25 403
Wijziging van het Wetboek van Strafvordering in verband met de regeling van enige bijzondere bevoegdheden tot opsporing en wijziging van enige andere bepalingen (bijzondere opsporingsbevoegdheden)

nr. 11
AMENDEMENT VAN HET LID O. P. G. VOS

Ontvangen 14 april 1998

De ondergetekende stelt het volgende amendement voor:

In artikel I wordt – onder aanduiding van onderdeel A als onderdeel Aa – een nieuw onderdeel ingevoegd, luidende:

A

Onder aanduiding van de bestaande tekst van artikel 33 als eerste lid worden aan dit artikel de volgende leden toegevoegd:

2. In afwijking van het eerste lid kan de verdachte de kennisneming van processtukken worden onthouden indien de rechter-commissaris zulks hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van de officier van justitie, heeft bepaald. De rechter-commissaris kan uitsluitend aldus bepalen indien er een gegrond vermoeden bestaat dat door de kennisneming van het processtuk:

a. een informant, infiltrant of getuige overlast zal ondervinden of in de uitoefening van zijn ambt of beroep zal worden belemmerd, of

b. een zwaarwegend opsporingsbelang zal worden geschaad.

3. Onder informant wordt verstaan: een persoon niet zijnde een opsporingsambtenaar die op verzoek van een opsporingsambtenaar informatie inwint.

4. De beschikking van de rechter-commissaris is schriftelijk en met redenen omkleed. Zij wordt bij de processtukken gevoegd.

Toelichting

Mocht de officier van justitie van oordeel zijn dat bepaalde relevante informatie niet aan de processtukken kan worden toegevoegd, dan dient hij de rechter-commissaris daarvan in kennis te stellen. De rechter-commissaris krijgt het recht te bepalen dat bepaalde processtukken alsnog aan het procesdossier moeten worden toegevoegd. De officier kan in reactie daarop voor de zitting besluiten de zaak niet te laten voorkomen. Met verwijzing naar artikel 315 Sv behoudt de zittingsrechter te allen tijde het laatste woord.

O. P. G. Vos

Naar boven