25 535
Regiobeleidsdocumenten/ landenbeleidsdocumenten

nr. 2
VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 27 november 1997

De vaste commissies voor Buitenlandse Zaken1 en voor Economische Zaken2 hebben op 29 oktober 1997 overleg gevoerd met minister Van Mierlo van Buitenlandse Zaken en minister Pronk voor Ontwikkelingssamenwerking over het regiobeleidsdocument Midden-Oosten.

Van het gevoerde overleg brengen de commissies bijgaand beknopt verslag uit.

De voorzitter wijdde enkele woorden aan het overlijden van Maarten van Traa. De manier waarop op de herdenkingsbijeenkomst in Amsterdam over hem is gesproken, strekte Maarten tot eer. Hij dankte de minister van Buitenlandse Zaken voor de persoonlijke brief aan de commissie voor Buitenlandse Zaken, waarin tot uitdrukking werd gebracht hoezeer Maarten van Traa met de commissie en haar leden was verbonden. De wijze waarop hij de contacten met het buitenland onderhield, kan een voorbeeld zijn voor velen in de nationale politiek.

Vragen en opmerkingen uit de commissies

De heer Van den Bos (D66) memoreerde het bezoek twee jaar geleden van de commissie aan het Midden-Oosten. De algemene conclusie was destijds dat het vredesproces onomkeerbaar was geworden. De enige hoop die nu nog rest is dat er ooit sprake was van een hoopvolle situatie.

Afgezien van de fouten van Palestijnse kant heeft premier Netanyahu inmiddels aangetoond dat het vredesproces wel degelijk omkeerbaar is, als je maar genoeg beoordelingsfouten maakt, als je je gesprekspartner Arafat bruuskeert, als je de contacten met Jordanië op het spel zet en als je het zelfs presteert om je trouwe bondgenoot de Verenigde Staten tegen je in het harnas te jagen. Je moet het behoorlijk bont maken, wil je als Israëlische premier niet ontvangen worden door de Amerikaanse president. Waar Rabin en Peres de moed hadden, de weg naar de vrede open te breken, heeft Netanyahu vooral de euvele moed om met name blokkades op te werpen. Netanyahu is niet meer in staat om aan te tonen dat de stagnatie van het vredesproces uitsluitend aan de Palestijnen te wijten is. Hij wil eerst garanties voor veiligheid en ziet onvoldoende in dat meer veiligheid juist het resultaat zal zijn van het vredesproces. Zijn onwrikbare houding creëert een klimaat van frustratie en onveiligheid, met risico's voor vijandelijkheden op nog veel grotere schaal.

In het informatieve, gedegen beleidsdocument wordt terecht uitgegaan van een samenhang tussen de politieke, de economische en de hulpverlenende benadering. Een geïntegreerde, herijkte benadering is bij uitstek geschikt voor de oplossing van de problemen rondom het vredesproces in het Midden-Oosten. Welvaartsverhogende economische relaties en ontwikkelingssamenwerking zijn noodzakelijke voorwaarden voor een langdurige, gestabiliseerde vrede. Op zichzelf zijn deze voorwaarden helaas niet voldoende. Essentieel blijft de politieke opstelling van de betrokken partijen. Het uitblijven van vrede betekent in de praktijk ook het uitblijven van een welvaartsontwikkeling, alleen al omdat het investeerders en toeristen afschrikt.

De politieke vragen die beantwoord moeten worden voordat over de langere termijn gesproken kan worden, is hoe de stagnatie bij de uitvoering van interimakkoorden doorbroken kan worden en hoe de permanente statusonderhandelingen vlotgetrokken kunnen worden. Wat kan, gegeven de ontstane situatie, de internationale gemeenschap, in het bijzonder de VS en Europa, nog doen om de vrede te bevorderen? Welke rol kan Nederland spelen? Zo lang de regering-Netanyahu zich weinig tot niets gelegen laat liggen aan de Verenigde Staten kan Europa, dat een complementaire rol wil spelen, buitengewoon weinig doen. De Europese invloed is wel toegenomen door de speciale afgezant. De Israëlische regering hoort hem echter wel aan, maar luistert niet naar hem, dus dat schiet bijzonder weinig op. Welke mogelijkheden ziet de regering voor Europa om toch een zinvolle rol te spelen in het Midden-Oosten? Een ervaringsfeit is dat naarmate er meer openlijke druk op Israël wordt uitgeoefend, de regering-Netanyahu de neiging heeft om steeds recalcitranter te worden. Hoe kan er een einde worden gemaakt aan dat duivelse dilemma?

Het is onduidelijk hoe de regering-Netanyahu zelf tegen het vredesproces aankijkt. Hoe ziet zij de toekomstige relaties met de buurlanden? Hoe ziet zij de ontwikkeling van de Palestijnse entiteit of staat? Kan de regering daarover meer zeggen dan in het beleidsdocument is terug te vinden?

Vindt de regering het wenselijk dat de Verenigde Staten – en in het verlengde daarvan de Europese Unie – inhoudelijke standpunten formuleren ten aanzien van het gewenste resultaat van de vredesonderhandelingen? Hoe kijkt Europa aan tegen de toekomstige positie van Jeruzalem, tegen de toekomstige structuur van de Palestijnse staat en tegen de oplossing van het probleem van de vluchtelingen? Is het denkbaar dat Europa en de Verenigde Staten samen op deze essentiële punten één lijn ontwikkelen en meer doen dan het faciliëren van de onderhandelingen? Kunnen zij trachten om inhoudelijk een zekere basis voor compromisvorming bij de strijdende partijen aan te dragen?

In het document is weinig terug te vinden over de rol van de ambassades ter plaatse. Wat kunnen zij doen aan de intensivering van deze relaties? Is er een strategie ontwikkeld? Hoe is de personele bezetting van de ambassades? Is men voorbereid op de taken die het bedrijfsleven van hen verwacht? Hoe ziet de minister voor Ontwikkelingssamenwerking de rol van de NGO's in de regio, vooral met het oog op de intentie van de regering om een civil society tot stand te brengen? Er wordt in het document wel ingegaan op de NGO's in Egypte, maar niet op die in de Palestijnse gebieden.

De heer Verhagen (CDA) vroeg wanneer de overige beleidsdocumenten verwacht kunnen worden, die al voor Prinsjesdag beschikbaar zouden zijn. Het beleidsdocument correspondeert niet met de door de minister gewekte verwachtingen. Alle denkbare aspecten van het bilaterale overleg zijn in het document opgenomen, maar er is geen sprake van een geïntegreerd beleidskader. Het doel van de herijking was, een coherent, effectief beleid te bewerkstelligen. De bijdragen van de diverse ministeries zijn samengevoegd, maar niet geïntegreerd. Een voorbeeld is de problematiek van de Palestijnse vluchtelingen, die nauwelijks aan de orde komt. Op welke wijze wordt aan een oplossing daarvan gewerkt? Er wordt gesteld dat in de Euromediterrane akkoorden aan de terugkeer aandacht besteed zal worden, maar in het enige huidige akkoord, namelijk met Israël, ontbreekt een terugnameclausule. In de aanzetten voor de te ontwikkelen relatie met Jordanië komt dat probleem niet aan de orde. Een samenhangend, effectief beleid kan vruchten afwerpen. Er ontbreekt in het document een visie op dit punt.

In een samenhangend beleid moet een prioriteitsstelling mogelijk zijn. In het document worden vijf doelstellingen geschetst. De Europese Unie heeft drie beleidslijnen uitgezet. Er worden acht uitgangspunten genoemd die aan de verklaring van de Europese Raad ten grondslag liggen, maar waaraan wordt prioriteit gegeven? Uit het document valt op te maken dat Nederland het vredesproces een warm hart toedraagt. Het welslagen daarvan behoort nummer één te zijn. De beleidsactiviteiten moeten daaraan gerelateerd zijn. In het beleidsdocument blijven een keuze en een operationalisering daarvan achterwege.

In het document had een analyse opgenomen moeten zijn van de huidige situatie, waaronder bijvoorbeeld de rol van het terrorisme. Hoe wordt omgegaan met Hamas en in relatie daarmee met Jordanië? Omdat ervan wordt uitgegaan dat het vredesproces voortgaat, heeft men blijkbaar afgezien van een analyse daarvan. Het Osloakkoord is gericht op de toenadering van twee partijen die in wezen elkaar niet erkennen. Israël wijst de vorming van een Palestijnse staat af en de PLO heeft in het handvest de vernietiging van Israël opgenomen. Hoe wordt omgegaan met dat dilemma en met de terechte vrees dat het vredesproces op springen staat? Op basis van een grondige analyse had meer invulling gegeven kunnen worden aan de complementaire rol van de Europese Unie ten opzichte van de Verenigde Staten. Gedurende het Nederlandse voorzitterschap heeft de minister daartoe wel aanzetten gegeven.

Ook het bilaterale beleid, dat complementair kan zijn aan het vredesproces, is onvoldoende uitgewerkt, en met name de bijdrage aan de ondersteuning van de versterking van de civil society. Verwacht mag worden dat over de grenzen van de regio wordt gekeken, indien een bijdrage consequenties kan hebben voor de ontwikkelingen in de regio's waarop het beleidsdocument zich richt. Ook al vallen Iran en Irak buiten het gebied van het Midden-Oosten, het is duidelijk dat hun rol op het punt van wapens, terrorisme en proliferatie van kernwapens enorme gevolgen kan hebben voor de ontwikkelingen aldaar. Deze landen zullen dan ook in de beleidsanalyse betrokken moeten worden.

De heer Van Middelkoop (GPV) vroeg de minister uit te leggen wat de precieze status van de documenten is. Is het document een nota? Kan er dus een notaoverleg over gehouden worden, waarbij moties ingediend kunnen worden? Het document maakt de indruk, te liggen tussen een interne ambtelijke notitie en een nota die aan de Kamer wordt overlegd.

Het document heeft een toegevoegde waarde. Het maakt de mix van beleidsdoelstellingen en de daarbij passende instrumenten beter zichtbaar. Er is meer samenhang aangebracht. De heer Van Middelkoop sprak waardering uit voor het document.

Een actualisering van het document na vijf jaar is een bijzonder lange termijn. Kan de minister een verduidelijking geven op dat punt? Kan de termijn verkort worden?

De departementen hebben ervaring opgedaan met het opstellen van dit type beleidsdocumenten. Het is niet de bedoeling dat regiodirecties budgetverantwoordelijkheid krijgen, maar zij stellen wel een stuk op. Hoe is de ontschotting op dat punt geregeld?

In het document wordt aangegeven wat onder het Midden-Oosten wordt verstaan: Egypte, Jordanië, Israël, Libanon, Syrië en de Palestijnse gebieden. Met name over Syrië had de heer Van Middelkoop meer verwacht. Hij stelde het op prijs als in vervolgnota's nader wordt ingegaan op en verantwoording wordt afgelegd over het postennetwerk. Waarom zijn er in een bepaalde regio militaire en in een andere culturele attachés? Voor welke lezer is het document bedoeld?

De heer Van Middelkoop struikelde over de zin in het document: «Nederland zelf was al vroeg een van de trouwste supporters van Israël». Dat is een buitengewoon onzorgvuldige en ongelukkige formulering. Er is een diepe verbondenheid, bij de een meer historisch, bij de ander meer religieus en bij de volgende meer cultureel bepaald.

Hij sprak waardering uit voor de erkenning van de complementaire rol van Europa.

In het document ontbreken volkenrechtelijke analyses, zoals de status van Oost-Jeruzalem, dat volkenrechtelijk gezien bezet gebied is, en een overzicht van VN peace keeping operations. Ook aan het terrorisme wordt weinig aandacht besteed. Hamas komt er niet in voor. Aanvaarding in de Knesset van de antimissionary law betekent een ernstige beknotting van de vrijheid van godsdienst in Israël.

Nederland is betrokken bij de aanleg van de haven in Gaza. Is de aanleg daarvan echt nodig? Wat is het achterland?

De heer Weisglas (VVD) sloot zich bij een groot aantal feitelijk vragen van collega's aan. Wat de waardering voor het document betreft, stond hij dichter bij de opvatting van de heer Van Middelkoop dan die van de heer Verhagen. Hij sloot zich expliciet aan bij de vragen van de heer Van Middelkoop over de status van het document en het «interne geboorteproces» binnen het departement. Waar ligt de ambtelijke eindverantwoordelijkheid? Hoe is de wisselwerking tussen het DG dat zich bezighoudt met politieke zaken en het DG dat belast is met regionale zaken? Hoe liggen intern de verantwoordelijkheden? De integratie, voortkomend uit de herijking, komt daarin tot uitdrukking.

De wisselwerking tussen Iran/Irak en het vredesproces in het Midden-Oosten is zo groot dat deze landen ook in het document aan de orde hadden moeten komen. Waarom is Europa zo terughoudend ten aanzien van de nucleaire ontwikkeling in Iran en de steun die Rusland daaraan geeft? De gevolgen daarvan gaan verder dan de regio van het Midden-Oosten.

De VVD-fractie blijft terughoudend ten opzichte van een wat «opdringerig» verlangen van Europa om een grote rol te spelen. Terecht wordt gesproken over een complementaire rol, maar er is in de VN sprake van een afwijkend stemgedrag van Europa vergeleken met dat van de VS. Het ontbreekt Europa aan machtsmiddelen, bijvoorbeeld het geven van garanties in het Midden-Oosten als sluitstuk van onderdelen van het vredesproces.

De heer Woltjer (PvdA) wees erop dat de ontwikkelingen van het vredesproces een enorme impact hebben op de economische ontwikkelingen in de regio. Feisal Husseini heeft tijdens zijn bezoek gevraagd om de specifieke relatie tussen Nederland en Israël en de Palestijnen te gebruiken voor het doorbreken van de impasse. Ziet de minister een mogelijkheid daarvoor?

In het document wordt terecht gewezen op het belang van de ontwikkelingen in Egypte en op de problemen zoals de watervoorziening en de bevolkingsgroei. In hoeverre zijn de effecten van de inspanningen op diverse niveaus gemeten?

Belangrijke doelstelling van de akkoorden terzake was de interregionale ontwikkeling meer op gang te brengen. Uit het document valt een sterk negatieve indruk waar te nemen. Zo lang er een impasse is in het vredesproces, zijn er nauwelijks mogelijkheden. Kunnen er in EU-verband drukmiddelen worden ingebouwd om de ontwikkeling daarvan te stimuleren? Voor het transport en de ontwikkeling van havens is interregionale samenwerking noodzakelijk.

In het document komen de negatieve effecten op de ontwikkelingen van de Palestijnse gebieden aan de orde door het regelmatig sluiten van de grenzen door Israël. Gezien de effectieve economische relaties van Israël met Europa mag verwacht worden dat de inspanningen van Europa ten behoeve van de Palestijnse gebieden, meer effect sorteren en niet overruled worden door politieke acties van Israël. Wellicht kan hieraan verdere uitwerking worden gegeven.

In het document wordt gewezen op de economische effecten van de boycot van Irak op de ontwikkelingen in bijvoorbeeld Jordanië. Kan de minister een toelichting geven op het beleid terzake?

In het document wordt het belang van vrijhandel benadrukt. Daarop zijn ook de associatieakkoorden gericht. Voor industrieproducten is Europa al opengesteld. Gesteld wordt echter dat Europa voor landbouwproducten de grenzen moet verruimen, dus niet openstellen. Europa stelt zich op landbouwgebied zeer terughoudend op. Waarom is de regering niet duidelijker op dat punt in die zin dat er gekozen wordt voor vrijhandel, dus ook op het terrein van landbouw?

Het antwoord van de regering

Minister Van Mierlo vond het jammer dat er weinig tijd is voor de eerste bespreking van het beleidsdocument en dat de minister van Economische Zaken wegens ziekte niet aanwezig kan zijn. Wellicht is het zinvol om het document, bedoeld voor vijf jaar, alsnog in aanwezigheid van de minister van Economische Zaken te bespreken.

In de aanbiedingsbrief is ingegaan op de bedoeling van het beleidsdocument. Het is geen normale presentatie van het beleid. Er kunnen vele analyses worden gemaakt, maar het vredesproces is onvoorspelbaar. Het is dan ook niet de bedoeling om dat proces te beschrijven. Het stuk is bedoeld voor de samenleving, het bedrijfsleven, de NGO's en ook voor Kamerleden. Het is niet de bedoeling dat het document door de Kamer wordt aangenomen. Het is een poging om een aantal aspecten bijeen te zetten, die ook alle in de desbetreffende commissies besproken worden. In de dagelijkse politieke praktijk worden de vruchten daarvan geplukt. Een en ander werkt op elkaar in.

De visie op het vluchtelingenvraagstuk behoort tot de final statusonderhandelingen. De houding van de Nederlandse regering is altijd geweest een en ander niet «dicht te timmeren». Het wordt aan betrokkenen overgelaten. Waar hulp wordt gevraagd, wordt die ook geboden. Voor de regeling inzake Jeruzalem is er geen concept van Nederland of van de EU, ook niet ten aanzien van de final status. In de verklaring van Amsterdam is opgenomen dat Europa van mening is dat in de bespreking van de final status de mogelijkheid van een Palestijnse staat niet bij voorbaat moet worden uitgesloten. Daarmee wordt ruimte gecreëerd.

De beleidsdocumenten zijn een experiment. Zij bieden een kader van gegevens waarbinnen het beleid zich moet vormen, naast memories van toelichting en notities over het gevoerde beleid. Het bilaterale beleid wordt steeds minder naarmate de Europese component toeneemt. Met de door de heer Verhagen aangelegde maatstaven moet zo'n document mislukken. Op basis daarvan is het onmogelijk om een stuk te maken dat alle verschillende elementen bijeenbrengt. Wellicht kan er nog wel verbetering in de afstemming worden aangebracht.

Wat het postennetwerk betreft, zijn er wat uitbreidingen geweest waarover aan de Kamer verantwoording is afgelegd. Wellicht kan de volgende keer daarop meer in detail worden ingegaan. Dat is ook voor het bedrijfsleven interessant. Er is een grotere autonomie bij bepaalde beleidsbeslissingen.

Van het geven van prioriteit aan het vredesproces is het stuk doordrongen. Omdat dit proces stagneert, is het moeilijk om een document daarop te baseren. Het uitgangspunt is dat het vredesproces door moet gaan en dat het uit de impasse moet worden gehaald. Er is geen ander acceptabel alternatief. Dat is ook de werkhypothese, anders wordt de gehele regio opgegeven.

Het document is opgesteld in zeer nauwe samenwerking met de andere departementen. De ambtelijke eindverantwoordelijkheid ligt bij de DG voor het regiobeleid. Dat verricht het handwerk en heeft er met name voor gezorgd dat de andere departementen hier zo veel mogelijk op in hebben gespeeld. De minister voor Ontwikkelingssamenwerking en de ministers van Economische Zaken en Buitenlandse Zaken dragen de politieke verantwoordelijkheid voor het totstandkomen ervan.

Voor Kerstmis komen China, Sub-Sahara Afrika en het Caribisch gebied aan de orde. In 1998 volgen Duitsland, Rusland, Verenigde Staten, Zuid-Azië, ASEAN, het Andesgebied, de Golfstaten en Marokko. Als er reden voor is, worden sommige landen er uitgelicht.

De rol van Europa is een belangrijk onderdeel geweest van het Gymnichoverleg van afgelopen weekeinde. Minister Poos bezoekt van 11 tot 14 november de regio. Hij reist onmiddellijk door naar Washington. Het doel van het bezoek is een versterking van de EU in het vredesproces en een nauwere afstemming van het beleid met de VS. Het door de speciaal vertegenwoordiger Moratinos opgestelde rapport The code of conduct – waarover van beide zijden waarderende woorden zijn uitgesproken – moet nog door Israël en door de Palestijnen aanvaard worden. Er zijn redenen om aan te nemen dat de VS zich hierachter zullen stellen. Het betreft een pakket van vertrouwenwekkende maatregelen dat erop is gericht om te voorkomen dat het onderhandelingsproces door incidenten stil komt te liggen. De EU beraadt zich op mogelijkheden ter verlichting van het tekort van de Palestijnse begroting van 50 mln. ecu. De gedachte is, een fonds ter beschikking te stellen van de Palestijnse autoriteiten. Israël mag echter niet het gevoel krijgen dat het de Palestijnen wel in de problemen kan brengen omdat de Europeanen hen toch wel via een fonds steunen. De EU doet veel aan steunverlening aan de Palestijnen, maar het is niet de bedoeling dat de andere zijde in het conflict daarvan profiteert.

Er moet haast gemaakt worden met het vliegveld en de haven van Gaza. Er zijn mogelijkheden om in de komende weken daarin vooruitgang te boeken. Moratinos is verzocht, met spoed een inventarisatie van de resterende problemen te maken, die voornamelijk met de veiligheid te maken hebben. Op Gymnich is de conclusie getrokken dat Israël onder druk gezet moet worden om de veiligheidsproblemen zodanig duidelijk te stellen dat de EU behulpzaam kan zijn bij het vinden van oplossingen. Er is voortdurend sprake van vertraging, terwijl de havens van wezenlijke betekenis zijn voor beide gebieden.

De vernietiging van Israël is door de PLO herroepen. Het handvest wordt herschreven.

Er is een relatie met Iran en Irak en die landen zouden dan ook in het document opgenomen kunnen worden. Deze landen dienen echter in relatie tot de Golfstaten behandeld te worden. Tijdens een bijeenkomst van de nieuwe trojka, de VS en Canada, is besloten om meer samenwerking tot stand te brengen op het punt van de verschillende exportcontroleregimes voor nucleaire, chemische en biologische wapens ten aanzien van Iran. Het was een majeur punt van bespreking in New York, zowel met Rusland als de VS.

Het verschillend stemgedrag in de VN van de VS en Europa moet verklaard worden uit het feit dat het congres in de VS weinig ruimte geeft aan de Amerikaanse regering. Europa denkt inderdaad heel anders over het probleem in het Midden-Oosten. Er wordt niet veel waarde gehecht aan de betekenis van het verschil in stemgedrag.

Minister Pronk deelde mee dat Ontwikkelingssamenwerking het beleidsdocument beschouwt als een brief aan de Kamer. De Kamer kent de eerdere brieven, nota's en landenbeleidsdocumenten die betrekking hebben op ontwikkelingssamenwerking. Deze documenten hadden een beperktere strekking en werden vastgesteld door het kabinet. Zij hebben gefungeerd als een soort voorbereidend overleg voor de begrotingsbehandelingen. Omdat nu de landenbeleidsdocumenten verschijnen, wordt er in de memorie van toelichting minder ingegaan op de desbetreffende gebieden. Er wordt expliciet verwezen naar deze documenten.

De politiek-budgettaire verantwoordelijkheid is niet verschoven, maar de organisatie op ambtelijk niveau is gewijzigd. In het kader van de herijking is besloten, veel zaken te delegeren naar het veld. Er is wat ontwikkelingssamenwerking betreft, beleidsmatig gezien een grote mate van ambtelijke delegatie naar ambassades. Over projecten wordt aldaar beslist, passend binnen de op het departement vast te stellen algemene kaders. De beschikbare gelden en aandachtspunten worden per jaar vastgesteld. In Egypte betreft dat water en landbouw en bijvoorbeeld niet onderwijs. Er wordt ook een keuze gemaakt ten aanzien van de regio's. In Egypte zijn dat bijvoorbeeld El Faiyum, Gizeh, Aswan en niet het noordelijk deel van de Nijldelta. De sectoren en regio's zijn centraal vastgesteld, uiteraard in overleg met het desbetreffende land. Binnen de vastgestelde kaders van bedragen, regio's en sectoren worden op de ambassade projecten gekozen. De algemene criteria voor de projecten worden op het departement vastgesteld.

Over twee categorieën van activiteiten worden op het departement projectmatig beslissingen genomen. In de eerste plaats geldt dit de macrosteun. In Egypte wordt meegedaan aan een social fund, een safetynet ter begeleiding van structurele aanpassingsfinanciering. Beslissingen daarover worden genomen in overleg met de Wereldbank en andere donoren. Over schuldenreductie, de Club van Parijs of anderszins wordt in Den Haag beslist.

In de tweede plaats geldt dit voor de politiek gevoelige activiteiten, zoals projecten in het kader van de mensenrechten. Ten aanzien van sommige niet al te gevoelige activiteiten vindt wel delegatie plaats. Door deze werkwijze wordt voorkomen dat een ambassade in een moeilijke positie wordt gebracht. Per land is er sprake van een enigszins flexibele toepassing. Soms worden blokallocaties – kleine projecten – toegekend aan de ambassade. Dat geldt met name voor activiteiten ten gunste van de civil society door niet-gouvernementele organisaties, mensenrechtenorganisaties, vrouwenorganisaties of milieuorganisaties. Delegatie vindt plaats binnen van jaar tot jaar vastgestelde totaalbedragen en regels. In een aantal landen is er geen grote mate van civil society. In het Midden-Oosten is er een niet al te sterk ontwikkeld samenspel van niet-gouvernementele organisaties. De ondersteuning ten gunste van verdergaande democratisering is van belang. In Egypte geldt dat in sterke mate voor de vrouwenbeweging en soms op het terrein van de gezondheidszorg. In de hoofdsectoren water en landbouw is daarvan minder sprake.

De Palestijnse vrouwen- en mensenrechtenbeweging worden sterk gesteund door Nederland. Ook ten aanzien van cultuur wordt via civil society-organisaties steun verleend. Het onderwijs is chaotisch georganiseerd en in sterke mate publiek van karakter. Daaruit heeft Nederland zich enigszins teruggetrokken.

Nederland is actief ten aanzien van de drie grote overlevingsproblemen van de Egyptische samenleving, te weten water, voedselproductie en bevolkingsgroei. Nederland verricht nuttig werk door in sterke mate betrokken te zijn bij de beïnvloeding van het waterbeleid in Egypte zelf. Hoofdvraag is hoe de schaarste verdeeld wordt en hoe wordt voorkomen dat door een te grote irrigatie een gebrek aan drinkwater ontstaat en dat de grondwaterspiegel daalt. De beleidsbeïnvloeding staat onder sterke druk van het tweede probleem, de voedselzekerheid, die in sterke mate wordt bepaald door een hoge bevolkingsgroei. Er kan niet worden aangetoond dat de Nederlandse hulp effecten heeft die te onderscheiden zijn van andere hulpactiviteiten. Gezamenlijk worden er resultaten geboekt. De voedselproductie is behoorlijk gestegen, maar misschien ten koste van landen waterschaarste. In toenemende mate is het besef van schaarste ontstaan. Er zijn echter zeer sterke bureaucratisch-technocratische belangen, waardoor snel problemen ontstaan.

Wat de bevolkingsgroei betreft, is met name na de grote conferentie in Caïro extra bewustzijn ontstaan. De vrouwenorganisaties, niet-gouvernementele organisaties en gezondheidszorgorganisaties zijn in sterke mate publiek geleid, verdergaand dan in een aantal andere islamitische landen. Van buiten wordt voorzichtig effectief steun gegeven.

Het verzoek voor een haven in Gaza werd in 1991 gedaan. Er werd door Israël sterk oppositie tegen gevoerd, maar Israël erkent nu, na kennis genomen te hebben van de schaal van de plannen, dat er economisch-infrastructureel behoefte kan zijn aan een haven in Gaza. Het gaat om een afstand tussen de havens van Den Helder tot IJmuiden en de schaal is te vergelijken met die van Scheveningen. In overweging moet worden genomen dat een klein land een zekere mate van verzelfstandiging nodig heeft. Het beheersen van eigen communicatielijnen, waaronder scheep- en luchtvaart, is van economisch belang. Op korte termijn kan micro-economisch gezien een zekere mate van overcapaciteit worden geconstateerd, maar vanwege de economische groei is dat noodzakelijk voor het aantrekken van investeringen.

Op het punt van landbouwliberalisatie is vrijhandel het streven. De realiteit is dat er afspraken op Europees niveau zijn gemaakt. Het standpunt is: liberalisatie conform de WTO, waarbij de onderhandelingen wordt ingegaan met inachtneming van het Europees landbouwbeleid en rekening houdend met de huidige handelsstromen, die in belangrijke mate al het gevolg waren van een terughoudend beleid. Een voorbeeld zijn de snijbloemen. De traditionele handel tussen EU en Egypte ligt op 45 ton per jaar. Het aanbod van de EU is 500 ton per jaar. Egypte vraagt 30 000 ton per jaar, dus een wereld van verschil. Het standpunt van Nederland is: fikse verruiming, WTO-conform, en liberalisatie op langere termijn, ook van producten in de landbouwsfeer, overigens zonder dat Nederland meer markttoegang moet toestaan voor Europese producten op de Nederlandse markt dan de Zuid-Europese landen bereid zijn om tot hun markten toe te laten.

Minister Van Mierlo gaf nog toe dat de uitdrukking «supporter» van Israël niet zo gelukkig is gekozen. Het betreft een professionele deviatie. «To support Israël» ligt hieraan ten grondslag.

Over de volkenrechtelijke status van Oost-Jeruzalem denkt bijna de gehele wereld hetzelfde, behalve Israël. Daarover is in de notitie op blz. 20 een opmerking gemaakt.

De voorzitter wijst op de mogelijkheid dat de minister schriftelijk nog kan ingaan op een aantal vragen.

De waarnemend voorzitter van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken,

Van der Linden

De voorzitter van de vaste commissie voor Economische Zaken,

H. Vos

De griffier van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken,

Hommes


XNoot
1

Samenstelling: Leden: Beinema (CDA), Van der Linden (CDA), ondervoorzitter, Blaauw (VVD), Weisglas (VVD), Van Heemskerck Pillis-Duvekot (VVD), H. Vos (PvdA), Verspaget (PvdA), Ybema (D66), Apostolou (PvdA), Van Middelkoop (GPV), Valk (PvdA), Sipkes (GroenLinks), Woltjer (PvdA), Hessing (VVD), Van den Bos (D66), Hoekema (D66), Marijnissen (SP), Verhagen (CDA), Roethof (D66), Rouvoet (RPF), Van den Doel (VVD), Meyer (groep-Nijpels), De Haan (CDA) en Visser-van Doorn (CDA).

Plv. leden: Leers (CDA), Bremmer (CDA), Korthals (VVD), Van der Stoel (VVD), Voûte-Droste (VVD), Van Nieuwenhoven (PvdA), Lilipaly (PvdA), De Graaf (D66), Van Gijzel (PvdA), Van den Berg (SGP), Rosenmöller (GroenLinks), Van Oven (PvdA), Hoogervorst (VVD), Dittrich (D66), Hillen (CDA), Van Ardenne-van der Hoeven (CDA), Van Waning (D66), Leerkes (Unie 55+), Bolkestein (VVD), Hendriks, Bukman (CDA), Gabor (CDA) en Dijksma (PvdA).

XNoot
2

Samenstelling: Leden: Mateman (CDA), Blaauw (VVD), Van der Vlies (SGP), H. Vos (PvdA), voorzitter, Van Gelder (PvdA), Smits (CDA), Ter Veer (D66), G. de Jong (CDA), Leers (CDA), Van der Hoeven (CDA), Remkes (VVD), Voûte-Droste (VVD), ondervoorzitter, Van Wingerden (AOV), Rabbae (GroenLinks), Jorritsma-van Oosten (D66), De Koning (D66), Hessing (VVD), Crone (PvdA), Zonneveld (CD), Van Dijke (RPF), Van der Ploeg (PvdA), Van Zuijlen (PvdA), Van Walsem (D66) en Hofstra (VVD).

Plv. leden: Ten Hoopen (CDA), Van Rey (VVD), Van Middelkoop (GPV), Woltjer (PvdA), Sterk (PvdA), De Haan (CDA), Ybema (D66), Wolters (CDA), Lansink (CDA), Terpstra (CDA), Weisglas (VVD), Verbugt (VVD), Meyer (groep-Nijpels), M.B. Vos (GroenLinks), Bakker (D66), Van Ardenne-van der Hoeven (CDA), Klein Molekamp (VVD), Witteveen-Hevinga (PvdA), Poppe (SP), Leerkes (Unie 55+), Verspaget (PvdA), Adelmund (PvdA), Roethof (D66), Passtoors (VVD) en Feenstra (PvdA).

Naar boven