
wordt dat de gemiddelde ambtenaar arbeidstijdverkorting even hoog waardeert
als salaris. Na 1994 is de contractloonontwikkeling bij de overheid echter
achtergebleven bij die in de marktsector. Bovendien mag niet onopgemerkt blijven
dat werknemers in de marktsector doorgaans vaker dan ambtenaren in aanmerking
komen voor bepaalde additionele beloningscomponenten zoals de auto van de
zaak. Om de (verwachte) wervingsproblemen het hoofd te kunnen bieden zal de
beloning van ambtenaren voldoende concurrerend moeten zijn.
Het is mijns inziens dan ook noodzakelijk dat het hiervoor geschetste
toekomstperspectief in de komende jaren nadrukkelijk betrokken wordt bij de
jaarlijkse kabinetsafweging ten aanzien van de arbeidsvoorwaardenruimte voor
ambtenaren.
De Minister van Binnenlandse Zaken,
H. F. Dijkstal