25 189
Wijziging van een aantal wetten in verband met de herziening van het afstammingsrecht alsmede van de regeling van adoptie

nr. 6
NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 18 maart 1997

Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

A

Hoofdstuk III vervalt.

B

Hoofdstuk VI wordt als volgt gewijzigd:

1. Artikel 4 komt te luiden:

Artikel 4

In artikel 108, eerste lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek vervalt de zinsnede «wettige of onwettige».

2. In artikel 5 wordt de zinsnede «artikel 1639l, derde lid, van Boek 7A» vervangen door: artikel 674, derde lid, van Boek 7.

C

Hoofdstuk VIII wordt als volgt gewijzigd:

1. Artikel 10 komt te luiden:

Artikel 10

Indien het bij koninklijke boodschap van 4 juni 1996 ingediende voorstel van wet houdende verzekering tegen geldelijke gevolgen van langdurige arbeidsongeschiktheid en een uitkeringsregeling in verband met bevalling voor zelfstandigen, beroepsbeoefenaren en meewerkende echtgenoten (Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, kamerstukken II, 24 758) tot wet is verheven wordt in artikel 61, eerste lid, onder b, van die wet de zinsnede «wettige of natuurlijke kinderen» vervangen door: kinderen tot wie de overledene in familierechtelijke betrekking stond.

2. Artikel 11 komt te luiden:

Artikel 11

Indien het bij koninklijke boodschap van 4 juni 1996 ingediende voorstel van wet houdende voorziening tegen geldelijke gevolgen van langdurige arbeidsongeschiktheid voor jonggehandicapten (Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, kamerstukken II, 24 760) tot wet is verheven wordt in artikel 53, eerste lid, onder b, van die wet de zinsnede «wettige of natuurlijke kinderen» vervangen door: kinderen tot wie de overledene in familierechtelijke betrekking stond.

D

Hoofdstuk IX wordt als volgt gewijzigd:

In artikel 3, onderdeel D, onder b, worden de woorden «de zeeman» vervangen door: de overledene.

E

Hoofdstuk X wordt als volgt gewijzigd:

1. De aanhef van artikel 2 komt als volgt te luiden:

Indien het bij koninklijke boodschap van 10 mei 1994 ingediende voorstel van wet tot wijziging van, onder meer, Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek in verband met de invoering van gezamenlijk gezag voor een ouder en zijn partner en van gezamenlijke voogdij, tot wet wordt verheven en op hetzelfde tijdstip of eerder in werking treedt dan het onderhavige voorstel van wet, komt artikel 1 van hoofdstuk X als volgt te luiden:

2. Na artikel 2 wordt een nieuw artikel 3 toegevoegd, dat luidt:

Artikel 3

Indien het bij koninklijke boodschap van 10 mei 1994 ingediende voorstel van wet tot wijziging van, onder meer, Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek in verband met de invoering van gezamenlijk gezag voor een ouder en zijn partner en van gezamenlijke voogdij, tot wet wordt verheven en later in werking treedt dan het onderhavige voorstel van wet, komt artikel IVA van de eerstgenoemde wet te luiden:

ARTIKEL IVA

In artikel 19, eerste lid, van de Successiewet 1956 wordt in onderdeel b de punt vervangen door een puntkomma en worden twee onderdelen toegevoegd, die luiden:

c. kinderen over wie overeenkomstig artikel 253t van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek een ander dan de ouder gezamenlijk met de ouder het ouderlijk gezag uitoefent of heeft uitgeoefend met kinderen die in familierechtelijke betrekking tot die ander staan;

d. kinderen over wie overeenkomstig artikel 282 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek de voogdij door twee personen gezamenlijk wordt uitgeoefend of is uitgeoefend met kinderen die tot die personen in familierechtelijke betrekking staan.

Toelichting

De wijzigingen zijn van technische aard.

Hoofdstuk III (Onderdeel A) vervalt, omdat de Wet op de kanselarijrechten een rijkswet is, die niet zoals thans voorgesteld bij gewone wet gewijzigd behoort te worden. Er zal een afzonderlijk wetsvoorstel tot wijziging van rijkswetten in verband met aanpassingen van het familierecht worden ingediend.

In hoofdstuk VI wordt artikel 4 (wijziging van artikel 108, Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek) aangepast, omdat de voorgestelde aanpassing ten onrechte de kring van kinderen die recht hebben op schadevergoeding wegens het derven van levensonderhoud beperkte (zie hierover parlementaire geschiedenis van het nieuwe burgerlijk wetboek, Boek 6, algemeen gedeelte van het verbintenissenrecht, ad artikel 108 (6.1.9.12). Artikel 5 van hoofdstuk VI wordt aangepast, omdat inmiddels titel 10 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (arbeidsrecht) in werking is getreden. In hoofdstuk VIII is in de artikelen 10 en 11 alleen de aanhef aangepast. De aanpassing in hoofdstuk IX is eveneens van louter technische aard. Hoofdstuk X is aangepast om de afstemming tussen de wijziging van artikel 19 van de Successiewet in het onderhavige wetsvoorstel en in het wetsvoorstel tot wijziging van, onder meer, Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek in verband met de invoering van gezamenlijk gezag voor een ouder en zijn partner en van gezamenlijke voogdij (Kamerstukken II 1996/97, 23 714, nr. 9) een betere vorm te geven.

De Staatssecretaris van Justitie,

E. M. A. Schmitz

Naar boven