Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1998-1999 | 25535 nr. 7 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1998-1999 | 25535 nr. 7 |
Vastgesteld 1 oktober 1998
De vaste commissie voor Buitenlandse Zaken1 heeft op 8 september 1998 overleg gevoerd met minister Van Aartsen van Buitenlandse Zaken en minister Herfkens voor Ontwikkelingssamenwerking over:
– het regiobeleidsdocument China (25 535, nr. 4);
– het verslag van het bezoek van de EU-trojka aan Tibet(BuZa 98–249).
Van het gevoerde overleg brengt de commissie bijgaand beknopt verslag uit.
Vragen en opmerkingen uit de commissie
De heer Koenders (PvdA) vond het landbeleidsdocument een succes als schets van China en de hoofdlijnen van het beleid, maar constateert ook dat het stuk weinig politiek van aard is. Voor de Kamer is vooral van belang hoe met het herijkte instrumentarium wordt omgegaan. De gegeven beschrijvingen bevatten te weinig analyses, bijvoorbeeld van de overgang van agrarische naar urbane en van staatsgecentraliseerde naar economisch-liberale gemeenschap. Hoewel China een stabiliserende factor in Azië is, bestaat er een hoge graad van corruptie. Het land vormt een belangrijke exportmarkt en speelt een belangrijke rol in de VN-veiligheidsraad.
Ondanks het feit dat de EU met China een dialoog over de mensenrechten is begonnen, valt er weinig vooruitgang te melden over de positie van dissidenten en de mensenrechten in Tibet. Voor het Nederlandse en het EU-beleid zou gekozen moeten worden voor een «Helsinkiachtige benadering» in de vorm van een koppeling van kritische mensenrechtenpolitiek, economisch, milieu- en ontwikkelingsbeleid en discussies over veiligheid en proliferatie. Wanneer concrete vooruitgang ontbreekt op het terrein van de mensenrechten, heeft dat gevolgen voor andere sporen, waaronder ORET. In het landenbeleidsdocument ontbreekt deze samenhang.
De heer Koenders pleitte voor een evaluatie van de mensenrechtendialoog tussen EU en China zodat beleidsconclusies kunnen worden getrokken, ook ten aanzien van Tibet. Duidelijk is dat dissidenten niet worden geduld, dat er sprake is van administratieve detentie, dat het recht van vrije meningsuiting ontbreekt; in 1996 werden meer dan 6000 doodsvonnissen uitgevoerd. Hoewel de trojka naar Tibet daar onder strikte Chinese regie heeft gefunctioneerd en aan haar rapport geen beleidsconclusies zijn verbonden, kan deze operatie worden gezien als een stap voorwaarts.
Wat ORET betreft dient er veel meer sprake te zijn van een missiebenadering, specifiek gericht op het water. De overstromingen van de Yangtze zijn onder meer veroorzaakt door slecht milieu- en watermanagement. Van het pakket-Kok zijn nog heel wat middelen uit te geven. De mogelijkheid doet zich voor noodhulp te koppelen aan ontwikkelingssamenwerking. Beide ministers dienen na te gaan wat dit betekent voor het beleid van multilaterale instellingen.
Het SZW-beleid betreffende pensioenen en sociale verzekeringen moet met kracht worden voortgezet. Hoe is het gesteld met de licentie voor ING?
Ondanks de vele missies zijn de cijfers omtrent de export naar China teleurstellend. Kan deze moeizame ontwikkeling met een analyse worden verduidelijkt? In elke economische missie naar China dient een vakbondsvertegenwoordiger te worden opgenomen. De Kamer dient, met het oog op de OS-begrotingsbehandeling een rapportage te worden toegezonden over mogelijke concentratie op de watersector en over de zin en de onzin van hulp aan een land dat toegang heeft tot de internationale kapitaalmarkt.
De heer Hessing (VVD) herinnerde eraan dat door de VVD bij herhaling is gepleit voor het type document dat thans aan de orde is, om een beter inzicht in het beleid van Buitenlandse Zaken te verkrijgen, om integratie, samenhang en coördinatie te bevorderen, om van ontwikkelingen kennis te nemen en om de toezichtsfunctie van de Kamer te bevorderen. Wat het laatste punt betreft is een verdere aanscherping mogelijk; duidelijke prioriteitstellingen en beleidskeuzen ontbreken nog. Het onderhavige document is een perfecte illustratie van de complimentariteit en de synergie van politieke en economische samenwerking, zoals bedoeld bij de behandeling van de begroting voor 1998. Wellicht komt de notitie die over dit onderwerp is toegezegd, binnenkort beschikbaar.
De economische ontwikkeling van China is imposant en fascinerend; het land blijkt vooralsnog bestand te zijn tegen het virus van de Aziatische financiële crisis. Er zijn restricties in het kapitaalverkeer onder andere ten aanzien van kortetermijnleningen, de deviezenreserves zijn ruim en wat de buitenlandse investeringen betreft is ervoor gezorgd dat ze de absorptiecapaciteit niet te boven gaan. De situatie op het terrein van natuur en milieu is echter zorgwekkend.
De in het tweede hoofdstuk aangegeven hoofdlijnen van beleid worden door de fractie van de VVD onderschreven; de verwoorde doelstellingen lijken realistisch. Welke accenten worden gelegd en welke activiteiten worden ontwikkeld om deze doelstellingen te realiseren? De benadering van de regionale en sectorale concentratie is prima, maar niet duidelijk is hoe de regio-markt-sectorcombinaties worden uitgevoerd. Hier liggen enorme kansen voor het Nederlandse bedrijfsleven.
Het onderdeel ontwikkelingssamenwerking hangt er als los zand bij, geïsoleerd van het geïntegreerde beleid. Wellicht is dit een gevolg van een bewust door de vorige minister van OS gekozen strategie, maar dit komt neer op verspilling van middelen omdat kansen op synergie niet worden benut. Er dient meer accent te worden gelegd op het stimuleren van de private sector in China omdat dit van grote betekenis is voor de lokale economie en werkgelegenheid en omdat daarmee de vraag naar geschoolde krachten, de economische zelfstandigheid en de opkomst van middengroepen worden bevorderd. Van belang is dat Chinese studenten in Nederland komen studeren, opdat zij waarnemen hoe democratie en markteconomie functioneren en er banden ontstaan voor mogelijke toekomstige samenwerking.
Op het terrein van de mensenrechten zag de heer Hessing enkele verbeteringen, verwijzend naar de dialoog tussen EU en China en het bezoek van de hoge commissaris voor de mensenrechten, mevrouw Robinson. Toch is hier nog een lange weg te gaan. Er zou kunnen worden gekozen voor een «Helsinkiachtige» benadering, inclusief een relatie tussen mensenrechten en economische samenwerking, maar voorkomen moet worden dat weerstanden ontstaan door het heffen van een Nederlands vingertje.
De heer Hessing vroeg de minister van Buitenlandse Zaken in te gaan op het belang van China bij een goede bilaterale relatie met Nederland en op de rol van China ten aanzien van de regionale stabiliteit en veiligheid, inclusief de relaties met India-Pakistan, Rusland, Japan en de Verenigde Staten.
De overstromingen in China bieden Nederland een mooie kans om tot concrete samenwerking te komen. Voor OS en het bedrijfsleven zijn er opgelegde kansen om bij dit beleid aan te sluiten. Hoe is het gesteld met de «workshop» die met betrekking tot dit onderwerp zou worden opgezet?
De Kamer dient voorts te worden geïnformeerd over de voortgang inzake het pakket-Kok en over de follow-up van de reis van de minister van Economische Zaken.
De heer Van Middelkoop (GPV) zag in de bespreking van dit document toch vooral de muis die zijn relaties met de olifant beziet; enige bescheidenheid misstaat Nederland niet. Voorts nemen de bestaande economische vergezichten in de relatie met China niet weg, dat het gaat om een atheïstisch communistisch land waar de mensenrechten ernstig worden beknot. De status van het onderhavige regiodocument blijft wat diffuus; er is sprake van verantwoording tegenover de Kamer maar het stuk functioneert ook intern.
Wat de EU-resolutie in het kader van de mensenrechtencommissie in Genève betreft, is men terecht overgegaan van veroordeling naar dialoog. Van betekenis is echter dat Nederland niet uitsluitend in algemene termen spreekt maar ook eigen accenten legt, bijvoorbeeld ten aanzien van de centrale vrijheden van meningsuiting en godsdienst; dit past goed bij de beste Nederlandse tradities.
Het blijft moeilijk vrede te hebben bij de afgedwongen Nederlandse steun aan het één-Chinabeleid, aangezien Taiwan in politiek en democratisch opzicht een meer aan Nederland verwant land is. Op welk niveau worden Taiwanese vertegenwoordigers door het departement ontvangen?
In het verslag van de trojkamissie naar Tibet valt de vasthoudendheid op waarmee men heeft getracht de laatste reïncarnatie van de Panchen Lama te bezoeken. Wat wordt er in concrete zin met dit verslag gedaan?
Begin 1997 werd Nederland vanwege zijn gedrag in Genève door China afgestraft; het bezoek van minister Wijers werd uitgesteld terwijl China weigerde mee te werken aan het activeren van het ORET-programma. In het plenaire debat van juni 1997 over deze kwestie beloofde minister Pronk niet meer zomaar het overleg met de Chinezen te activeren, maar slechts overleg te voeren wanneer de Chinezen dat zouden willen, en dan in combinatie met het mensenrechtenbeleid. De Kamer zou van een en ander op de hoogte worden gehouden, maar hierover is niets meer vernomen terwijl ORET blijkbaar gewoon doorgaat.
De in het verslag van de reis van minister Wijers genoemde schenking «van 40% onder ORET ten behoeve van de uitbreiding van het vliegveld van Chengdu» behoeft verduidelijking. Voorts blijkt dat Nederland steun geeft aan de strategie van de Europese Commissie, gericht op toelating van China tot het WTO, zulks onder de voorwaarde dat China niet als ontwikkelingsland wordt beschouwd. Waarom is er dan wel een ontwikkelingsrelatie met China?
Op het milieuterrein moeten kansen worden benut om China te helpen, maar ook om dit land te bewegen tot meer inschikkelijkheid in verband met het protocol van Kyoto.
In China bestaan thans vier Nederlandse steunpunten en minister Wijers heeft aangegeven dat er nog vier bijkomen. Wat is de status van deze steunpunten? Maken zij deel uit van het postennetwerk en hoe is de financiering ervan geregeld?
Mevrouw Van Ardenne (CDA) vond het document goed leesbaar maar beschouwde het toch vooral als een weergave van de huidige stand van zaken. In het volgende regiobeleidsdocument zal meer rekening moeten worden gehouden met toekomstige ontwikkelingen, geopolitieke verhoudingen, bevolkingsontwikkeling enz. Bovendien is nu te weinig aandacht gegeven aan de mensenrechten. Een uitvoerige schets van de bestaande beknotting van vrijheden, waaronder die van godsdienst, ontbreekt; meer aandacht moet worden gegeven aan de ondergrondse katholieke kerk, de doodvonnissen, de dwangarbeid en de opvoedingskampen.
Bij de in de toekomst door bewindslieden naar China te maken reizen dienen vooral de terreinen naar voren te komen waarop Nederland deskundig is, zoals waterbeheer en landbouw. Uit de lijst van prioriteiten zal een keuze moeten worden gemaakt.
De groeiende Chinese uitgaven voor defensie worden thans geschat op 28 mld. tot 30 mld. dollar terwijl de krijgsmacht blijkbaar aan een eigen oncontroleerbare winkelnering doet en inkomsten verwerft uit verkoop van materieel. Tegen die achtergrond rijst de vraag of Nederland de bestaande ontwikkelingsrelatie met China, een kernwapenmacht, moet voortzetten. De regering zou in meer algemene zin in een notitie op dit vraagstuk moeten ingaan, opdat normen worden geformuleerd. Steeds weer blijkt dat landen die geen middelen hebben voor sociale voorzieningen voor de eigen bevolking, zich extreem bewapenen.
Mevrouw Van Ardenne vond dat de geopolitieke positie van China in het document onderbelicht was gebleven. Het stuk werd opgesteld voordat de recente Russische ontwikkelingen zich voordeden. Hoe schatten de ministers de Chinese positie in waar het gaat om de internationale economische ontwikkelingen, mede in relatie met de Wereldhandelsorganisatie? Welke belemmeringen doen zich voor bij het bevorderen van meer handel en investeringen in de relatie Nederland–China?
Nog niet zo lang geleden deed een Nederlandse minister van Landbouw in China de uitspraak: «ik heb niets over mensenrechten gezegd want de Chinezen vroegen daar niet naar.» De universaliteit van de mensenrechten houdt echter in dat het om een algemeen gegeven gaat, waarop landen elkaar kunnen en moeten aanspreken.
Enerzijds is in de loop van 1998 gebleken dat het aantal Chinese asielzoekers toeneemt. Is dit een gevolg van het feit dat het relatief gemakkelijk is valse paspoorten en visa te verkrijgen? Anderzijds blijkt het voor Chinese studenten zeer moeilijk te zijn om in Nederland te gaan studeren terwijl dit nu juist moet worden gestimuleerd.
Mevrouw Vos (GroenLinks) was van oordeel dat het onderdeel mensenrechten meer aandacht had moeten krijgen, gelet op het belang dat de Nederlandse politiek hecht aan dit element in de relatie met China. Het Amnestyrapport van februari 1998 maakt duidelijk dat de situatie op dit terrein nauwelijks verbeterd is; politieke dissidenten en werknemers die voor hun rechten opkomen worden opgepakt, minderheden worden onderdrukt, velen zitten in heropvoedingskampen vast, de procesgang is ondeugdelijk, de doodstraf wordt steeds vaker toegepast, enz. Dit alles had het kabinet tot duidelijker analyses en conclusies moeten brengen, ook omdat de mensenrechten in het regeerakkoord worden vermeld als een belangrijk fundament voor het buitenlandse beleid. Dit aspect dient sterk te worden betrokken bij toekomstige missies naar China, mede in relatie met ORET. Kan de Kamer een overzicht worden gegeven van wat in het verleden op dit terrein is gedaan en van toekomstige beleidslijnen? Vraagtekens moeten worden gezet bij ORET wanneer ten aanzien van de mensenrechten geen vooruitgang wordt geboekt. Bovendien moet worden betwijfeld of dit de hulp is die nodig is in het kader van armoedebestrijding.
De economische ontwikkeling in China levert aanzienlijke verschillen op; in de kustregio's gaat het veel beter dan in andere gebieden. Op welke manier wordt hiermee in het Nederlandse beleid rekening gehouden? Aangegeven wordt dat ontwikkelingssamenwerkingsprojecten moeten worden uitgevoerd overeenkomstig Chinese prioriteiten. Sluiten deze steeds aan bij het Nederlandse beleid waarin extra aandacht wordt gegeven aan de positie van vrouwen, het milieu en steun aan NGO's? De minister voor OS heeft gezegd dat zij een «lege pot» heeft aangetroffen. Is tegen die achtergrond ORET wel het type hulp dat prioriteit verdient en moet worden voortgezet? Waarom worden CO2-reductieprojecten betaald met OS-middelen en niet door het ministerie van VROM?
Mevrouw Vos vroeg voorts naar de doeleinden van de culturele samenwerking met China. Zijn er op dit terrein mogelijkheden om contacten te leggen met dissidente groepen? Hoe verhoudt de promotie van de Nederlandse intensieve landbouw zich met de Nederlandse inzet om tot verbetering van het milieu in China te komen?
Inderdaad leiden de grote Chinese militaire uitgaven tot de vraag of Nederland nog wel een ontwikkelingsrelatie met dit land moet onderhouden. Het Chinese leger bouwt handelssystemen op om eigen inkomsten te verwerven en gaat daarbij blijkbaar ook relaties met Nederlandse bedrijven aan, waaronder KPN, zoals blijkt uit een artikel in Trouw van februari 1998.
De heer Hoekema (D66) beschreef China als een land met tikkende tijdbommen, verkerend in een transformatie van een monolitische staat naar een pluriforme markteconomie, wellicht de tweede supermogendheid. De bevolkingsproblematiek is gigantisch; welke dialoog moet in het kader van het VN-bevolkingsprogramma met China worden gevoerd om de ruwe kanten van de aanpak aldaar weg te nemen?
Duidelijk moet worden gemaakt wat Nederland precies met zijn ontwikkelingsrelatie met China voor ogen heeft. Inderdaad dient er een evaluatie te volgen en moeten aan deze naar de mening van D66 voort te zetten relatie voorwaarden worden verbonden die verband houden met controle op de besteding van middelen, de hoogte van de defensie-uitgaven en de mensenrechten. Naast ORET/MLIEV dient het accent te liggen op milieu en onderwijs/training, terreinen ten aanzien waarvan Nederland relatief veel expertise kan inbrengen. D66 voelt niet veel voor een tweede armoedebestrijdingsproject voordat het eerste goed is geëvalueerd.
De heer Hoekema vond dat de brede, geïntegreerde politieke dialoog met China, eerder met een niet geheel juiste vergelijking als «Helsinkiachtig» omschreven, zich zou moeten richten op ontwikkelingssamenwerking, de positie van China in Azië, veiligheidsbeleid, enz., maar er is tussen Nederland en China inderdaad sprake van een muis-olifantrelatie. Daarom dient deze dialoog te worden gevoerd in het raam van de EU en in samenspraak met de Verenigde Staten. Na een nogal problematische periode heeft men nu in de bilaterale dialoog de lijn omhoog gevonden. In hoeverre is thans het «lijstje van Andriessen» gerealiseerd en hoe komt het dat Nederland, de vierde Europese handelspartner van China, in dat land zo weinig investeert?
Vaak wordt gesteld dat in China een democratie van onderop zou kunnen ontstaan. Tegen die achtergrond moet steun worden gegeven aan NGO's die zich met democratisering en mensenrechten bezighouden. Bestaan daartoe mogelijkheden? Het regiobeleidsdocument gaat nauwelijks in op de democratie in Hongkong. Bekend is dat de leden van de Legislative Council niet democratisch worden gekozen en dat die raad voor China wordt gemanipuleerd.
China heeft zich aangesloten bij het MTCR, het regime inzake rakettechnologie, maar het land is tegelijkertijd in dit opzicht een «country of concern». Hoe is deze spanning te verklaren? De kwestie van de Spratley-eilanden kan de stabiliteit in de regio verstoren. Moet hiervoor niet worden gedacht aan een internationale geschillenbeslechting? Is er sprake van een uitgesproken Nederlands Taiwanbeleid? Is China met de vier steunpunten die onder het postennetwerk vallen, voor de komende jaren voldoende gedekt? Jammer is dat de EU-missie naar Tibet moet worden beschouwd als een totaal door China geregisseerde aangelegenheid. Dit onderwerp moet op de politieke agenda van de EU en de Verenigde Staten worden gehandhaafd.
De minister van Buitenlandse Zaken zag de regiobeleidsdocumenten als een gevolg van de herijking. Met deze stukken wordt het totale beleid voor regio's weergegeven. Wellicht zal in de toekomst in deze documenten meer aandacht moeten worden gegeven aan het leggen van accenten en het stellen van prioriteiten; dit is ook tijdens een interne bespreking van het thema regiobeleidsdocumenten bepleit. Tegen die achtergrond kan de watersector worden genoemd, een terrein waarop Nederland een naam hoog te houden heeft, maar ook kan worden gedacht aan landbouw en milieu en het bevorderen van duurzame ontwikkeling.
Inderdaad speelt het enorme land China in de regio een stabiliserende rol, hetgeen ook is gebleken na de kernproeven in India en Pakistan. De internationale gemeenschap verlangt dat China een ordentelijke plaats inneemt in het totale wereldverband. Daarvoor is van essentiële betekenis dat China in samenspraak met de EU en de Verenigde Staten voortgaat op de weg naar het aanvaarden van een goed mensenrechtenbeleid, waarbij voorop dient te staan dat de relatie met een land nooit een ééndimensionale kan zijn. Tegen die achtergrond is gesproken over een Helsinkiachtige benadering, maar wellicht moet de voorkeur worden gegeven aan de term die mevrouw Albright gebruikt: multifacetedbeleid. Het beleid moet worden gekenmerkt door verschillende sporen die onderling verbonden zijn; zo dienen de mensenrechten in het totaal van de relatie, óók de bilaterale, een vaste plaats in te nemen. Bij zijn bezoek aan China in 1995 heeft ook de heer Kok overeenkomstig dit stramien gehandeld.
Er zijn in China met betrekking tot de mensenrechten positieve ontwikkelingen waar te nemen. Vier jaar geleden zou het debat tussen de president van de Volksrepubliek en de president van de Verenigde Staten, zoals het korte tijd geleden werd gevoerd, ondenkbaar zijn geweest. Uit besprekingen met Chinese autoriteiten komt ook naar voren dat men bereid is om in openheid over mensenrechtenkwesties te spreken. Ook uit het bezoek van mevrouw Robinson blijkt dat men in China met meer openheid en transparantie over dit vraagstuk wil spreken; zij krijgt te zien wat zij wil zien en te spreken wie zij wil spreken. Bovendien heeft China recent aangegeven dat men bereid is, de conventie inzake politieke en civiele rechten te ondertekenen.
Nederland heeft een brede bilaterale relatie met China, hetgeen ook blijkt uit het feit dat de minister van Justitie onlangs op het terrein van juridische samenwerking een memorandum of understanding (MOU) heeft gesloten. Het thema mensenrechten wordt echter voornamelijk behandeld in het kader van de EU. Het is tegen die achtergrond dat alle punten aan de orde komen, inclusief Tibet en de vrijheid van godsdienst. De dialoog heeft inmiddels al in vier ronden plaatsgevonden; de vijfde is in het najaar aan de orde. In januari 1999 vindt vervolgens een evaluatie plaats, in elk geval vóór de bijeenkomst van de mensenrechtencommissie van de VN. Aan de hand van deze evaluatie kan tegenover de Kamer verantwoording worden afgelegd.
De conclusies die door de Tibettrojka zijn verwoord, worden betrokken bij het overleg in de Aziëwerkgroep. Uiteraard hanteert Nederland in dit verband enkele desiderata, waaronder de stelling dat de mensenrechtensituatie in Tibet deel dient te blijven uitmaken van de Chinadialoog. Een vertrouwelijk rapport, opgesteld naar aanleiding van de missie van de Tibettrojka, is er niet.
China speelt op het gebied van de proliferatie van kernwapens een positieve rol, óók in relatie met de eigen omgeving. Daar staat tegenover dat de positie die China op het terrein van de rakettechnologie inneemt, ondoorzichtig is en tot zorg leidt. Het kernwapenbeleid en het kernarsenaal vormen een onderdeel van het multifacetedbeleid van mevrouw Albright. Het is te vroeg om nu al te filosoferen over de relaties zoals die tussen China en de Russische Federatie.
De economische relatie met Taiwan is een intensieve; de export omvat een totaal van 3 mld. Bovendien zijn er vele contacten op cultureel terrein. Uitgangspunt blijft dat de regering een één-Chinabeleid voert. Vertegenwoordigers van Taipeh worden op het ministerie op directeursniveau ontvangen.
De genoemde steunpunten maken deel uit van het postennetwerk en worden met middelen van de begroting van Buitenlandse Zaken gefinancierd. Voorts kunnen nu geen mededelingen worden gedaan over de voortgang met betrekking tot het «lijstje van Andriessen»; vragen over dit onderwerp zullen schriftelijk worden beantwoord. Wellicht blijven Nederlandse investeringen in China achter omdat de daarvoor te volgen trajecten bijzonder lang zijn.
Het aantal Chinese asielzoekers dat zich in Nederland meldt, neemt inderdaad toe. Aangezien ze vaak niet over papieren beschikken, is het moeilijk om deze mensen terug te sturen. Bovendien is er vaak sprake van het gebruik van valse visa. De controle is verscherpt en als gevolg van meer toezicht worden steeds meer illegalen ontdekt die vervolgens een beroep doen op asielmogelijkheden.
De minister voor Ontwikkelingssamenwerking gaf al tijdens een eerder gehouden AO aan, dat de voor ontwikkelingssamenwerking beschikbare spoeling tamelijk dun bleek te zijn. Bovendien blijkt er met betrekking tot het ontwikkelingsbeleid in de afgelopen jaren sprake te zijn geweest van een geweldige proliferatie zowel wat betreft landen als wat betreft thema's. Dit levert serieuze beheersproblemen op terwijl binnenkort efficiencyoperaties aan de orde komen. Daarom moet worden nagegaan in welke mate er kan worden geconcentreerd.
In het kader van de Wereldhandelsorganisatie wordt China niet als ontwikkelingsland beschouwd. Verder heeft China in het verleden genereus de Wereldbank laten weten dat het niet langer IDA-middelen behoefde te hebben. Dit «zachte» geld moest gaan naar de landen die het werkelijk nodig hadden, en China vond dat het niet meer tot die groep behoorde. Deze feiten zijn van betekenis wanneer de ontwikkelingsrelatie aan de orde wordt gesteld. Dat geldt ook voor het antwoord op de vraag of het land toegang heeft tot de internationale kapitaalmarkten; wat dit betreft kan worden verwezen naar het niveau van particuliere investeringen. Al met al rijst de vraag of Nederland ooit met deze ontwikkelingsrelatie zou zijn begonnen wanneer er eerder een beter besef zou zijn geweest met betrekking tot de beperkte middelen en beheersmogelijkheden.
Niettemin ligt er een pakket-Kok van een half miljard; de naamgeving ervan duidt op een zekere onomkeerbaarheid. Daarnaast is er sprake van een pakket voor armoedebestrijding en milieu van 50 mln. Beide pakketten zijn gericht op een periode van zeven jaar. Een goede methode om op termijn meer coherentie en synergie te bereiken, is nu vast te stellen dat China na afloop van de periode van zeven jaar niet meer wordt beschouwd als een ontwikkelingsland. In de tussenliggende periode kan worden getracht om binnen de mogelijkheden van het pakket-Kok meer coherentie aan te brengen, waarbij het thema «water» als aantrekkelijke optie naar voren komt. In oktober zal in een overleg met de vice-president van de Wereldbank worden nagegaan wat deze instelling al op dit terrein doet. Ook zal worden gesproken met de Chinese delegatie zodat duidelijk wordt welke prioriteiten men stelt. Wellicht kan gezamenlijk worden bereikt dat «water» het dominante thema wordt, om te beginnen in het kader van ORET. Ook het spoor armoedebestrijding kan hierbij worden betrokken, zij het dat daarbij heel andere instrumenten aan de orde komen dan bij het financieren van een exportorder. Van het ORET-budget is reeds éénderde bestemd terwijl voor armoedebestrijdingsprojecten een veel langere adem nodig is.
In reactie op interrupties gaf de minister aan dat het uiteraard niet mogelijk is om van de ene dag op de andere te bepalen dat er geen cent van ORET meer wordt ingezet ten behoeve van de «droge sector»; er zijn verwachtingen gewekt, óók bij het bedrijfsleven. Overleg zal duidelijk moeten maken wat de Chinezen vinden en willen. Als blijkt dat zij de thematische benadering, gericht op water, op prijs stellen, is het gemakkelijker om het Nederlandse bedrijfsleven duidelijk te maken dat het weliswaar om een generiek instrument gaat, maar dat er keuzen moeten worden gemaakt, waarbij de Nederlandse en Chinese voorkeur uitgaat naar de sector water. Het op blz. 22 van het document vermelde overzicht van activiteiten komt neer op een nogal ruime waaier; een verdergaande focus is dan ook welkom.
Van het ORET-budget is tot nu toe éénderde gecommitteerd; met betrekking tot de rest is een gedeelte geïnitieerd, zodat in verband daarmee gesproken kan worden over gewekte verwachtingen. Juist omdat de belangstelling van het bedrijfsleven zeer groot is, is er de mogelijkheid om tot een nadere selectie te komen, mede in relatie met de ontwikkelingsrelevantie van activiteiten. In het voorjaar van 1999 zal de Kamer worden geïnformeerd over de voortgang van het ORET-pakket en over de resultaten van het met China te voeren overleg.
Al sedert 1997 wordt, naar aanleiding van het rapport van een missie, met de Chinezen getracht een waterseminar op te zetten. Echter, een reorganisatie van Chinese ministeries leidt tot vertraging.
De bijdrage ten behoeve van het vliegveld van Chengdu omvat 45% van de totale transactie; tegenwoordig wordt hiervoor het percentage 35 gehanteerd. Deze middelen behoren bij het éénderde gedeelte van het ORET-pakket dat inmiddels is gecommitteerd.
De kwestie van de mensenrechten blijft een belangrijk onderdeel van het beleid. In de afgelopen jaren zijn de ergste schendingen van deze rechten in het kader van de Chinese bevolkingspolitiek verminderd; in toenemende mate worden uitzonderingen toegelaten in regio's en voor bepaalde etnische groepen. Ook in het kader van de VN wordt ingespeeld op het feit dat er meer mogelijkheden komen om met China samen te werken op basis van vrijwillige geboortebeperking.
De voorzitter stelde vast dat de in dit AO niet beantwoorde vragen op korte termijn schriftelijk zullen worden beantwoord.
Samenstelling: Leden: Blaauw (VVD), Weisglas (VVD), Van den Berg (SGP), Ter Veer (D66), Van Middelkoop (GPV), Van Gijzel (PvdA), Voorhoeve (VVD), Hillen (CDA), Valk (PvdA), Verhagen (CDA), ondervoorzitter, Hessing (VVD), Van Ardenne-van der Hoeven (CDA), Hoekema (D66), Marijnissen (SP), M. B. Vos (GroenLinks), Dijksma (PvdA), Van den Doel (VVD), Koenders (PvdA), De Boer (PvdA), voorzitter, De Milliano (CDA), Ross-van Dorp (CDA), Karimi (GroenLinks), Timmermans (PvdA), Van Dok-van Weele (PvdA), Wilders (VVD).
Plv. leden: Dijkstal (VVD), Bolkestein (VVD), De Graaf (D66), Van 't Riet (D66), Rouvoet (RPF), Duivesteijn (PvdA), Patijn (VVD), Visser-van Doorn (CDA), Zijlstra (PvdA), Eurlings (CDA), Cherribi (VVD), De Haan (CDA), Scheltema-De Nie (D66), Van Bommel (SP), Harrewijn (GroenLinks), Bussemaker (PvdA), Remak (VVD), Albayrak (PvdA), Van Oven (PvdA), Van den Akker (CDA), Leers (CDA), Vendrik (GroenLinks), Apostolou (PvdA), Arib (PvdA), Balemans (VVD).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-25535-7.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.