25 382
Herziening LGO-besluit

nr. 1
BRIEF VAN DE MINISTER VOOR NEDERLANDS-ANTILLIAANSE EN ARUBAANSE ZAKEN EN DE STAATSSECRETARIS VAN BUITENLANDSE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 30 mei 1997

Hierbij treft U een notitie over de stand van zaken m.b.t. de onderhandelingen over de tussentijdse herziening van het LGO-besluit aan.

Het onder vijf genoemde rapport van de Commissie van Deskundigen is U reeds toegezonden op 13 mei 1997 (25 000 V, nr. 79). Het onder zes genoemde concept-eindrapport van het NEI is bijgevoegd.1

De Minister voor Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse Zaken,

J. J. C. Voorhoeve

De Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken,

M. Patijn

Notitie: Herziening LGO-besluit

1. Inleiding

Nederland stemde in december jl., ad referendum en behoudens enkele kwantitatieve aanpassingen, in met het Iers Voorzitterschapscompromis waarin een oplossing werd aangeboden om uit de impasse over de onderhandelingen over de handelsregeling van de herziening van het LGO-besluit te komen. Het Ierse compromis ging uit van het instellen van tariefcontingenten o.m. voor de invoer van rijst (160 000 ton gedopte rijst) en suiker (3000 ton). Voorts werden tariefcontingenten aangegeven voor een achttal gevoelige produkten. Het Ierse Voorzitterschap concludeerde aan het slot van het Coreper van 19 december a.p. dat een politiek compromis was bereikt, behoudens enkele lichte wijzigingen. De Commissie besloot desondanks, op verzoek van Spanje en Italië, per 1 januari jl. vrijwaringsmaatregelen tegen de invoer van rijst uit de LGO te nemen. Voor de minst ontwikkelde (Britse) LGO werd een tariefcontingent van in totaal bijna 6 000 ton gedopte rijst vastgesteld, voor de andere LGO (lees NA en Aruba) werd een tariefcontingent van ruim 36 000 ton gedopte rijst ingesteld. De maatregelen hadden een looptijd van vier maanden tot 1 mei 1997. Extrapolerend zou op jaarbasis sprake zijn van een contingent voor de NA en Aruba van een 108 000 ton, zijnde minder dan de helft van de in 1996 vanuit de NA en AR geëxporteerde hoeveelheid. Het Koninkrijk besloot ter bescherming van zijn LGO-belangen tegen de vrijwaringsmaatregelen in beroep te gaan bij het Europese Hof, tevens werd besloten het Hof ook in kort geding een uitspraak te vragen. Wat betreft dit laatste zou aangetoond moeten worden dat sprake is van ernstige en onherstelbare schade in de NA en Aruba.

Door de Rijksministerraad van 24 januari jl. werd besloten dat het Koninkrijk zich maximaal zal inzetten bij de verdediging van de aanzienlijke belangen van de Nederlandse Antillen en Aruba bij de herziening van het LGO-besluit. Geconcludeerd werd dat het Koninkrijk niet zal meewerken aan een herziening van het LGO-besluit die met zich meebrengt dat de verworvenheden in het LGO-besluit teniet worden gedaan, doch dat wel de bereidheid blijft bestaan tot het zoeken naar modaliteiten waarmee het noodzakelijke evenwicht tussen enerzijds de belangen van de LGO en anderzijds de belangen van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) kan worden bewerkstelligd; daarbij zou rekening worden gehouden met relevante jurisprudentie van het Europese Hof. Tevens werd besloten, teneinde duidelijkheid te krijgen tan aanzien van de economische en juridische dimensie, dat het NEI, alsmede een commissie van deskundigen ter zake een rapport moesten uitbrengen.

Er wordt besloten een ministeriële werkgroep in te stellen die tot taak krijgt een strategie te ontwikkelen voor de middellange en lange termijn (na het jaar 2000), alsmede de taktiek voor wat betreft de onderhandelingen in Brussel.

Dit document geeft een korte weergave van de resultaten van de diverse basisrapporten, alsmede van de onlangs gedane gerechtelijke uitspraken. De notitie wordt besloten met een aantal conclusies.

2. Kort geding

De Rijksministerraad (RMR) van 24 januari jl. besloot tevens in afwachting van de uitkomst van een kort geding tegen de ingestelde vrijwaringsmaatregelen, – en de uitkomst van de zaak «Road Air BV» –, niet verder te onderhandelen over het Ierse Voorzitterschapscompromis. De vrijwaringsmaatregelen werden enige tijd later in licht geamendeerde vorm overgenomen door de Raad. De Raad nam dit besluit, waarvoor een besluitvormingsprocedure met gekwalificeerde meerderheid geldt, met de stemverhouding 14–1. Alleen Nederland stemde tegen. Het Koninkrijk verloor het kort geding. De President van het Europese Hof deed op 21 maart jl. uitspraak en besliste negatief op het Nederlandse verzoek de vrijwaringsmaatregelen op te schorten, danwel in positieve zin bij te stellen, danwel een, voor het Koninkrijk gunstiger, minimumprijsmaatregel in te stellen.

In zijn overwegingen gaf de President aan dat de door Nederland voorgestelde middelen niet geheel ongegrond lijken, doch dat vanwege de bijzonder complexe juridische en economische vragen een diepgaand onderzoek vereist is. De door het Koninkrijk aangevoerde ernstige en onherstelbare schade werd voor de duur van de vrijwaringsmaatregelen van 1 januari tot 1 mei 1997 niet bewezen geacht. De tevens ingestelde bodemprocedure loopt gewoon door, doch een uitspraak kan nog wel een jaar of twee op zich laten wachten.

Ook een door een particulier bedrijf ingesteld kort geding werd verloren.

De onderhandelingspositie van Nederland is vanuit juridisch oogpunt niet veranderd, doch in politiek opzicht is deze er mede met het verlies van het kort geding niet op vooruitgegaan.

3. Nieuwe vrijwaringsmaatregelen

De Commissie heeft eind april, aansluitend op de vrijwaringsmaatregelen die golden van 1 januari t/m 30 april, per 1 mei jl. nieuwe vrijwaringsmaatregelen getroffen die in grote lijnen overeenkwamen met de vorige. Voor de Britse LGO werd een tariefcontingent van 10 000 ton rijst ingesteld, voor de overige LGO (lees de NA en Aruba) een contingent van bijna 60 000 ton (equivalent gedopte rijst). De maatregelen zouden voor een iets langere periode van kracht zijn, van 1 mei tot 30 september '97 (vijf maanden). Deze nieuwe maatregelen waren voor de Nederlandse Antillen en Aruba iets gunstiger dan de vorige van 1 januari tot 1 mei: op jaarbasis komen zij neer op een kleine 130 000 ton. Voor de gehele LGO kwamen de vrijwaringsmaatregelen bij extrapolatie zeer dicht in de buurt van het tariefcontingent van 160 000 ton (gedopte rijst) zoals genoemd in het Ierse Voorzitterschapscompromis.

Het Koninkrijk heeft in casu niet van de mogelijkheid gebruik gemaakt, die het LGO-besluit biedt, om de vrijwaringsmaatregelen ter herziening aan de Raad voor te leggen. Gezien het hierboven onder 2 gestelde lijkt het evenmin opportuun een kort geding aan te spannen. Wel is het opportuun om beroep aan te tekenen, teneinde de juridische positie van het Koninkrijk zoveel mogelijk te waarborgen.

Het Verenigd Koninkrijk heeft de Raad verzocht, evenals bij de vorige vrijwaringsmaatregelen het geval is geweest, voor de Britse (minst ontwikkelde) LGO, Montserrat en de Turks- en Caicoseilanden, een wat ruimer tariefcontingent toe te kennen. Het VK doet daarbij een beroep op de voorziening in het LGO-besluit dat bij het vaststellen van vrijwaringsmaatregelen aan de belangen van de minst ontwikkelde LGO bijzondere aandacht geschonken zal worden. Voorts pleit het VK voor enige clementie vanwege de moeilijke situatie waarin het eiland Montserrat verkeert vanwege de vulkanische activiteit op het eiland.

Ook Spanje heeft de Raad verzocht de vrijwaringsmaatregelen aan te passen. Spanje voert aan dat de rijstmarkt voor Indicarijst ondanks de eerdere vrijwaringsmaatregelen nog steeds ernstig verstoord is. Spanje verzoekt de Raad derhalve een belangrijk lager tariefcontingent voor de periode 1 mei tot 30 september in te stellen. Het land vraagt een tariefcontingent van 10 000 ton gedopte rijst, dat alleen aan de minst ontwikkelde LGO zou moeten worden toegekend. Indien het Spaanse verzoek zou worden gehonoreerd zou het tariefcontingent t.b.v. de Nederlandse LGO geheel komen te vervallen. Besluitvorming over de verzoeken van het VK en Spanje vindt plaats met gekwalificeerde meerderheid.

In Coreper van 29 mei jl. is met een stemverhouding 14–1 (alleen Nederland stemde tegen) besloten de vrijwaringsmaatregelen van de Commissie van eind april aan te passen. Het totale tariefcontingent t.b.v. de LGO blijft gelijk, bijna 70 000 ton, doch de looptijd wordt verlengd met twee maanden van 1 mei jl. tot 1 december '97. Voorts wordt het tariefcontingent t.b.v. de Britse, minst ontwikkelde LGO, met 3 400 ton verhoogd, ten koste van het tariefcontingent van de Nederlandse LGO. Voor de NA en Aruba is thans een tariefcontingent van ruim 56 000 ton gedopte rijst beschikbaar voor een langere periode. Hiermee hebben de andere lidstaten Nederland een signaal gegeven zich inschikkelijker te tonen.

Er zal rekening mee dienen te worden gehouden dat ook de intussen op gang komende suikerexport uit de NA en Aruba, gezien het grote overschot van suiker op de Europese markt, binnenkort wordt getroffen door vrijwaringsmaatregelen.

4. Road Air BV

Een tweede reden van het besluit van de RMR van 24 januari om voorshands niet verder te onderhandelen werd ingegeven doordat verwacht werd dat de op handen zijnde uitspraak van het Hof in de zaak «Road Air BV» van belang zou zijn voor de richting waarin een oplossing van de herziening van het LGO-besluit gezocht zou moeten worden. Het Hof deed op 22 april jl. uitspraak. De analyse van het arrest wijst uit, dat het Hof een eindweegs in de richting van de bevindingen van de Commissie van Deskundigen concludeert (vide punt 5). Dit geldt vooral voor de constatering dat de Associatie met de LGO tot stand moet worden gebracht volgens een dynamisch en geleidelijk proces daarbij rekening houdend met de resultaten die dankzij de eerdere (LGO-)besluiten van de Raad zijn bereikt. Ook op basis van dit Hof arrest lijken stappen achteruit middels het instellen van tariefcontingenten, zoals voorgesteld in het Ierse Voorzitterschapscompromis, juridisch niet goed mogelijk.

Het arrest bevat verder weinig nieuwe elementen die een oplossing bieden voor de impasse in de onderhandelingen over het LGO-besluit.

5. Commissie van Deskundigen

De RMR van 24 januari jl. besloot een Commissie van Deskundigen te verzoeken binnen twee maanden advies uit te brengen over een aantal juridische aspecten. De Commissie van Deskundigen kreeg, zoals blijkt uit zijn eindrapport, de opdracht advies uit te brengen over de juridische aspecten verbonden aan (a) de tussentijdse herziening van het Zesde LGO-besluit van 1991 op een zodanige wijze dat de verworvenheden daarvan niet verloren gaan, en (b) de spanning tussen deel IV van het EG-Verdrag, respectievelijk het Zesde LGO-besluit enerzijds en het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) anderzijds en de mogelijkheden die spanning op rechtsgeldige wijze weg te nemen. De Commissie van Deskundigen bracht op 3 april jl. haar advies uit.

Zij concludeert dat een oplossing middels het instellen van tariefcontingenten, zoals wordt voorgesteld in het Ierse Voorzitterschapscompromis, in het gemeenschapsrecht geen juridische basis vindt. De wederinvoering van kwantitatieve beperkingen of maatregelen van gelijke werking zou zelfs in strijd zijn met het EG Verdrag. Tevens vraagt de Commissie van Deskundigen zich af of het oorspronkelijke voorstel van de Europese Commissie van 23 februari 1996 niet stuit op het zoals de Commissie van Deskundigen dat noemt «vergrendelingsmechanisme». De Commissie van Deskundigen kiest deze benaming omdat zij meent dat, om conform het gestelde in het EG-Verdrag te zijn, de uitvoering van Deel IV van het EG-Verdrag zich moet bewegen in de richting van de doelstelling zoals blijkt uit artikel 132 lid 1, namelijk dat de lidstaten op de handel uit de LGO dezelfde regeling dienen toe te passen die zij jegens elkaar zijn aangegaan: voor het moment betreft dit op grond van artikel 133 lid 1 EG-verdrag de goederen «van oorsprong» uit de LGO. Een terugkeer op de eenmaal ingeslagen weg is, zo meent de Commissie van Deskundigen, niet mogelijk. Indien eenmaal bepaalde faciliteiten voor het handelsverkeer uit de LGO zijn geschapen is de weg terug als het ware afgegrendeld.

De Commissie geeft aan dat de spanning tussen de doelstellingen van enerzijds de bijzondere associatie van de LGO en anderzijds de belangen van het GLB veroorzaakt wordt door het verschil in prijspeil op de wereldmarkt en de intracommunautaire markt. De oplossing ziet de Commissie van Deskundigen in het onderwerpen van de handel in landbouwprodukten afkomstig uit de LGO aan elementen uit de betreffende Gemeenschappelijke Marktordeningen (GMO), met name die welke verband houden met het beoogde communautaire prijsniveau. Aldus kan de lacune worden opgevuld die is ontstaan doordat bij de vaststelling van de verschillende GMO geen rekening is gehouden met de geprivilegeerde positie van de LGO. Ofwel, op deze wijze kan het beoogde evenwicht tussen beide verdragsdoelstellingen worden bereikt. De Commissie van Deskundigen draagt een drietal opties aan waarvan slechts het alternatief van de tweede optie, zijnde een door de LGO in te stellen minimumuitvoerprijzenstelsel, uitvoerbaar is gelet op de verplichtingen van de NA en AR onder de Overeenkomst tot oprichting van de WTO.

6. NEI-studie

Het NEI bood op 1 mei jl. het complete – concept – eindrapport van zijn studie naar de effecten van het LGO-besluit op de NA en Aruba, en de gevolgen voor het gemeenschappelijk landbouwbeleid, aan.

Het – concept – eindrapport is als bijlage aan de notitie gehecht.

Van de zijde van de NA wordt aangegeven dat aanname van het Commissievoorstel danwel Ierse Voorzitterschapscompromis zal resulteren in het beëindigen (suiker), het aanzienlijk verminderen van economische activiteit (m.n. rijst) danwel het niet verder opstarten van nieuwe activiteiten op basis van het LGO-besluit. Dit zal belangrijke schade aanbrengen aan de industriële infrastructuur alsmede het investeringsklimaat en bovendien het Antilliaans beleid zoals neergelegd in het Structureel Aanpassings Programma (Letter of Intent, IMF) schaden.

7. Suriname en Guyana

Uit het NEI-rapport blijkt dat de LGO-handelsregeling voor Suriname en Guyana van belang is geweest. De rijstexport vanuit Guyana via de LGO naar de EU is verviervoudigd in vergelijking tot de directe ACP/EU- rijsthandel van vóór 1992. Suriname was a.g.v. «bottlenecks» niet in staat om een vergelijkbaar voordeel te behalen. Tegelijkertijd stegen de exportprijzen in beide landen substantieel (ongeveer 30%) en kwamen beduidend hoger te liggen dan de wereldmarktprijzen. Het is niet onwaarschijnlijk dat de positieve sociaal-economische effecten van de LGO/EU-rijsthandel voor Guyana en Suriname groter waren dan voor NA en Aruba. Hetzelfde geldt voor de huidige negatieve effecten a.g.v. de quotarestricties van de vrijwaringsmaatregelen.

Mede gezien het belang dat het Koninkrijk hecht aan de economische ontwikkeling van Suriname zou overwogen kunnen worden om een gezamenlijk overleg tot stand te brengen tussen de Commissie, Suriname, Guyana, het Verenigd Koninkrijk en het Koninkrijk teneinde de situatie m.b.t. de rijstmarkt te bespreken. Dit overleg zou bij voorkeur in de producerende regio gevoerd dienen te worden teneinde met name de Commissie te informeren over de positieve gevolgen die het LGO-besluit op de ontwikkeling van de rijstmarkt aldaar heeft gehad.

8. Studie Ministerie van Economische Zaken

Het Ministerie van EZ verrichtte een studie, op basis van bestaand materiaal, naar het algemene investeringsklimaat op de NA en Aruba. Onder het hoofdstuk, Kansrijke clusters van activiteiten, w.o. de logistieke functie van de NA en Arbua, geeft EZ ondermeer aan, dat het LGO-besluit in zijn huidige vorm de mogelijkheid biedt om produkten afkomstig uit ACS-landen na bewerking rechtenvrij op de EU-markt af te zetten. Zoals bekend gebeurt dit nu met rijst en in mindere mate suiker. EZ geeft voorts een lijst van landbouwprodukten die kansrijk zouden zijn. De belangrijkste drijfveer om deze produkten te exporteren is het niet hoeven te betalen van heffingen. De winst die daarmee behaald wordt weegt (althans in de huidige situatie) op tegen de extra kosten die de omweg langs de eilanden met zich meebrengt. De betekenis van tariefpreferenties zal gezien de geleidelijke afbraak van tarieven in WTO-verband echter steeds verder uitgehold worden. Voor wat de situatie na het jaar 2000 is EZ onzeker. Indien een regeling tot stand komt die veel minder gunstig is dan de huidige kan gesteld worden dat de toekomst ligt in produkten die een substantiële toegevoegde bewerking ondergaan, dan wel in produkten waarvoor een industrie is opgebouwd die niet afhankelijk is van het profiteren van tariefpreferenties.

9. Onderhandelingsklimaat in Brussel

De afwachtende houding van het Koninkrijk rondom het politieke akkoord over het Ierse Voorzitterschaps compromis heeft weinig sympathie bij de andere lidstaten ondervonden. De besluiten van de Raad in februari jl. en van 29 mei jl. waarbij met 14 tegen 1 de voorstellen tot het instellen van vrijwaringsmaatregelen door de Raad werden genomen waren een duidelijk signaal. Nederland wordt verweten met zijn halsstarrige houding het GLB te ondermijnen. De uitkomst van het kort geding heeft de onderhandelingspositie in politiek opzicht niet verbeterd. Een opstelling waarbij uitsluitend middels voortrollende juridische beroepszaken recht gezocht wordt biedt geen perspectief op een positieve uitkomst.

Met name Italië en Spanje, daarin gesteund door Frankrijk en Portugal, dringen met kracht aan op inschikkelijkheid van Nederlandse zijde.

Het Europees Parlement nam onlangs een resolutie aan waarin de lidstaat (Nederland werd niet expliciet genoemd) die difficulteerde bij het tot stand komen van de herziening van het LGO-besluit werd opgeroepen zich soepeler op te stellen. Door Nederlandse parlementariërs zijn bij die gelegenheid kritische vragen gesteld aan de Commissie en de Raad die beter recht doen aan de positie van het Koninkrijk.

De slepende onderhandelingen hebben tot politieke complicaties geleid in andere dossiers. Zo heeft Italië aangegeven, zolang de onderhandelingen over het LGO-besluit niet zijn afgerond, niet aan het verzoek van het Nederlandse Voorzitterschap te kunnen voldoen om grotere concessie bereidheid te tonen in de onderhandelingen met Egypte over een verhoging van het Egyptische tariefcontingent voor de import van rijst.

De NA vinden dat deze complicatie toe is te schrijven aan de wens van het Nederlandse Voorzitterschap die niet te rijmen valt met het streven van het Koninkrijk om de invoer vanuit de LGO veilig te stellen waarbij tegelijkertijd getracht wordt de toegang van Egypte te verruimen.

Er bestaat een kans dat, bij verdere stagnatie in het onderhandelingsproces, bij komende onderhandelingen over prijspakketten en quota in de Landbouwraad, Nederlandse belangen risico lopen.

Met het verder verstrijken van de tijd is ook van Britse en Franse zijde in toenemende mate druk te verwachten te komen tot een oplossing. Het ontbreken van een akkoord over de herziening blokkeert namelijk ook het beschikbaar komen van EOF-middelen voor de LGO behorend tot deze lidstaten op politieke gronden. Het gaat in totaal om 165 miljoen ECU uit het EOF en 35 miljoen ECU aan leningen door de Europese Investeringsbank. Hievan is ongeveer 35% bestemd voor de Nederlandse LGO.

10. Oplossing

Gezien het advies van de Commissie van Deskundigen zal een oplossing moeten worden gezocht die recht doet aan de zorgen van de andere lidstaten (marktverstoring) waaraan het Ierse voorstel tegemoet tracht te komen zonder hieraan de vorm van kwantitatieve restricties te geven. Op hoofdlijnen zou een dergelijk compromis er als volgt uit kunnen zien:

a. De NA en Aruba verbinden zich ertoe bepaalde landbouwprodukten, volgens een nader overeen te komen minimumuitvoerprijsmechanisme te exporteren naar de EU.

Normaal gesproken treedt de markt dan zelfregulerend op.

b. Indien dit niet het geval is zou de Commissie, volgens een nader vast te stellen vrijwaringsmechanisme een hoger tarief voor de import kunnen vaststellen, doch niet restrictiever dan geldt voor de meest begunstigde-natie tarieven.

Een voorstel gebaseerd op een minimumuitvoerprijsmechanisme aangevuld met een gepast vrijwaringsmechanisme zal op zeer korte termijn worden gefinaliseerd. Daarbij zal rekening dienen te worden gehouden dat het voorstel zal moeten worden aangepast op grond van de verwachtbare wens van de Commissie dat e.e.a. van een adequaat controle mechanisme zal moeten worden voorzien.

11. Flankerende maatregelen

Onverlet de discussie over de tussentijdse herziening van het LGO-besluit zal in de beleidsdialoog binnen het Koninkrijk worden gesproken over maatregelen ter verbetering van het investeringsklimaat in de NA en Aruba. Zo zal de Nederlandse regering onderzoeken hoe en onder welke voorwaarden met behulp van fiscale stimulansen het investeringsklimaat in de NA en Aruba te bevorderen. Voorts is reeds aan de Inter-American Development Bank gevraagd een studie te verrichten naar de economische groeisektoren van de NA. De resultaten van dit onderzoek zullen aan de orde komen tijdens de komende tweede financieel-economische beleidsdialoog op ministeriëel niveau, die begin september zal plaatsvinden.

12. Overige uitstaande punten

Tot nog toe hebben de onderhandelingen zich geconcentreerd op de herziening van de handelsregeling van het LGO-besluit, aangezien dit het meest gevoelige punt van de regeling betreft. Andere belangrijke openstaande punten in het kader van de tussentijdse herziening van het LGO-besluit zijn de regeling m.b.t. de maritieme cabotage, de financiële dienstverlening en milieu. T.a.v. deze punten is nog geen Koninkrijkspositie bepaald.

13. Conclusies

Na intensief beraad inzake de problematiek van de tussentijdse herziening van het LGO-besluit heeft de RMR van 30 mei 1997 op basis van de adviezen die in januari zijn gevraagd het navolgende besloten:

– De RMR neemt kennis van het advies en neemt de daarin opgenomen conclusies van de Commissie van Deskundigen, inzake de juridische aspecten van Deel IV van het EG-verdrag en het zesde LGO-besluit van 3 april 1997, mede als basis voor het te formuleren beleid.

– De RMR neemt kennis van het – concept – rapport van het NEI «Impact of the OCT/EU trade arrangement on the economies of the Netherlands Antilles and Aruba and the Common Agricultural Policy of the EU» van 29 april 1997.

– De rijstsector op de NA en Aruba ondervindt ernstige schade door de ingestelde vrijwaringsmaatregelen. De juridische beroepsprocedure heeft in kort geding geen praktisch resultaat opgeleverd. De bodemprocedure loopt evenwel nog door, doch een uitspraak is pas op lange termijn verwachtbaar. De RMR is van mening dat het beleid erop gericht dient te zijn de schade zoveel mogelijk te beperken.

– De RMR besluit de onderhandelingen in Brussel over de herziening van het LGO-besluit te hervatten. Gestreefd moet worden naar een onderhandelde oplossing op korte termijn.

– De RMR besluit dat nieuwe voorstellen zijdens het Koninkrijk qua juridische vormgeving, gelet op het advies van de Commissie van Deskundigen en gelet op de uitspraak in de zaak «Road Air BV», bij voorkeur de vorm van een systeem van minimumprijzen met een gepast vrijwaringsmechanisme zullen dienen te hebben.

– De RMR besluit dat de voorzitter van de Commissie van Deskundigen zal worden verzocht het rapport van de Commissie van Deskundigen bij de Commissie en het Raadssecretariaat, en enige lidstaten, toe te lichten en naar aanleiding daarvan te rapporteren.

– De RMR besluit dat tegen de nieuwe vrijwaringsmaatregelen inzake de invoer van rijst uit de LGO beroep zal worden aangetekend. De RMR overweegt geen procedure in kort geding.

– De RMR besluit dat, gelet op het grote belang voor zowel de LGO, als de rijstexporterende ACP-landen Suriname en Guyana onderzocht zal worden of een gezamenlijk overleg tot stand gebracht kan worden tussen de Commissie, Suriname, Guyana en het VK en Nederland teneinde de situatie m.b.t. de rijstmarkt te bespreken. Dit overleg zou bij voorkeur in de producerende regio gevoerd dienen te worden teneinde met name de Commissie te informeren over de positieve economische gevolgen die het LGO-besluit op de ontwikkeling van de rijstmarkt in die regio heeft gehad.

– Onverlet de discussie over de tussentijdse herziening van het LGO-besluit neemt de RMR er kennis van dat nagegaan wordt welke flankerende maatregelen genomen kunnen worden teneinde het investeringsklimaat op de NA en Aruba verder te verbeteren.


XNoot
1

Ter inzage gelegd bij de afdeling Parlementaire Documentatie.

Naar boven