nr. 1
BRIEF VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
's-Gravenhage, 12 september 1997
In bijlage heb ik de eer U een drietal regiobeleidsdocumentenaan
te bieden: Mercosur, Midden-Europa en Midden-Oosten.1 De aanbieding vindt wat later plaats dan aanvankelijk bedoeld. Het
bleek in verband met de vele verplichtingen van het Voorzitterschap van de
Europese Unie in de eerste helft van dit jaar tot mijn spijt niet mogelijk
de documenten eerder te voltooien.
De genoemde documenten zijn de eerste van deze aard die de Kamer bereiken.
Een algemene toelichting is derhalve op haar plaats.
Regiobeleidsdocumenten beogen een beeld te geven van de betreffende regio,
het Nederlandse beleid en de instrumenten die daarvoor beschikbaar zijn. Zij
worden bewust zo kort mogelijk gehouden. De beschrijving van de situatie in
de regio beperkt zich tot wat voor goed begrip nodig is. De documenten schetsen
vervolgens een geïntegreerd beleidskader en geven een overzicht van de
instrumenten waarmee dat kan worden ingevuld.
Het bieden van een geïntegreerd beleidskader is mogelijk omdat aan
de totstandkoming van de documenten alle departementen meewerken die belangstelling
hebben voor of actief zijn in de betrokken regio. De coördinatie vindt
plaats door de nieuwe regiodirecties van mijn departement, die, sinds de herijking
van het buitenlands beleid ook in organisatorische zin haar beslag kreeg,
o.m. belast zijn met de verwerving van integrale landenkennis en beleidsvoorbereiding
op die basis.
De documenten bedoelen een beleidskader te bieden voor de komende
jaren. Het zijn dus documenten op hoofdlijnen. Uitgewerkt beleid komt op basis
van Memories van Toelichting, notities n.a.v. actuele gebeurtenissen e.d.
in gemeen overleg met de Kamer tot stand. De documenten moeten immers wel
richting geven aan, maar mogen uiteraard geen keurslijf vormen voor het beleid;
te veel detail zou het risico van dat laatste met zich meebrengen.
De documenten richten zich tot een brede groep van belangstellenden, niet
alleen binnen de overheid, maar ook daarbuiten. Gebleken is reeds dat bv.
bij bedrijfsleven en NGO's veel belangstelling bestaat. Het is mede met
het oog op een ruime, geïnteresseerde lezerskring dat de documenten kort
en zo helder en duidelijk mogelijk zijn gehouden en dat getracht is om te
vermijden dat de overheid voornamelijk tot zichzelf spreekt. Het moge ook
duidelijk zijn dat het openbare karakter van de documenten grenzen stelt aan
wat daarin kan worden opgenomen.
Zoals boven gesteld zijn de documenten tot stand gekomen in interdepartementaal
overleg. Vormen zij enerzijds het eindprodukt van dat overleg, anderzijds
vormen zij tevens het beginpunt voor verder overleg tussen de departementen:
van integraal beleid is pas sprake niet als het op papier is neergeschreven,
maar als daaraan daadwerkelijk wordt vorm gegeven. Hetzelfde geldt voor de
betere afstemming van de instrumenten die Nederland bij de vormgeving van
zijn beleid ter beschikking staan. Bij dit laatste teken ik overigens als
coördinerend Minister voor de Homogene Groep Internationale Samenwerking
met voldoening aan dat met de ministers Pronk en Wijers reeds overeenstemming
is bereikt over een betere afstemming op het snijvlak van economische en ontwikkelingssamenwerking,
hetgeen in het komende jaar verbetering van het export- en investeringsinstrumentarium
mogelijk maakt.
Naast regiobeleidsdocumenten worden ook landenbeleidsdocumenten geschreven.
Voor hen geldt hetzelfde als wat hierboven over de regiodocumenten gezegd
is.
In de komende maanden zal de Kamer beleidsdocumenten ontvangen m.b.t.
tot China, het Caraïbisch gebied en Sub-Sahara Afrika. Zij zullen in
1998 worden gevolgd door o.m. documenten m.b.t. Duitsland, Rusland en de Verenigde
Staten, Zuid-Azië, ASEAN, het Andesgebied, de Golfstaten en Marokko.
De beleidsdocumenten worden door de Minister van Buitenlandse Zaken aan
de Kamer aangeboden. Zij weerspiegelen gezien hun geïntegreerde karakter
de opvattingen van de regering als geheel. De documenten zijn tot stand gekomen
in nauwe samenwerking met alle betrokken Ministers, in het bijzonder met de
Ministers die ook in organisatorisch opzicht het meest betrokken zijn bij
het herijkingsproces: de Ministers van Economische Zaken, voor Ontwikkelingssamenwerking
en ikzelf. In principe zullen deze laatste drie Ministers aan het overleg
met de Kamer deelnemen. Ik zou het op prijs stellen indien ook andere bewindslieden
daartoe in staat zouden worden gesteld wanneer zulks van de zijde van de Kamer
of van de Regering wenselijk wordt geacht.
De Minister van Buitenlandse Zaken,
H. A. F. M. O. van Mierlo