nr. 13
BRIEF VAN DE MINISTER VAN JUSTITIE
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
's-Gravenhage, 16 juni 1999
Ten vervolge op mijn brief van 10 mei 1999 aan de vaste commissie voor
Justitie kan ik u thans, mede namens mijn ambtgenoot van Buitenlandse Zaken,
berichten dat de onderhandelingen met Marokko over een bilateraal verdrag
inzake de overbrenging van gevonniste personen zijn afgerond. Het ligt
in ons voornemen het verdrag deze zomer te ondertekenen. Aangezien het verdrag
voorziet in voorlopige toepassing vanaf één maand na de ondertekening
ervan, verwachten wij dat verzoeken tot overbrenging vanaf september 1999
kunnen worden ingediend. Aldus wordt naar ons oordeel voldaan aan de in januari
van dit jaar in uw Kamer uitgesproken wens om met Marokko tot een verdrag
te komen. Na de ondertekening zal de procedure voor stilzwijgende goedkeuring
worden voorbereid.
Voor wat betreft de inhoud van het verdrag, verwijzen wij allereerst naar
de hierbij gevoegde ontwerp-tekst in de Franse taal1.
Het verdrag is in de Franse taal onderhandeld en zal worden ondertekend in
het Frans, het Nederlands en het Arabisch. Met de vertaling en de verificatie
van de drie taalversies is echter nog enige tijd gemoeid.
Tijdens de onderhandelingen bleek dat, hoewel Marokko reeds een aantal
verdragen terzake heeft gesloten, het instrument van de overbrenging van gevonniste
personen een betrekkelijk nieuw fenomeen is in het Marokkaanse recht. Dit
vormde ook de reden dat er aan Marokkaanse zijde een sterke voorkeur voor
bestond het verdrag met Nederland dezelfde structuur te geven als zijn overige
bilaterale verdragen. Aan deze wens is gevolg gegeven.
Inhoudelijk vertoont het verdrag, dat geheel verenigbaar is met het Nederlandse
recht, veel overeenkomst met het Raad van Europa-verdrag inzake de overbrenging
van gevonniste personen van 1983. De afwijkingen zijn de volgende. Het Raad
van Europa-verdrag bevat geen opsomming van weigeringsgronden. Staten kunnen
om alle hun moverende redenen een overbrenging weigeren. Marokko hechtte aan een aantal specifieke bepalingen waarin de belangrijkste weigeringsgronden
zijn opgenomen. Het ontwerpverdrag bevat derhalve in artikel 4 een limitatief
aantal verplichte weigeringsgronden, waarvan er drie betrekking hebben op
het beginsel «ne bis in idem» en één er verwijst
naar redenen van nationale veiligheid, soevereiniteit en «ordre public».
Laatstbedoelde grond is niet ongebruikelijk in verdragen inzake internationale
strafrechtelijke samenwerking. Artikel 5 bevat een niet limitatieve opsomming
van facultatieve weigeringsgronden. De eerste betreft de situatie dat betrokkene
de nationaliteit heeft van de staat van veroordeling, de tweede militaire
delicten en de derde betreft de geldboeten. Zoals bekend, dienen deze in het
algemeen te zijn voldaan voordat een overbrenging in overweging wordt genomen.
Volgens de Nederlandse ambassade te Rabat levert de betaling van de opgelegde
boetes in de praktijk meestal geen onoverkomelijke problemen op. Het was de
Nederlandse wens de opsomming geen limitatief karakter te geven. Daarmee behoudt
Nederland, evenals bij de toepassing van het Raad van Europa-verdrag, de mogelijkheid
om ook in de relatie met Marokko conform het staande beleid, een overbrenging
te weigeren, bij voorbeeld – behoudens bijzondere omstandigheden –
in het geval betrokkene weliswaar Nederlander is, maar geen banden (meer)
heeft met Nederland. De motiveringsplicht voor elke weigering als bedoeld
in artikel 19, derde lid, vormt het logische sequeel van de hiervoor genoemde
bepalingen.
Anders dan het Raad van Europa-verdrag bevat het onderhavige verdrag uitsluitend
de procedure van voortgezette tenuitvoerlegging (artikel 7). Het had onze
voorkeur dat de in Nederland gangbare omzettingsprocedure zou kunnen worden
gevolgd. Ondanks lange en uitvoerige discussies zowel in Rabat als in Den
Haag én toezending van enkele voorbeelden van Nederlandse exequatur
beslissingen, bleek het niet haalbaar die procedure in het verdrag op te nemen.
Het Marokkaanse recht voorziet ook niet in die procedure. Overwegingen om
uiteindelijk akkoord te gaan met de procedure van voortgezette tenuitvoerlegging
waren naast onze wens en die van Uw Kamer om snel een verdrag te sluiten:
het feit dat in de bilaterale verdragen tussen Marokko en andere (EU-)landen
eveneens uitsluitend genoemde procedure is opgenomen en, ten slotte, dat Nederland
steeds meer wordt geconfronteerd met bezwaren van EU-landen tegen de toepassing
van de exequatur-procedure, hetgeen alsdan leidt tot toepassing van de procedure
van voortgezette tenuitvoerlegging. Tijdens de onderhandelingen is wel afgesproken
dat met name dit onderdeel van het verdrag zorgvuldig zal worden geëvalueerd,
zodat Nederland na enige tijd desgewenst het alsnog opnemen van de exequatur-procedure
aan de orde kan stellen.
Ten slotte bevat het onderhavige verdrag nog twee bepalingen (artikelen
11 en 13) die niet in het Raad van Europa-verdrag voorkomen, welke de bevoegdheden
van de staat van tenuitvoerlegging na een overbrenging verhelderen.
Gelet op de wens om het verdrag zo snel mogelijk te kunnen toepassen is
naar een juridische vorm daarvoor gezocht. Ik heb tijdens het overleg met
de Vaste Commissie voor Justitie op 19 januari 1999 gezegd daarbij te denken
aan een verdrag met een looptijd van een jaar dat meteen na ondertekening
én zonder parlementaire goedkeuring in werking zou kunnen treden. Binnen
het eerste jaar zou het verdrag vervolgens ter goedkeuring worden voorgelegd
met het oog op de verlenging ervan. Die figuur kent het Marokkaanse recht
niet. Het doel wordt nu via de weg van de voorlopige toepassing bereikt. Dat
wil zeggen, dat het verdrag één maand na ondertekening
kan worden toegepast en de formele inwerkingtreding pas plaatsvindt na de
parlementaire goedkeuring. Logische consequentie is dat het verdrag een looptijd
voor onbepaalde tijd krijgt.
De Minister van Justitie,
A. H. Korthals