nr. 36
BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
's-Gravenhage, 6 april 1998
Mede namens mijn ambtgenoot van Justitie bericht ik u het volgende. Met
ingang van het jaar 1996 is het ABP geprivatiseerd en opgegaan in de Stichting
Pensioenfonds ABP. Vanaf dat tijdstip worden de rechten en plichten van het
overheidspersoneel ter zake van vervroegd uittreden en pensioen, privaatrechtelijk
geregeld. Voor wat betreft de rechts-bescherming betekent dit dat vanaf dat
tijdstip de burgerlijke rechter de bevoegde instantie is.
Destijds is bij de behandeling van de wetgeving waarmee de privatisering
van het ABP werd geregeld, door mevrouw Van der Hoeven, lid van de CDA-fractie,
aandacht gevraagd voor de extra werklast voor de kantonrechter als gevolg
van de wijziging in de rechtsbescherming. Aan mij is gevraagd om de gevolgen
voor de werklast na verloop van tijd inzichtelijk te maken (Handelingen II,
1995–1996, 16-1047, 18-1193 en 18-1194).
Uit een opgave van de twee betrokken fondsen maak ik op dat de toename
in werklast voor de burgerlijke rechter te verwaarlozen is. In de periode
van 1 januari 1996 tot 1 september 1997 is er bij de burgerlijke rechter geen
procedure aanhangig gemaakt tegen beslissingen van de directieraad ter uitvoering
van het pensioenreglement van de Stichting pensioenfonds ABP. Inmiddels zijn
er twee procedures aanhangig gemaakt bij de kantonrechter te Heerlen.
Tegen beslissingen van het bestuur van de Stichting fonds vrijwillig vervroegd
uittreden overheidspersoneel zijn tot op heden geen procedures bij de burgerlijke
rechter aanhangig gemaakt.
De gevolgen voor de werklast van de burgerlijke rechter die ten gevolge
van de bovenvermelde wijziging in rechtsbescherming tot op heden zijn opgetreden,
geven mij geen aanleiding om actie te ondernemen.
De Minister van Binnenlandse Zaken,
H. F. Dijkstal