25 368
Wijziging van de Ziekenfondswet in verband met de beëindiging van de medeverzekering van WSF-gerechtigden

nr. 5
VERSLAG

Vastgesteld 3 juni 1997

De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport1, belast met het voorbereidend onderzoek, brengt als volgt verslag uit van haar bevindingen omtrent dit wetsvoorstel.

Onder het voorbehoud dat de regering de gestelde vragen en gemaakte opmerkingen afdoende beantwoordt, acht de commissie de openbare behandeling van het wetsvoorstel voldoende voorbereid.

Algemeen

De leden van de PvdA-fractie hebben in hun schriftelijke inbreng ten aanzien van het wetsvoorstel Wijziging van de Wet op de studiefinanciering in verband met de overgang van studerenden van de ziekenfondsverzekering naar de particuliere zieketekostenverzekering, op grond waarvan de zogenaamde vrije voet wordt verhoogd en het kortingspercentage wordt verlaagd (Kamerstuk 25 330) van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, dat nauw samenhangt met het voorliggende wetsvoorstel, al aangegeven dat zij verbaasd zijn over de timing van dat wetsvoorstel. Dat geldt echter evenzeer voor het voorliggende wetsvoorstel.

Tijdens de plenaire behandeling van het wetsvoorstel tot wijziging van de inkomensgrens ziekenfondsverzekering voor AOW-gerechtigden heeft de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport gezegd dat het geheel van wetsvoorstellen (instroom in het ziekenfonds van ouderen en uitstroom uit het ziekenfonds van studenten) zo in de tijd was geplaatst dat de tweede fase instroom van ouderen pas plaats zou vinden nadat de Kamer een besluit zou hebben genomen over de uitstroom van studenten. Het amendement van de PvdA-fractie dat de tweede fase instroom van ouderen naar voren haalde werd ontraden omdat het politieke evenwicht zou worden verstoord. Nu is echter de situatie zo dat per 1-7-1997 de tweede fase instroom van AOW-gerechtigden plaats zal vinden, terwijl de Kamer eind mei 1997 het wetsvoorstel dat de uitstroom van studenten regelt heeft ontvangen. Daarbij ligt ook nog eens het verzoek om dit wetsvoorstel snel te behandelen zodat het nog per 1 augustus van kracht kan worden. De leden van de PvdA-fractie willen geenszins beweren dat een snelle behandeling van een wetsvoorstel ook een onzorgvuldige behandeling zou zijn. Zij hechten er echter aan enige schriftelijke vragen te stellen over het voorliggende wetsvoorstel. En zij vragen zich af waarom dit wetsvoorstel zo laat bij de Kamer is ingediend. Het excuus dat er van werd uitgegaan dat de uitstroom van studenten uit het ziekenfonds in het hierboven genoemde wetsvoorstel van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen zou worden geregeld vinden deze leden vreemd. De Ziekenfondswet en de kring van verzekerden van het ziekenfonds behoren duidelijk tot het terrein van het ministerie van VWS. Ook tijdens de eerder genoemde plenaire behandeling waren deze leden er vanuit gegaan dat in het voorjaar van 1997 het betreffende wetsvoorstel door het ministerie van VWS aan de Kamer gezonden zou worden.

De leden van de PvdA-fractie begrijpen niet waarom de procedure van dit voorstel, die inderdaad twee ministeries betreft, tot onduidelijkheid heeft geleid en tot zo late indiening van de voorstellen bij de Kamer. Kan uitgelegd worden in hoeverre er overleg cq. afstemming van beleid plaatsvindt tussen de beide ministeries?

De leden van de PvdA-fractie hechten er aan nog eens op te merken dat zij de koppeling tussen instroom van ouderen en uitstroom van studenten niet logisch vinden. Verder betekent uitstroom van jonge, meestal «gezonde» studenten uit het ziekenfonds dat de relatieve oververtegenwoordiging van ouderen in het ziekenfonds toeneemt en daarmee de MOOZ-bijdrage zal stijgen. Daarmee stijgen dus de kosten voor particulier verzekerden.

De minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft tijdens de plenaire behandeling van het wetsvoorstel waarbij de inkomensgrens voor AOW-gerechtigden werd verhoogd en de koppeling met het voorliggende wetsvoorstel werd besproken gezegd: «Op die manier is uiteindelijk een situatie bereikt waarin de totale verzekerde bestanden in kwantitatieve zin geen grote verschuiving te zien geven». Als zoveel waarde gehecht wordt aan het gelijk blijven van het aantal ziekenfondsverzekerden kan dan uitgelegd worden waarom 185 000 studenten uit zullen stromen terwijl de eerste berichten er op wijzen dat het aantal instromende ouderen ver beneden de geschatte 200 000 zal komen te liggen?

De leden van de PvdA-fractie hebben, zoals eerder gezegd tijdens de plenaire behandeling van het wetsvoorstel verhoging inkomensgrens AOW-gerechtigden, politiek begrip voor het standpunt van de VVD-fractie dat instroom en uitstroom in een zeker evenwicht moeten zijn. Zij vragen zich echter af of dat nu het geval is. Op dit moment is al bekend dat het aantal ouderen dat instroomt veel lager ligt; bij de huidige aanname van het aantal uitstromende studenten zal het totale aantal ziekenfondsverzekerden dus een stuk lager worden en is er naar de mening van deze leden geen sprake meer van no regret beleid en evenwicht. Waarom is het wetsvoorstel dan niet aangepast?

Hoeveel ouderen zijn tot nu toe het ziekenfonds ingestroomd? Waarom ligt dit aantal zo veel lager dan verwacht? Hoe zeker is het aantal uitstromende studenten van 185 000? Is het voor studenten niet erg aantrekkelijk om een klein baantje te nemen en zo toch via het ziekenfonds verzekerd te blijven? Als dat laatste het geval is zal het totale aantal verzekerden in het ziekenfonds wellicht toch gelijk blijven, ondanks de (wederom) te hoge schattingen van het aantal instromende ouderen, of zelfs stijgen.

In de memorie van toelichting bij wetsvoorstel 25 330 staat geschreven dat van de in het ziekenfonds vrijkomende middelen f 160 mln zal worden aangewend voor WSF-gerechtigden. Dit bedrag wordt ook in de memorie van toelichting bij het voorliggende wetsvoorstel genoemd. Hoe en wanneer is dat bedrag afgesproken met het ministerie van VWS? In de brief van de minister van VWS aan de Kamer van 17 september 1996 wordt de schade van studenten in het ziekenfonds nog geschat op f 130 mln. Als de vrijkomende bedragen lager uitvallen, moet dan toch f 160 mln uit de ziekenfondskas aan het ministerie van OCW overgedragen worden? Zo nee, hoe wordt het wetsvoorstel 25 330 dan gefinancierd? Zo ja, zal dan de uitstroom van studenten het ziekenfonds alleen maar extra geld gaan kosten?

De leden van de PvdA-fractie vragen, gezien de financiële samenhang tussen de beide wetsvoorstellen, nadrukkelijk in hoeverre er sprake is van overleg en financiële afstemming over deze gecombineerde maatregel tussen de ministeries van OCW en VWS.

Verder vragen de leden van de PvdA-fractie waarom men het niet nodig heeft geoordeeld om in de memorie van toelichting bij dit wetsvoorstel een financieel overzicht te voegen. Deze leden krijgen door de omvang en inhoud van de memorie van toelichting en de wijze van aanbieding aan de Kamer de indruk dat het hier om een beleidsmaatregel gaat zonder veel inhoudelijke of financiële consequenties. De hier aan het woord zijnde leden zijn deze mening zeker niet toegedaan. Zowel ten aanzien van het feit dat een grote groep studenten geconfronteerd wordt met hogere kosten voor een ziektekostenverzekering als het feit dat uitstroom van een grote groep studenten uit het ziekenfonds gevolgen heeft voor de achterblijvers in het ziekenfonds en zelfs ook voor particulier verzekerden. Deze leden denken daarbij aan de eerder genoemde verhoging van de MOOZ-bijdrage. Verder vragen zij zich af wat precies de consequenties voor de WTZ zullen zijn. De heer Wiegel, voorzitter van Zorgverzekeraars Nederland heeft vorig jaar aangekondigd dat de WTZ-bijdrage omhoog zou moeten mede als gevolg van de instroom van studenten in de WTZ. In de schriftelijke antwoorden in de brief van 1 november 1996 van de minister van VWS aan de Kamer staat echter dat verwacht wordt dat studenten zich direct op de particuliere markt zullen verzekeren en wordt er vanuit gegaan dat het effect op de WTZ nihil zal zijn. De leden van de PvdA-fractie vragen een nadere toelichting op deze tegenstrijdige opvatting ten aanzien van de gevolgen voor de WTZ. Uitstroom van studenten uit het ziekenfonds en in de WTZ, staat overigens loodrecht op het door een groot deel van de Kamer uitgesproken verlangen naar beëindiging van de WTZ. Deze leden hebben echter begrepen dat verzekeraars zogenaamde studentenpolissen op de markt willen gaan brengen. Is al bekend hoe deze polissen er uit zullen gaan zien en welke premie er voor gevraagd gaat worden? Ook vragen deze leden een financieel overzicht waarin de gevolgen van de instroom van ouderen, de uitstroom van studenten en de combinatie van beide maatregelen zijn opgenomen. Deze leden realiseren zich dat een dergelijk overzicht tijdens de behandeling van de verhoging van de inkomensgrens voor AOW-gerechtigden is gepresenteerd, maar vragen voor alle duidelijkheid nogmaals om een geactualiseerd overzicht, zodat zij voldoende op de hoogte zijn van de cijfers waar de regering vanuit gaat en de aannames die daarbij gehanteerd worden.

De leden van de CDA-fractie hebben met gemengde gevoelens kennis genomen van het voorliggende wetsvoorstel. Reeds vorig jaar bij de behandeling van de wijziging van de ziekenfondsgrens voor AOW-gerechtigden heeft de CDA-fractie een motie ingediend om het voornemen de meeverzekerde studenten uit het ziekenfonds te verwijderen in heroverweging te nemen. Zij betreuren het dat de regering volhardt in dit voornemen.

Graag vernemen deze leden waar is neergelegd, in welke wet, regel of afspraak, dat de verhouding tussen het aantal verzekerden niet mag worden gewijzigd.

Nog steeds is niet duidelijk hoe de compensatie is geregeld. Voor studenten met een aanvullende beurs is er geen probleem, omdat in de beurs rekening is gehouden met een premie voor ziektekostenverzekering. Het is zelfs mogelijk, zo begrijpen deze leden, dat studenten die slim opereren op de verzekeringsmarkt hieraan geld kunnen overhouden. Studenten zonder aanvullende beurs worden niet gecompenseerd. Naar de mening van de leden van de CDA-fractie is dat slecht verteerbaar. Deze studenten worden verwezen naar extra financiële ondersteuning door hun ouders dan wel naar een rentedragende lening. Naar de mening van deze leden is niet zonder meer aan te nemen dat de inkomenspositie van de ouders, die het betreft riant genoeg is om deze lasten er even bij te nemen. Zou de regering kunnen aangeven bij welk inkomen van de ouders het reeds mogelijk is dat deze voor de ziektekostenpremies moeten opdraaien. Hoeveel bedragen de kosten reeds voor deze ouders, indien zij het bedrag van een aanvullende beurs zelf betalen, het collegegeld reeds voor hun rekening nemen en nu ook nog de ziektekosten kunnen vergoeden?

Vervolgens stelt de regering voor de toegang tot de aanvullende beurs voor een grotere groep studenten mogelijk te maken. De vraag is of al deze nieuw voor de aanvullende beurs in aanmerking komende studenten voorheen meeverzekerd waren in het ziekenfonds. Is inmiddels bekend om hoeveel studenten het hier gaat? Hoeveel studenten extra krijgen een aanvullende beurs en hoeveel waren daarvoor ziekenfondsverzekerd? Hoeveel studenten waren niet ziekenfondsverzekerd en ontvangen nu een onverwachtse meevaller?

Grote zorgen maken de leden van de CDA-fractie zich over de mededeling van de minister van VWS in haar brief van 23 mei dat de wijziging van de WSF niet op tijd, dat wil zeggen voor 1 augustus, in het Staatsblad zal verschijnen. Toch probeert dezelfde minister de wijziging van de Ziekenfondswet wel op 1 augustus te doen ingaan. Mocht dit slagen, hoe ziet de compensatie via de WSF er op 1 augustus dan uit? Gevreesd moet worden dat daarvan niets terecht komt en het gehele cohort de ziektekostenpremie voor eigen rekening moet nemen. Is het niet uitermate onzorgvuldig dat de beide onderdelen van één en hetzelfde voorstel gescheiden en op een verschillend tijdstip aan de Kamer worden voorgelegd en een verschillende ingangsdatum krijgen? Is het gevaar niet levensgroot dat de meeverzekerde studenten wel uit het ziekenfonds worden verwijderd, maar dat de compensatie via de WSF in het begrotingsgeweld van dit najaar een andere bestemming zal krijgen? Zijn er niet reeds geluiden uit het kamp van de coalitie vernomen die de helft van de compensatie voor andere doelen wil inzetten, zoals een vergoeding voor de OV-jaarkaart? Gezien de mededeling van de minister over de ingangsdatum van de wijziging van de WSF dringen deze leden er bij de regering op aan ook de wijziging van de Ziekenfondswet uit te stellen.

Met belangstelling hebben de leden van de VVD-fractie kennis genomen van het onderhavige wetsvoorstel dat voorziet in de beëindiging van de medeverzekering van WSF-gerechtigden.

Ondanks het feit dat een en ander reeds in de brief van 17 september 1996 van de minister van Volksgezondheid , Welzijn en Sport (25 027, nr. 1) uitéén is gezet, hebben de leden van de VVD-fractie de volgende vragen.

Mede naar aanleiding van de begeleidende brief van 23 mei 1997 wil de VVD-fractie opheldering vragen ten aanzien van alinea's 3 en 4. Het wetsvoorstel 25 330 dat uitgaat van invoering per 1 januari 1998 zou mogelijk wel tijdig in het Staatsblad kunnen staan terwijl van het onderhavige wetsvoorstel, wat in werking moet treden op 1 augustus 1997, wordt betwijfeld of het wel tijdig in het Staatsblad zou kunnen staan. Kan de regering vorenstaande nader toelichten. Wat is de consequentie als het onderhavige wetsvoorstel niet tijdig in het Staatsblad komt?

Kan uiteen gezet worden waarom twee wetsvoorstellen moesten worden ingediend en het niet heeft kunnen leiden tot een gezamenlijk wetsvoorstel van de ministers van VWS en OCW, waaruit de gemeenschappelijke verantwoordelijkheid blijkt?

Ziet de VVD-fractie het goed dat dit wetsvoorstel niet los gezien kan worden van de afspraak inzake toelating van AOW-gerechtigden tot het ziekenfonds.

De leden van de VVD-fractie hebben kennis genomen van de brief van 26 mei 1997 waarin de minister kenbaar maakt dat begin juni het cijfermateriaal van de ziekenfondsraad met betrekking tot de toestroom van AOW-gerechtigden naar het ziekenfonds bekend zal zijn. Mogen deze leden er van uit gaan dat deze cijfers de Kamer voor de plenaire vergadering worden toegezonden? Zouden voor de plenaire behandeling tevens de vragen van collega's Nijpels-Hezemans en Leerkes/Verkerk van 27 mei hierover beantwoord kunnen worden?

Ziet de VVD-fractie het juist dat studerenden die voor het eerst in het studiejaar 1997–1998 onder de WSF vallen reeds met ingang van 1 augustus 1997 niet meer in de ziekenfondsverzekering worden opgenomen? Zo ja, ontvangen deze studenten een compensatie voor de premiekosten? Hoe wordt deze compensatie gefinancierd tot het moment van de wijziging in de WSF (1 januari 1998)?

Op bladzijde 1 van de memorie van toelichting wordt gesteld dat studenten die nu onder de overgangsregeling vallen maar die wegens ziekte hun studie tijdelijk staken bij hernieuwde inschrijving toch nog onder het overgangsrecht vallen. Hoe gaat de regering om met studerenden die om andere redenen dan ziekte (bijvoorbeeld stage of studie in het buitenland) hun studie onderbreken? Onder welke regeling vallen zij indien zij zich weer laten inschrijven?

Op bladzijde 2 van de memorie van toelichting wordt gesteld dat f 160 miljoen van de vrijkomende middelen wordt aangewend voor de WSF-gerechtigden. Hoe groot is de verwachte besparing in totaal en hoe is deze opgebouwd? Ten laste van welke posten van de begroting van VWS of het JOZ zal de besparing van f 160 miljoen worden overgeheveld naar de begroting van het ministerie van OCW en in welke wet zal dit worden geregeld?

Heeft de regering rekening gehouden met de omstandigheid dat studenten door deze maatregel misschien eerder een baantje zullen zoeken zodat zijn zelfstandig opgenomen worden in het ziekenfonds? Wat zijn de gevolgen van een dergelijke ontwikkeling voor de beoogde besparing?

In de brief van 17 september 1996 heeft de minister de leeftijdsgrens van 18 jaar aangekondigd, welke in het hiermee samenhangende wetsvoorstel tot wijziging van de Wet op de studiefinanciering is komen te vervallen waardoor alle studenten die in aanmerking komen voor WSF niet langer met de ouders in het ziekenfonds meeverzekerd kunnen blijven. Het gaat hierbij om een groep van 1500 studenten extra per jaar. Heeft dit gevolgen voor de besparing van de Ziekenfondswet en het bedrag dat zal worden overgeheveld naar de begroting van OCW?

Op 17 december 1996 heeft de VVD-fractie vragen gesteld over de consequenties van het wetsvoorstel wijziging inkomensgrens ziekenfondsverzekering voor AOW-gerechtigden voor inkomsten van de huisartsen. De minister heeft geantwoord dat zij bereid was overleg te voeren met de LHV. Heeft dit overleg inmiddels plaatsgevonden en wat is hier uitgekomen?

Tenslotte vragen de leden van de VVD-fractie zich af wanneer zij de voorstellen inzake de voorgenomen herstructurering van de Ziekenfondswet zoals aangekondigd in de brief van 17 september 1996 kunnen verwachten, waarbij deze leden hopen dat een keuzevrijheid voor betrokkenen ten aanzien van de verzekeringsvorm is ingebouwd.

De leden van de fractie van D66 kunnen op hoofdlijnen instemmen met het onderhavige wetsvoorstel. Wel benadrukken zij dat zij in het algemeen zeer hechten aan goed overgangsrecht voor studerenden die voor de aanvang van komend studiejaar al onder de werking van de WSF vallen. In het onderhavige wetsvoorstel is dit echter ook geregeld. Het overgangsrecht geldt zolang deze studerenden ononderbroken in aanmerking blijven komen voor studiefinanciering, zo staat in de memorie van toelichting. De leden van de fractie van D66 vragen wat er gebeurt indien voor studerenden het recht op studiefinanciering tijdelijk wordt onderbroken. Daarvoor kunnen immers heel verschillende achtergronden bestaan, die soms wel, maar soms ook niet beïnvloedbaar zijn. Het laatste is bijvoorbeeld het geval bij langdurige ziekte of het overlijden van een naaste. Deze leden vragen de regering de dan ontstane situatie voor deze studerenden en hun huidige recht op medeverzekering nader toe te lichten.

Een overstap van ziekenfonds naar particuliere verzekering brengt meerkosten van een kleine f 800 op jaarbasis met zich mee. Dit komt tot uitdrukking in een even grote verhoging van het normbudget. In de WSF-systematiek worden de kosten voor een particuliere zieketekostenverzekering vergoed in de aanvullende beurs. Als er meerkosten ontstaan door het afsluiten van een particuliere verzekering, dan worden deze automatisch vergoed voor aanvullende beursgerechtigden. Voor studenten die niet in aanmerking komen voor een aanvullende beurs, geldt deze compensatie niet. Zij hebben de mogelijkheid tot het afsluiten van een rentedragende lening. Deze studenten moeten dus op eigen kosten een particuliere verzekering afsluiten.

Voor de leden van fractie van D66 staat voorop dat studenten verzekerd moeten zijn. Zij verzoeken de regering om na één of twee jaar de situatie te evalueren, met name voor deze groep studerenden die niet in aanmerking komen voor een aanvullende beurs.

Als peildatum voor de vraag of een studerende al dan niet particulier verzekerd is, geldt de eerste dag van het studiefinancieringstijdvak. Voor zittende studerenden is dit 1 januari, voor studerenden die na die datum instromen, de dag van instromen. Hoe verhoudt zich deze datum met het peilmoment voor het ziekenfonds, dat immers in november van het voorafgaande jaar ligt? Kunnen hieruit wellicht voor de bestaande cohorten nog situaties voortvloeien waarbij studenten tussen wal en schip vallen?

Hoe verhoudt deze maatregel zich tot het streven om te komen tot een inkomensverzekering voor de Ziekenfondswet in plaats van de huidige werknemersverzekering?

De voorzitter van de commissie,

Van Nieuwenhoven

De griffier van de commissie,

Van der Windt


XNoot
1

Samenstelling: Leden: Lansink (CDA), Schutte (GPV), Van Nieuwenhoven (PvdA), voorzitter, Van der Heijden (CDA), ondervoorzitter, Van Heemskerck Pillis-Duvekot (VVD), M. M. H. Kamp (VVD), Doelman-Pel (CDA), Swildens-Rozendaal (PvdA), Vliegenthart (PvdA), Mulder-van Dam (CDA), Versnel-Schmitz (D66), Middel (PvdA), Leerkes (U55+), Nijpels-Hezemans (Groep Nijpels), Fermina (D66), Oedayraj Singh Varma (GroenLinks), Dankers (CDA), Marijnissen (SP), Essers (VVD), Oudkerk (PvdA), Cherribi (VVD), Sterk (PvdA), Van Boxtel (D66), Van Vliet (D66) en Van Blerck-Woerdman (VVD).

Plv. leden: Soutendijk-van Appeldoorn (CDA), Van der Vlies (SGP), Lilipaly (PvdA), Th. A. M. Meijer (CDA), Rijpstra (VVD), Voûte-Droste (VVD), Smits (CDA), Dijksman (PvdA), Houda (PvdA), Beinema (CDA), Van den Bos (D66), vacature PvdA, Rouvoet (RPF), R. A. Meijer (Groep Nijpels), Van Waning (D66), Sipkes (GroenLinks), De Jong (CDA), vacature CD, Passtoors (VVD), Apostolou (PvdA), J. M. de Vries (VVD), Noorman-den Uyl (PvdA), Bremmer (CDA), Bakker (D66) en Hoogervorst (VVD).

Naar boven