25 600 VII
Vaststelling van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van het Ministerie van Binnenlandse Zaken (VII) voor het jaar 1998

nr. 40
BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 2 juni 1998

In het overleg van de vaste commissies voor Justitie en Binnenlandse Zaken van 7 oktober 1997 (25 600 VII, nr. 15) is door mij mede namens de minister van Justitie toegezegd dat een onafhankelijk onderzoek zou worden ingesteld naar de problemen die in 1996 en 1997 zijn ontstaan rond de korpschef van het regionale politiekorps Rotterdam-Rijnmond. Tijdens het overleg heb ik ingestemd met het voorstel vanuit de commissie om het onderzoek op te dragen aan de Inspectie voor de Politie.

Met de aanvang van het onderzoek is gewacht tot twee door mij in het overleg genoemde voorwaarden zijn vervuld. Aan de eerste voorwaarde, een formele status voor de Inspectie voor de Politie, is voldaan met opnemen van artikel 53a in de Politiewet 1993. Ook de tweede voorwaarde vormt inmiddels geen belemmering meer voor het onderzoek. Nu de bestuursrechter op 3 maart jl. uitspraak heeft gedaan in het beroep dat de heer Brinkman tegen zijn ontslag had ingesteld en daar geen hoger beroep tegen is aangetekend, is er thans geen sprake meer van mogelijke interferentie van het onderzoek met het juridische traject met betrekking tot de heer Brinkman.

Het onderzoek dat aan de Inspectie is opgedragen heeft een evaluatief karakter en is gericht op een beleidsmatige relevantie. Het beoogt de leermomenten op te sporen die kunnen bijdragen aan het creëren van randvoorwaarden waardoor en instrumenten waarmee ontwikkelingen als in Rotterdam-Rijnmond kunnen worden voorkomen dan wel (beter) kunnen worden beheerst. Bij het onderzoek zal vanuit een typering van het korps Rotterdam-Rijnmond en de specifieke ontwikkeling van dat korps, waar mogelijk worden geabstraheerd naar politiekorpsen en het politiebestel in het algemeen. Het inzoomen op de betrokken casuïstiek van Rotterdam-Rijnmond is derhalve slechts een middel om het doel, het formuleren van beleidsrelevante aanbevelingen voor de politie en het politiebestel, te kunnen realiseren.

De feitelijke opdracht aan de Inspectie voor de Politie luidt:

– Formuleer beleidsmatig relevante aanbevelingen naar aanleiding van de ontwikkelingen die zich vanaf het ontstaan van de vacature korpschef in de regio Rotterdam-Rijnmond in 1996 tot en met het verlenen van ontslag aan de in die vacature benoemde nieuwe korpschef in 1997 hebben voorgedaan;

– gericht op het opsporen van die leermomenten die kunnen bijdragen aan het creëren van randvoorwaarden waardoor en instrumenten waarmee ontwikkelingen als in Rotterdam-Rijnmond, kunnen worden voorkomen, dan wel (beter) worden beheerst;

– op basis van bestaand feitenmateriaal, dat wordt aangevuld met door de Inspectie zelf verkregen informatie als voor het uitvoeren van de opdracht essentiële informatie niet beschikbaar is;

– uitgaande van bestaand beleid en bestaande regelgeving; uit het onderzoek moet duidelijk worden welk beleid en welke regelgeving in het geding was en of conform gehandeld is;

– waarbij alle in aanmerking komende beleidsrelevante aspecten, thema's, actoren en omstandigheden onderwerp van onderzoek kunnen zijn en de te formuleren aanbevelingen betrekking kunnen hebben op alle objecten van onderzoek.

Voorzover dat nuttig wordt geacht, zullen door de Inspectie andere vergelijkbare situaties die zich bij de politie hebben voorgedaan, bij het onderzoek worden betrokken, als die kunnen bijdragen aan de beleidsrelevantie van de aanbevelingen.

De informatie voor de evaluatie zal voornamelijk afkomstig zijn uit dossieronderzoek, literatuurstudie en interviews met betrokkenen en experts. Het thans beschikbare feitenmateriaal zal slechts door de Inspectie worden aangevuld door eigen informatieverzameling voor zover noodzakelijke informatie ontbreekt.

De duur van het onderzoek staat nog niet vast maar verwacht wordt dat de Inspectie voor de Politie omstreeks september haar rapport zal uitbrengen. Ik zal uw Kamer alsdan terzake nader informeren.

De Minister van Binnenlandse Zaken,

H. F. Dijkstal

Naar boven