nr. 5
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN BUITENLANDSE ZAKEN
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
's-Gravenhage, 19 december 1997
Naar aanleiding van het verzoek van de vaste commissie voor Nederlands
Antilliaanse en Arubaanse Zaken, zoals neergelegd in de brief van de griffier
van 3 december jl. aan de Minister voor Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse
Zaken, kan ik u na overleg met, en mede namens, de Minister voor Nederlands-Antilliaanse
en Arubaanse zaken, als volgt informeren over de tussentijdse herziening van
het LGO-besluit.
Ik sluit hierbij aan op mijn brieven d.d. 10 en 21 oktober 1997 aan Uw
Kamer, alsmede de rapportage van de Minister van Buitenlandse Zaken over dit
onderwerp na afloop van de Algemene Raad van 24 november jl. (vide de brief
d.d. 27 november jl. kenmerk DIE/AB-1210/97 aan Uw Kamer).
Uitspraak hoger beroep
Op donderdag 20 november jl. vernietigde het Gerechtshof in Den Haag,
in het door de Staat der Nederlanden ingesteld hoger beroep, de vonnissen
van 6 en 17 oktober jl. van de President van de Haagse Rechtbank. De President
verbood toen, op verzoek van een particulier suikerbedrijf op Aruba, de Staat,
op straffe van verbeurd verklaring van een dwangsom, mee te werken aan de
totstandkoming van het LGO-besluit. Deze uitspraak van het Hof maakte de weg
vrij om uitvoering te geven aan de besluitvorming over de tussentijdse herziening
van het LGO-besluit, zoals deze in de Rijksministerraad van 6 oktober jl.
heeft plaatsgevonden.
Terzijde zou ik willen opmerken dat indien de vonnissen van de President
in stand zouden zijn gebleven dit een ongewenst precedent zou hebben betekend
voor het proces van politieke besluitvorming in de Europese Unie. Nog niet
eerder deed een nationale rechter een zo vergaande uitspraak waarbij een lidstaat,
nog voordat de besluitvorming in Europees kader was afgerond, op basis van
een toekomstig, vermeend onrechtmatig, besluit in zijn handelen werd beperkt.
Bevestiging besluit RMR van 6 oktober
De Ministerraad van het Koninkrijk (RMR) van 21 november jl. stelde vast
dat de Minister van Buitenlandse Zaken in de Algemene Raad van 24 november
zou kunnen handelen, conform het besluit van de RMR van 6 oktober jl.
Tijdens de Algemene Raad van 24 november 1997 werd de eerdere politieke
besluitvorming van de Algemene Raad van 6 oktober jl. geformaliseerd. Nederland
tekende daarbij aan dat de Nederlandse Antillen verzocht hadden kenbaar te
maken dat het zich niet kon verenigen met dit besluit. Nederland voegde daaraan
toe dat dit de standpuntbepaling van het Koninkrijk evenwel onverlet laat.
Nederland vroeg voorts aandacht voor de negatieve gevolgen van het besluit
voor de werkgelegenheid op de Nederlandse LGO. Nederland deed een beroep op
de Commissie om bij de uitvoering van het besluit deze nadelige effecten door
goede samenwerking op te vangen. De Commissie reageerde in beginsel niet afwijzend
op deze oproep. Nederland zal de Commissie op korte termijn verzoeken de mogelijkheden
daartoe nader uit te werken.
Inwerkingtreding herzien LGO-besluit
Het herziene LGO-besluit is op 1 december 1997 in werking getreden nadat
de noodzakelijke voorafgaande publikatie in het Officiële Publikatieblad
van de Europese Gemeenschappen had plaatsgevonden.
Uitwerking van het LGO-besluit
De Europese Commissie heeft van 1 december jl. tot 1 januari 1998 speciale
(overgangs-)maatregelen getroffen ter beperking van de invoer van rijst. De
maatregelen zijn bedoeld om een vacuüm te voorkomen tussen de vaststelling
van de uitvoeringsbepalingen en het aflopen van de tot 1 december geldende
vrijwaringsmaatregelen. Gedurende deze periode kan 1/12 deel van de overeengekomen
jaarhoeveelheid (160 000 ton) worden ingevoerd.
De Commissie heeft tevens ten aanzien van de overeengekomen invoer van
de 3 000 ton suiker een controlemechanisme in voorbereiding.
Gerechtelijke Procedures
Hetzelfde particuliere Arubaanse suikerverwerkend bedrijf heeft ten derde
male een kort geding tegen de Staat aanhangig gemaakt. Het kort geding heeft
op donderdag 4 december jl. voor de President van de Rechtbank te Den Haag
gediend. Dit maal wordt van de Staat, in casu het Ministerie voor Landbouw,
Natuurbeheer en Visserij, het Ministerie van Financiën(Douane) en het
Hoofdproduktschap Akkerbouwprodukten, gevorderd geen uitvoering te geven aan
het herziene LGO-besluit. De President van de Haagse rechtbank heeft bij vonnis
van 19 december 1997 EMESA niet ontvankelijk verklaard in haar vorderingen
jegens de Staat en het hoofdproduktschap Akkerbouwprodukten. Dit betekent
dat de Staat het herziene LGO-besluit zal en overigens ook moet uitvoeren.
Het bedrijf heeft tevens aangegeven tegen het vonnis van het Hof van 20
november jl. bij de Hoge Raad in cassatie te zullen gaan. De Hoge Raad zal
naar verwachting in de eerste helft van 1999 uitspraak doen.
De Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken,
M. Patijn