Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum brief |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1997-1998 | 25382 nr. 3 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum brief |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1997-1998 | 25382 nr. 3 |
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
's-Gravenhage, 21 oktober 1997
Ten vervolge op mijn brief d.d. 10 oktober jl. (25 382, nr. 2) informeer ik u, naar aanleiding van het vonnis van de President van de Rechtbank Den Haag d.d. 17 oktober 1997 inzake de Herziening van het LGO-besluit als volgt over de recente ontwikkelingen inzake bovengenoemd onderwerp.
Juridische complicatie / Vonnis in Kort Geding
In aansluiting op het eerste kort geding van 6 oktober jl. heeft hetzelfde particuliere Arubaanse suikerbedrijf in een tweede kort geding geëist de Staat te verbieden om medewerking te verlenen aan de uitwerking en formele vaststelling door de Raad van de tussentijdse herziening van het LGO-besluit, conform de beslissing van de Algemene Raad van 6 oktober jl.
De President van de Rechtbank te Den Haag heeft op 17 oktober jl. uitspraak gedaan in het tweede kort geding. In zijn vonnis heeft de President de Staat der Nederlanden verboden in te stemmen dan wel op andere wijze bij te dragen aan de aanvaarding door de Raad van het besluit tot tussentijdse herziening van het LGO-regime. Op overtreding van dit bevel staat een dwangsom van 500 miljoen gulden. De rechter is tot deze conclusie gekomen omdat naar zijn voorlopig oordeel het voorgenomen besluit een achteruitgang zou betekenen ten opzichte van het thans geldende besluit, hetgeen op grond van het advies van een Commissie van Nederlandse Juridische deskundigen volgens de tekst van het EG-Verdrag niet mogelijk zou zijn. De rechter heeft besloten een aantal prejudiciële vragen over dit onderwerp te formuleren en deze voor te leggen aan het Europese Hof van Justitie te Luxemburg. Het door de rechter opgelegde verbod is van kracht totdat het Europese Hof op de vragen antwoord heeft gegeven. Daarna zal de President zijn definitief oordeel geven.
De Staat der Nederlanden zal tegen dit vonnis hoger beroep instellen bij het Gerechtshof in Den Haag. De Regering van de Nederlandse Antillen heeft aangegeven zich in hoger beroep te zullen voegen bij geïntimeerde, het particuliere suikerbedrijf.
Vanzelfsprekend zal de Staat het vonnis respecteren. Het is evenwel mogelijk dat het vonnis in hoger beroep zal worden vernietigd. Het is op dit moment niet te voorspellen op welk tijdstip de uitspraak in hoger beroep zal plaatsvinden.
Nederland heeft de Raad en de Commissie op de hoogte gesteld van de uitspraak van de President. Nederland heeft conform het vonnis onverwijld alle medewerking gestaakt aan de totstandkoming van de tussentijdse herziening van het LGO-besluit.
Door de uitspraak van de President is een gecompliceerde situatie in Brussel ontstaan. Eén van de elementen van het compromis voorziet in een spoedige technische afronding van de tekst van het herziene LGO-besluit zodat het besluit op 30 november a.s. in werking zal treden. Indien de uitspraak in hoger beroep niet voor die datum plaats vindt, zal dit onderdeel van het compromis definitief onhaalbaar zijn. In ieder geval één lidstaat heeft laten weten dat hij ervan uitgaat dat de datum van inwerkingtreding een integraal onderdeel van het compromis uitmaakt. Indien de inwerkingtreding vertraging oploopt is de kans daarom groot dat het compromis van de baan zal zijn. De herziening komt dan niet tot stand.
Het huidige regime blijft dan ongewijzigd van kracht.
Het Koninkrijk zal in dat geval naar alle waarschijnlijkheid geconfronteerd worden met vrijwaringsmaatregelen. Naar verwachting zal de rijstexport van de Nederlandse Antillen en Aruba verder aan banden worden gelegd. Ook tegen de suikerexport zijn dan binnen afzienbare termijn vrijwaringsmaatregelen te verwachten.
Besluitvorming binnen het Koninkrijk
De besluitvorming binnen het Koninkrijk over de instemming met de tussentijdse herziening van het LGO-besluit is procedureel afgerond. Ik moge voor wat betreft de gang van zaken verwijzen naar mijn eerdergenoemde brief van 10 oktober jl.
De besluitvorming in de Rijksministerraad van 6 oktober jl. heeft – met instemming van de Regering van de Nederlandse Antillen en Aruba – plaatsgevonden op basis van de procedure zoals in artikel 12 van het Statuut van het Koninkrijk voorzien. Daarmee is een eventueel beroep op een ander artikel van het Statuut komen te vervallen.
De Rijksministerraad zal zich nader beraden over de betekenis van artikel 25 van het Statuut. Dit artikel bevat een bijzondere regeling voor het geval bij het aangaan of beëindiging van een internationale overeenkomst aan de bezwaren van één van de delen van het Koninkrijk tegemoet kan worden gekomen zonder dat dit ten nadele gaat van de overige Koninkrijksdelen. Over de vraag of een herziening van een EG-verordening (zoals het LGO-besluit) ook het aangaan of beëindigen van een internationale overeenkomst betreft bestaat tussen de Koninkrijksdelen verschil van mening.
Overleg met de Staten van de Nederlandse Antillen
Op vrijdag 17 oktober jl. hebben de Staten van de Nederlandse Antillen gebruik makend van hun bevoegdheid om op grond van Artikel 80 van het reglement van de Staten, de belangen van de Nederlandse Antillen bepleit bij de Koning, in casu vertegenwoordigd door een delegatie van de Rijksministerraad. Bij die gelegenheid is diepgaand over de gang van zaken van gedachten gewisseld. Dit heeft niet geleid tot wijziging van het besluit van de Rijksministerraad.
Tijdens het gesprek met de Staten is het memorandum van de Staten van de Nederlandse Antillen inzake het besluit om in te stemmen met het herzieningsvoorstel van het LGO-besluit, waarvan uw Kamer een kopie is aangeboden besproken.
Ik zou ten aanzien van de inhoud van dat memorandum enige aanvullende opmerkingen willen maken. Aan het voortgezet overleg dat in het weekend van 4 en 5 oktober heeft plaatsgevonden hebben deelgenomen de Minister-President van de Nederlandse Antillen, de Minister-President van Aruba, de Minister voor Nederlands Antilliaanse en Arubaanse Zaken en de Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken. Het overleg werd voorgezeten door de Minister-President. In de bepalingen van artikel 12 van het Statuut is evenwel deelname van de Gevolmachtigde Ministers van Antilliaanse en Arubaanse zijde voorzien. In dit bijzondere geval is met instemming van betrokkenen gekozen, gelet op de grote belangen voor de Koninkrijkspartners, voor een participatie op hoger niveau.
Wat betreft de opmerking dat door de vertraagde totstandkoming van de tussentijdse herziening LGO-besluit het besluit niet meer rechtsgeldig genomen zou kunnen worden het volgende.
Het LGO besluit heeft een looptijd van 1 maart 1990 tot 1 maart 2000. Het LGO-besluit is evenwel vanwege de moeizame onderhandelingen in '90–'91 vertraagd tot stand gekomen. Het LGO-besluit is in door Raad genomen op 25 juli 1991. In het LGO-besluit is een tussentijdse herziening voorzien vóór het verstrijken van een periode van vijf jaar. De Commissie heeft daartoe een voorstel gedaan in februari 1996. De Commissie motiveert de vertraging als volgt. Bij de tussentijdse herziening van het LGO-besluit dient tevens een voorstel van de verdeling van de t.b.v. de LGO beschikbaar gestelde financiële steun te worden gevoegd. De hoogte van de beschikbare middelen is afhankelijk van de uitkomst van de onderhandelingen over het Lomé IV bis verdrag. Deze onderhandelingen zijn eerst op 4 november 1996 afgesloten met de ondertekening van het Lomé verdrag in Mauritius.
Het Koninkrijk heeft door in onderhandelingen over de tussentijdse herziening te treden impliciet aanvaard dat de tussentijdse herziening vertraagd tot stand zou komen.
Tenslotte zou ik in herinnering willen brengen dat het Nederlandse ministerie van Economische Zaken in december 1996 een ernstige waarschuwing aan het adres van het Arubaanse ministerie van economische zaken, handel en industrie heeft gegeven welke risico's zouden worden gelopen indien ingestemd zou worden met de op dat moment voorgenomen particuliere investering in de suikerproducerende industrie. Die investering is met klem ontraden.
Samenvattend ziet de situatie er thans als volgt uit:
a. Nederland heeft alle medewerking aan de uitvoering van het Luxemburgse compromisvoorstel op last van de President van de Haagse rechtbank gestaakt.
b. De Staat der Nederlanden zal ook tegen het vonnis van de President van 17 oktober jl. hoger beroep instellen.
c. In het Luxemburgse compromis is vastgelegd dat het tussentijds herziene LGO-besluit op 30 november a.s. in werking moet treden. Naar verwachting zal de uitspraak in hoger beroep vallen ná de uiterste datum dat het besluit door de Raad moet worden goedgekeurd om op de afgesproken datum van 30 november in werking te treden. De kans is groot dat één of meer lidstaten bij verder uitstel zich niet meer aan het compromis gebonden achten. De huidige regeling wordt dan voortgezet. De LGO kunnen dan aanvullende vrijwaringsmaatregelen verwachten. De situatie ná het jaar 2000 wordt met zorg tegemoet gezien.
d. Als uitspraak in hoger beroep nog vóór het verstrijken van de uiterste datum van goedkeuring afkomt zijn er twee mogelijkheden:
– indien het vonnis van de President in stand blijft verandert er weinig. Er komt geen compromis tot stand;
– indien het vonnis wordt vernietigd zal Nederland op grond van de besluitvorming in de Rijksministerraad van 6 oktober jl. instemmen met het compromis.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-25382-3.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.