25 257
Van uitgaven naar kosten

25 509
Interdepartementale beleidsonderzoeken 1997

nr. 3
VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 29 oktober 1998

De commissie voor de Rijksuitgaven1 en de vaste commissie voor Financiën2 hebben op 24 september 1998 overleg gevoerd met minister Zalm van Financiën over:

1. De brief van de minister van Financiën d.d. 27 april 1998 inzake «Verder met resultaat; het agentschapsmodel 1991–1997» (Fin 98-616/RU 98-25).

Hierbij zijn de volgende stukken betrokken:

– de nota «Van uitgaven naar kosten» van de minister van Financiën d.d. 3 maart 1997 (25 257, nr. 1);

– het verslag van een schriftelijk overleg over de nota «Van uitgaven naar kosten» d.d. 21 maart 1997 (25 257, nr. 2);

– de brief van de minister van Financiën d.d. 2 september 1997 betreffende interdepartementale beleidsonderzoeken 1997 (25 509, nr. 1) en het conceptueel kader voor de bedrijfsvoeringsonderzoeken («Aansturen op resultaat», bijlage bij Kamerstuk 25 509, nr. 1).

2. De brief van de minister van Financiën d.d. 23 februari 1998 inzake het subsidieoverzicht rijksoverheid 1998 (Fin 98-143/RU 98-8).

Van het overleg brengen de commissies bijgaand beknopt verslag uit.

Vragen en opmerkingen uit de commissies

Mevrouw Duijkers (PvdA), die het rapport «Verder met resultaat; het agentschapsmodel 1991–1997» in hoofdzaak als positief bestempelde, vroeg waarom geen extern instituut is betrokken bij de evaluatie van de agentschappen. Zij dacht daarbij aan de organisatie voor overheidsfinanciën of de Algemene Rekenkamer. Zij vond het jammer dat de afdeling beleidsevaluatie niet in de interdepartementale projectgroep is vertegenwoordigd. Waarom zijn geen externe, meer onafhankelijke deskundigen ingeschakeld? Hebben immers degenen die nu zijn vertegenwoordigd, geen directe belangen bij het onderzoek? Zij stelde voor het onderzoek alsnog te laten valideren en een extern bureau in te schakelen.

Het had mevrouw Duijkers verwonderd dat juist de agentschappen die wat betreft de inrichting van het financiële stelsel geen problemen zouden moeten hebben met het financieel beheer, die problemen juist wél hebben. Is de minister tevreden over de resultaten na het nemen van de maatregelen?

Mevrouw Duijkers vroeg zich af of het baten-lastenstelsel leidt tot doelmatiger werken, toch één van de doelstellingen van de instelling van agentschappen. Juist bij de overheid gaat het immers niet alleen om de kostprijs, maar ook om de kwaliteit van de uitvoering.

Hoewel mevrouw Duijkers de in het rapport voorgestelde voorwaarden voor de toekomst duidelijk vond, vroeg zij of een nulmeting, oftewel een boedelbeschrijving, kan worden toegevoegd aan de al genoemde voorwaarden. Verder zou het goed zijn fundamenteel na te denken over de vraag of meer dienstgerichte onderdelen van de rijksdienst op basis van het baten-lastenstelsel kunnen werken, zonder dat dit direct agentschappen worden. Moet daartoe geen regelgeving worden opgenomen in de Comptabiliteitswet?

Over agendapunt 2 vroeg mevrouw Duijkers of de in het subsidieoverzicht genoemde tabellen er anders zouden hebben uitgezien als een eenduidige definitie van het begrip «subsidie» aanwezig was geweest. Is de in de brief aangekondigde eenduidigheid in de begroting voor 1999 bereikt? Hoe kan het sanctiebeleid zodanig worden ingericht, dat voor de Kamer controleerbaar blijft dat het geld besteed is waarvoor het bedoeld is?

Mevrouw Remak (VVD) vond het enigszins merkwaardig en wellicht wat voorbarig om in de Miljoenennota 1999 de conclusie van het evaluatierapport op te nemen, alvorens daarover met de Kamer van gedachten te hebben gewisseld. Dit komt over als een fait accompli. De evaluatie heeft helaas nog niet dat opgeleverd waarvoor zij bedoeld was, namelijk helderheid over de vraag of het agentschapsmodel bijdraagt aan een doelmatiger uitvoering van overheidstaken. Zij vond dat deze vraag op basis van de evaluatie niet kán worden beantwoord, gelet op de opzet van het onderzoek. Wil de minister het agentschapsmodel opnieuw laten onderzoeken, maar dan door een onafhankelijke externe organisatie? Daarmee zou de eventuele effectiviteit van het agentschapsmodel definitief komen vast te staan.

Mevrouw Remak signaleerde dat niet precies is aangegeven, wat de voorgestelde leen- en spaarfaciliteit voor agentschappen inhoudt. Kan worden aangegeven, op welke termijn uitwerking plaatsvindt, en wat de inhoud daarvan is?

Ook mevrouw Remak vond een nulmeting noodzakelijk. Hetzelfde geldt voor de goedkeurende accountantsverklaring: deze geeft immers aan wat de beginsituatie van een agentschap is, teneinde onaangename verrassingen in de toekomst te voorkomen. Met het vervallen van deze goedkeurende accountantsverklaring wordt de bodem uit het agentschap gehaald. Kan de minister de door het kabinet voorgestelde precisering van voorwaarden nader toelichten?

Het had mevrouw Remak enigszins verbaasd, dat het kabinet voorstelt het baten-lastenstelsel breder beschikbaar te stellen dan alleen voor agentschappen. Een effectieve evaluatie heeft nog niet plaatsgevonden, zodat het te vroeg is over deze verbreding te spreken. Kan de minister aangeven wat deze verbreding voor gevolgen kan hebben voor het budgetrecht van de Kamer? Voor haar fractie was nog niet duidelijk waarom een dergelijke verbreding zou moeten plaatsvinden. Hoe verhoudt de constatering van de Algemene Rekenkamer, dat bij negen van de veertien onderzochte agentschappen tekortkomingen bestaan in het financieel beheer en/of de financiële verantwoording, zich tot de door het kabinet voorgestelde nadere precisering van de voorwaarden? Als na een onafhankelijk onderzoek blijkt dat de voorwaarden precisering vereisen, dient deze volgens mevrouw Remak voorzover mogelijk te worden opgenomen in de zevende wijziging van de Comptabiliteitswet. Alvorens agentschappen meer mogelijkheden te geven, dient zorgvuldig onderzocht te worden hoe het met de doelmatigheid staat. Zij drong er bij de minister op aan dit zo snel mogelijk – genoemd werd een termijn van drie maanden – te laten onderzoeken.

Het was de heer Weekers (VVD) opgevallen dat het subsidieoverzicht rijksoverheid 1998 vanwege de aangepaste subsidiedefinities slechts beperkt te vergelijken is met dat uit 1993. Kan de minister in tabel 2 aangeven welke subsidieregelingen zijn vervallen en welke vanwege een aangepaste definitie niet meer zijn opgenomen? Is het mogelijk dit ook in toekomstige overzichten te verwerken? Welke subsidiedefinities worden gehanteerd? Is het niet mogelijk om één subsidiedefinitie voor alle departementen te ontwikkelen?

De heer Weekers vond dat geen enkel inzicht wordt gegeven in de feitelijk toegepaste sancties en de departementen waar die hebben plaatsgevonden. Hij achtte het onbegrijpelijk dat bij een aantal subsidieregelingen de voorwaarden niet binnen de reikwijdte van een accountantsverklaring van de ontvanger vallen. Standaard moet een accountantsverklaring worden verlangd, waarmee een rapportage ontstaat van de rechtmatigheid en de doelmatigheid van de besteding van de middelen. Kan de minister aangeven, hoe vaak sancties zijn toegepast, voor welke regelingen, bij welke departementen en waarom? Worden gelijke gevallen ook gelijk behandeld?

Ook de heer De Haan (CDA) lag het rapport van de Algemene Rekenkamer zwaar op de maag: daaruit bleek dat bij negen van de veertien agentschappen tekortkomingen in de administratieve organisatie bestaan. Moeten Kamer en minister na het verschijnen van het rekenkamerrapport niet veel kritischer zijn bij de instelling van agentschappen, als het gaat om de administratieve organisatie? Immers, als de administratieve organisatie niet klopt, wordt niet voldaan aan de voorwaarden die door de Kamer zijn vastgesteld. Bovendien wordt het daarmee lastig de vraag te beantwoorden of de agentschapsvorm efficiënt is. Wat vindt de minister van de opvatting dat de leenfaciliteit – op zichzelf een goede gedachte – pas wordt verstrekt aan die organisaties, die volgens de Rekenkamer hun zaken op orde hebben? Kunnen van goed functionerende agentschappen in de toekomst ZBO's worden gemaakt?

De heer De Haan had zich verbaasd over de onvergelijkbaarheid van het subsidieoverzicht rijksoverheid 1998 en dat van 1993. Het was hem opgevallen, wat een «rommeltje» het op subsidiegebied is. Aan de in het overzicht opgenomen tabel had hij niet veel. Is het niet veel te kostbaar om maar overal externe accountants bij te betrekken? Waarom worden in het subsidieoverzicht vrijwel nergens horizonbepalingen opgenomen? Kan dat in de toekomst misschien anders?

De heer Van Walsem (D66) betreurde het dat de afdeling beleidsevaluatie van het ministerie van Financiën niet was vertegenwoordigd in de interdepartementale projectgroep. De waarde van het evaluatieonderzoek niet bagatelliserend, vond hij dat conclusies zijn getrokken op basis van uitspraken van personen die daar min of meer belang bij hadden. Hij pleitte derhalve voor een onafhankelijk onderzoek.

Bij een bredere invoering van het baten-lastenstelsel moet zeker worden stilgestaan bij het budgetrecht van de Kamer, dat volgens de heer Van Walsem zeker niet in het geding mocht komen. In dit verband wees hij op de nota VUNK. De discrepantie tussen de uitkomsten van de evaluatie en de bevindingen van de Rekenkamer leiden tot enige relativering van de evaluatie.

Het voorstel van het kabinet om de goedkeurende accountantsverklaring vooraf te laten verdwijnen, kreeg niet de instemming van de heer Van Walsem. Hij stelde voor de departementale accountantsdiensten vooraf een oordeel te laten geven over het plan van aanpak, de financiële administratie en de administratieve organisatie, naast de goedkeurende verklaring.

Ook de heer Van Walsem vond het subsidieonderzoek 1998 moeilijk te vergelijken met dat uit 1993. Horizonbepalingen ontbreken helaas. Hoe vaak worden sancties toegepast en welke zijn dat? Het is buitengewoon teleurstellend dat evaluaties absoluut niet structureel worden uitgevoerd.

Het antwoord van de minister van Financiën

Volgens de minister was de afdeling beleidsevaluatie wel degelijk ingeschakeld bij het werk van de interdepartementale projectgroep. Externe ondersteuning bleek volgens hem uit de inschakeling van prof. Mol. Het onderzoek krijgt «the benefit of the doubt»; wel moet er een moment komen waarop het functioneren van de agentschappen opnieuw wordt geëvalueerd.

Ter relativering van de goedkeurende accountantsverklaring – die er overigens wel geacht wordt te zijn – moest volgens de minister worden bedacht, dat die verklaring is gebaseerd op de administratieve organisatie en de comptabele regels zoals die gelden vóórdat de status van agentschap is bereikt, en dat aan een agentschap (dat werkt volgens het baten-lastenstelsel) andere eisen gesteld moeten worden dan aan organisaties die volgens kasverplichtingen werken. Voordat wordt gestart met het agentschapsmodel vindt een check plaats om te zien of de administratieve organisatie adequaat is in het licht van de toekomstige status als agentschap, en of men in staat is een kostprijsberekening te maken, waarvan de ontwikkeling ook kan worden gevolgd. Bij de beoordeling van dit plan van aanpak zouden de departementale accountantsdiensten een rol kunnen spelen. De tekortkomingen die naar voren komen in het rapport van de Algemene Rekenkamer zijn niet zozeer systeemfouten, alswel meer autonome, oplosbare knelpunten van een wat kleinere omvang.

De minister benadrukte dat hij, afgezien van de toezichthoudende coördinerende rol, niet wordt geacht het beleidsterrein van collega's te betreden. Hoewel het bij de overheidsorganisatie niet alleen gaat om de kostprijs, vond de minister dat een adequate berekening daarvan toch wel een basisvoorwaarde is om verder te komen. Met een kostprijsberekening is de politieke discussie overigens nog niet afgerond: kwaliteitsmeting is een apart aandachtspunt, dat met verschillende instrumenten in beeld wordt gebracht. Een nulmeting was volgens hem vereist. Het is wenselijk dat andere diensten, ook zonder zich uit te roepen tot agentschap, een baten-lastenstelsel kunnen gaan voeren, wat overigens inhoudt dat deze diensten aan dezelfde eisen moeten voldoen als agentschappen. Voor bepaalde diensten lijkt het gevoelsmatig ongewenst dat zij de status van agentschap krijgen.

De minister merkte op, dat binnenkort een concrete uitwerking van de leen-spaarfaciliteit zal worden gepresenteerd. In de begroting voor 1999 is daarop, waar het gaat om de rijksgebouwendienst al vooruitgelopen. Het budgetrecht van de Kamer blijft volstrekt onaangetast. In feite wordt hiermee een extra budgetrecht voor de Kamer gecreëerd, omdat de Kamer nu ook de voorstellen, vertaald in lasten en baten, onder ogen krijgt en niet alleen de mutaties op kasbasis. Het beroep dat wordt gedaan op de spaar-leenfaciliteit wordt zichtbaar gemaakt in de begrotingsstukken. Schommelingen in de investeringssfeer zijn toegestaan.

De minister onderstreepte dat bij agentschappen, in tegenstelling tot ZBO's, de ministeriële verantwoordelijkheid volledig intact blijft. Een agentschap is bepaald geen voorportaal naar een ZBO. Hoe efficiënter de agentschapsvorm, hoe minder behoefte er bestaat aan omzetting naar een ZBO.

De minister vond dat vragen over het sanctiebeleid primair door de diverse departementen moeten worden beantwoord.

De minister gaf aan dat sprake is van maar één subsidiedefinitie, maar dat toepassing ervan een punt van aandacht is. Voor 1999 zal een uniform toegepaste subsidiedefinitie verschijnen. De minister stelde voor het subsidieoverzicht een jaarlijks overzicht te laten blijven onder het gelijktijdig schrappen van alle subsidiebijlagen uit de individuele ontwerpbegrotingen. Hij was bereid ervoor te zorgen dat het overzicht voor 2000 op Prinsjesdag beschikbaar wordt gesteld.

Via het singleauditmodel zal uiteindelijk gebruik worden gemaakt van de controlegegevens die de provincie heeft toegepast om de rechtmatigheid van de besteding van subsidies te beoordelen, zodat een integraal oordeel ontstaat. Daarbij speelt de vraag of in Provincie- en Gemeentewet niet de rechtmatigheidseis moet worden gesteld.

Als regelingen die zijn weggevallen, noemde de minister de balansverkorting bij VROM en de Wet op de bejaardenoorden. De NWO-subsidies en de Wet op de studiefinanciering zijn ten onrechte weggevallen. Terecht is de export kredietverzekering weggevallen.

Het uniform opleggen van een accountantsverklaring voor alle verstrekte subsidies gaat te ver. In het nieuwe subsidieoverzicht zal de IHS waarschijnlijk gehandhaafd worden. De horizonbepaling is in goed overleg met de Kamer vervangen door een evaluatie eens in de vijf jaar. Op verzoek van de Kamer wordt de vindplaats van de laatste evaluatie van een regeling aangegeven.

Nadere gedachtewisseling

Mevrouw Duijkers (PvdA) meende dat moet worden nagedacht over het voorstel van de minister om de evaluatie het voordeel van de twijfel te geven en op een later moment het functioneren van de agentschappen nogmaals te evalueren. In zo'n volgend onderzoek moet de vraag worden beantwoord, wat de meerwaarde is van het baten-lastenstelsel. Zij pleitte nogmaals voor de inschakeling van externen bij het onderzoek. De wijze van rapportage aan de Kamer over het verloop van de financiën is een aandachtspunt. Is er een streefniveau voor de administratieve organisatie en de interne controle? Op welke wijze kan de Kamer inzicht krijgen in de output? Zij kon zich voorstellen dat pas in het jaar 2000 een nader onderzoek kan worden verricht. Uit een dergelijk onderzoek moet ook blijken hoe toezicht wordt gehouden op de verhouding tussen kostprijs en kwaliteit. Bij opstelling van de nulmeting zouden de departementale accountantsdiensten een rol moeten vervullen. Voornemens om voor bepaalde onderdelen van de rijksdienst het baten-lastenstelsel in te voeren, zouden onderwerp van overleg met de Kamer moeten zijn.

Mevrouw Duijkers zou het voorstel van de minister om in plaats van de afzonderlijke overzichten bij de diverse begrotingen alleen een jaarlijks subsidieoverzicht door Financiën te laten maken, nog met haar fractie bespreken. Het getrapte subsidietoezicht zal in de toekomst worden bekeken.

Mevrouw Remak (VVD) wees op haar nog niet beantwoorde vraag over opneming in de zevende wijziging van de Comptabiliteitswet van een precisering van de voorwaarden. Van belang is dat het kwaliteitsniveau wordt verhoogd. Zij was blij met de uitspraak van de minister dat het budgetrecht van de Kamer niet wordt aangetast. Het voorgestelde plan van aanpak, dat de minister zal gaan uitvoeren, leek haar een goede zaak. Moet de gevoelsmatige moeite met de status van agentschap hét argument voor verbreding zijn? Moet daarbij niet veel meer aan het imago van de betrokken diensten worden gewerkt? Zij was het eens met de suggestie om aan te geven welke onderdelen van de rijksdienst denken aan invoering van het baten-lastenstelsel. Kan daarbij ook worden aangegeven wat de bezwaren zijn tegen de agentschapsvorm?

De heer Weekers (VVD) was blij met de per 1999 toegezegde uniforme toepassing van de subsidiedefinitie. Met het opnemen van de goedkeurende accountantsverklaring als standaardvoorwaarde moet niet rigide om worden gegaan. Er moet altijd een redelijkheidstoets worden ingebouwd. Het leek hem goed dat steekproefsgewijs via de vakministeries in wordt gegaan op de feitelijke sanctietoepassing bij de rijksoverheid. Hij sprak de vrees uit dat, met het verdwijnen van de subsidieoverzichten in de verschillende begrotingen, de diverse ministers minder snel genegen zijn om in te gaan op subsidieregelingen, en op eventuele onregelmatigheden daarin. Is het mogelijk dat een totaaloverzicht door Financiën wordt gepresenteerd, waarvan onderdelen worden overgenomen in de departementale begrotingen?

De heer De Haan (CDA) vond het voldoende als eens in de vijf jaar een subsidieoverzicht wordt gepresenteerd. Verder moeten pas externen worden ingeschakeld als overduidelijk is dat de gezochte deskundigheid niet intern aanwezig is.

De heer Van Walsem (D66) vond een pas op de plaats als het gaat om bredere invoering van het baten-lastenstelsel bij de rijksdiensten wel terecht. Eerst moeten de resultaten van de bedrijfsvoeringsonderzoeken worden afgewacht. Grootschalige invoering mag niet plaatsvinden voordat de resultaten van de evaluatie bekend zijn. Hij onderstreepte dat het overzicht op dit punt steeds moeilijker wordt. Wat de invoering van het baten-lastenstelsel betreft, wees hij op het bestaan van de voorhangprocedure. Ten slotte was hij blij met de aangekondigde inschakeling van de departementale accountantsdiensten bij de beoordeling van de diverse plannen van aanpak om een adequate administratieve organisatie op te zetten.

De minister onderstreepte dat, als men bedrijfseconomisch wil werken, het begrippenkader daarop gebaseerd moet zijn. Het verplichtingenstelselkasstelsel is gelet op de autorisatie door het parlement een ideaal systeem, maar bedrijfseconomisch gezien is het een «non-begrip». Voor doelmatiger werken is een bedrijfseconomische boekhouding een minimumvereiste. Dat garandeert overigens nog niet dat daarmee het bedrijf goed wordt gerund.

Wat het streefniveau voor de administratieve organisatie betreft, moeten alle diensten voldoen aan dezelfde eisen, gesteld door de accountant. Het kwaliteits-kwantiteitsaspect is een punt van aandacht. Kwaliteitsmeting zal overigens per geval verschillen.

De andere diensten die, zonder dat zij de status van agentschap krijgen, de facto wel een agentschap worden, zullen op exact dezelfde manier worden benaderd als de agentschappen. Dit zal in de zevende wijziging van de Comptabiliteitswet worden geregeld. Via de voorhangprocedure kan de Kamer daarover haar oordeel geven.

De minister benadrukte dat de interdepartementale beleidsonderzoeken en de bedrijfsvoeringsonderzoeken interessante dingen zullen opleveren, die bij bijna elke onderzochte dienst tot verbeteringen kunnen leiden. Deze onderzoeken zullen begin november aan de Kamer worden toegezonden.

De vraag of eens per jaar respectievelijk eens per vier jaar een totaaloverzicht wordt gepresenteerd met het al of niet schrappen van de betreffende bijlagen bij de begroting, bleef nog onbeantwoord, zodat iedereen zich daarover nog kan beraden. De minister vond de «formule-de Haan» begrijpelijk: eens in de vijf jaar een subsidieoverzicht. Deskundige inbreng van buiten in het kader van de evaluatie agentschappen kan verfrissend werken. Hij vond dat deze inbreng in dit geval wellicht iets sterker had kunnen zijn. Over twee à drie jaar zal opnieuw een evaluatie worden gemaakt, die een gedifferentieerd karakter zal moeten hebben.

De heer Van Walsem (D66) constateerde dat de minister tijdens het overleg de volgende toezeggingen had gedaan:

– bij de volgende evaluatie zullen meerdere externen worden betrokken;

– er moet bij het instellen van een agentschap een goedkeurende accountantsverklaring vooraf worden afgegeven;

– de leen-spaarfaciliteit wordt binnenkort in een kabinetsnota behandeld;

– er komt een departementale verklaring vooraf bij het plan van aanpak van de diverse agentschappen; daarbij zal de expertise van de departementale accountantsdiensten worden betrokken;

– in 1999 komt er een uniforme toepassing van de subsidiedefinitie;

– in een later stadium zal nog worden teruggekomen op de vraag of er per 2000 een apart subsidieoverzicht komt, of dat deze zaak toch per begroting wordt behandeld;

– de invoering van het baten-lastenstelsel voor de rijksdiensten zal dezelfde regeling krijgen als bij de agentschappen, waarbij met name de voorhangprocedure belangrijk is; een en ander zal worden vastgelegd in de Comptabiliteitswet;

– de resultaten van de bedrijfsvoeringsonderzoeken zullen begin november gepresenteerd worden.

De commissie als geheel stond terughoudend tegen invoering van het baten-lastenstelsel bij rijksdiensten.

De voorzitter van de commissie voor de Rijksuitgaven,

Van Walsem

De voorzitter van de vaste commissie voor Financiën,

Van Gijzel

De griffier van de commissie voor de Rijksuitgaven,

Van der Windt


XNoot
1

Samenstelling: Leden: Rosenmöller (GroenLinks), Van Zijl (PvdA), Hillen (CDA), Witteveen-Hevinga (PvdA), ondervoorzitter, Van Heemst (PvdA), Hessing (VVD), Giskes (D66), Marijnissen (SP), Van Dijke (RPF), Bakker (D66), Van Walsem (D66), voorzitter, Th. A. M. Meijer (CDA), De Haan (CDA), Wagenaar (PvdA), Van den Akker (CDA), Van Beek (VVD), Duijkers (PvdA), Verburg (CDA), Vendrik (GroenLinks), Remak (VVD), Weekers (VVD), Kuijper (PvdA), Udo (VVD) en Blok (VVD).

Plv. leden: Harrewijn (GroenLinks), Van Zuijlen (PvdA), Ross-van Dorp (CDA), Koenders (PvdA), Bos (PvdA), Voûte-Droste (VVD), Lambrechts (D66), Kant (SP), Feenstra (PvdA), Schutte (GPV), Van der Vlies (SGP), Schimmel (D66), Stroeken (CDA), Wijn (CDA), Dok-van Weele (PvdA), Rietkerk (CDA), O. P. G. Vos (VVD), Hamer (PvdA), Reitsma (CDA), Feenstra (PvdA), Rabbae (GroenLinks), Van Blerck-Woerdman (VVD), Geluk (VVD), De Vries (VVD) en Balemans (VVD).

XNoot
2

Samenstelling: Leden: Schutte (GPV), Reitsma (CDA), Rosenmöller (GroenLinks), Van Zijl (PvdA), Van Gijzel (PvdA), voorzitter, Witteveen-Hevinga (PvdA), Voûte-Droste (VVD), Noorman-den Uyl (PvdA), Giskes (D66), Kamp (VVD), Marijnissen (SP), Crone (PvdA), Van Dijke (RPF), Bakker (D66), De Vries (VVD), De Haan (CDA), ondervoorzitter, Stroeken (CDA), Patijn (VVD), Van Beek (VVD), Balkenende (CDA), Vendrik (GroenLinks), Bos (PvdA), Remak (VVD), Wijn (CDA) en Kuijper (PvdA).

Plv. leden: Van der Vlies (SGP), Verburg (CDA), Harrewijn (GroenLinks), Smits (PvdA), Duijkers (PvdA), Koenders (PvdA), Balemans (VVD), Van Oven (PvdA), Schimmel (D66), Hofstra (VVD), De Wit (SP), Kalsbeek-Jasperse (PvdA), Hoekema (D66), Van Walsem (D66), Wilders (VVD), Dankers (CDA), Van der Knaap (CDA), Blok (VVD), Weekers (VVD), Bijleveld-Schouten (CDA), Rabbae (GroenLinks), Van Dok-van Weele (PvdA), Hessing (VVD), Van den Akker (CDA) en Timmermans (PvdA).

Naar boven