Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum brief |
|---|---|---|---|---|
| Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1996-1997 | 25073 nr. 1;58 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum brief |
|---|---|---|---|---|
| Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1996-1997 | 25073 nr. 1;58 |
's-Gravenhage, 25 oktober 1996
Ter griffie van de Eerste en van de Tweede Kamer der Staten-Generaal ontvangen op 29 oktober 1996.
De wens dat het verdrag aan de uitdrukkelijke goedkeuring van de Staten-Generaal wordt onderworpen kan door of namens één van de Kamers of door ten minste vijftien leden van de Eerste Kamer dan wel dertig leden van de Tweede Kamer te kennen worden gegeven uiterlijk op 28 november 1996.
Overeenkomstig het bepaalde in artikel 2, eerste lid, en artikel 5, eerste lid, van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen, de Raad van State gehoord, heb ik de eer U hierbij ter stilzwijgende goedkeuring over te leggen de op 17 februari 1995 te Genève tot stand gekomen Internationale Natuurrubberovereenkomst, 1995, met bijlagen (Trb. 1996, 31). 1
Een toelichtende nota bij dit verdrag treft U eveneens hierbij aan.
De goedkeuring wordt alleen voor Nederland gevraagd.
Met het oog op het einde van de Iooptijd van de op 20 maart 1987 te Genève tot stand gekomen Internationale Natuurrubberovereenkomst, 1987 (Trb. 1988, 52) besloot de Internationale Natuurrubberraad (hierna aangeduid als de Raad) tijdens de 44e zitting in november 1993, op grond van artikel 66, tweede lid, van het verdrag, onderhandelingen te beginnen over een nieuw verdrag inzake natuurrubber. Conform het verzoek van de Raad hebben de Verenigde Naties (VN), onder auspiciën van de VN-conferentie inzake handel en ontwikkeling (UNCTAD), te Genève een conferentie inzake natuurrubber georganiseerd. In 1994 hebben twee zittingen van de conferentie plaatsgevonden. Eerst tijdens de derde zitting van 6 tot en met 17 februari 1995 kon overeenstemming worden bereikt over de tekst van de Internationale Natuurrubberovereenkomst, 1995. Het nieuwe verdrag volgt de lnternationale Natuurrubberovereenkomst, 1987 op, waarvan de looptijd op 28 december 1995 is geëindigd.
Het nieuwe verdrag komt in grote lijnen overeen met het verdrag uit 1987.
Hieronder zal in hoofdstuk II de positie van de Europese Gemeenschap en de lid-staten worden geschetst, waarna in hoofdstuk III op het verloop van de onderhandelingen wordt ingegaan en in hoofdstuk IV een toelichting op de voornaamste bepalingen van het verdrag wordt gegeven. Hoofdstuk V betreft de slotbeschouwing, waarin de redenen voor het partij worden bij het verdrag voor het Koninkrijk zijn aangegeven.
Il. De Europese Gemeenschap en de lid-staten
Op grond van de politieke afspraak, vervat in de regeling tussen de Raad van de Europese Gemeenschappen en de Europese Commissie voor deelneming aan internationale grondstoffenbesprekingen (ingevolge het politieke initiatief van de Commissie), document 5887/81 van 27 maart 1981, hierna aangeduid als PROBA 20, is door de Europese Gemeenschap en de lid-staten in een gemeenschappelijke delegatie en op basis van overeengekomen richtlijnen aan de VN-conferentie inzake natuurrubber deelgenomen.
Over de richtlijnen is in het kader van de Raad van de Europese Unie op 17 maart 1994 met enige moeite overeenstemming bereikt. Door het Verenigd Koninkrijk, Duitsland en Nederland is bij die gelegenheid een vraagteken gezet bij het voortzetten van overheidsinspanningen ten behoeve van prijsstabilisatie voor natuurrubber. Door de meerderheid van de lid-staten werd dit echter gewenst geacht, op grond waarvan tot deelname van de Europese Gemeenschap en de lid-staten aan de onderhandelingen over de totstandkoming van een nieuw verdrag is besloten.
Het voornaamste uitgangspunt van de EG-richtlijnen was dat een nieuw verdrag, wat betreft doelstellingen en instrumentarium, in grote lijnen gelijk diende te zijn aan de lnternationale Natuurrubberovereenkomst, 1987. Aan te brengen wijzigingen dienden uitsluitend om de doeltreffendheid van het verdrag te verbeteren. Op aandringen van Nederland is in de richtlijnen opgenomen dat het nieuwe verdrag een kortere looptijd diende te hebben (drie jaar, eventueel vier jaar) dan het verdrag van 1987.
Door de natuurrubber-exporterende landen werd tijdens de eerste zitting van de onderhandelingsconferentie een gezamenlijk standpunt met betrekking tot de inhoud van een nieuw verdrag gepresenteerd. Hierbij werd van een ander concept uitgegaan dan dat van het verdrag van 1987, te weten een verdrag met meer marktsturende werking. Het verdrag van 1987 beoogt slechts de scherpe fluctuaties van de marktprijzen te bestrijden en daarbij zoveel mogelijk ruimte te laten voor een corrigerend marktmechanisme van vraag en aanbod. Door de exporterende landen werd voorgesteld de referentieprijs te verhogen en de marktprijzen dichter rond deze prijs te stabiliseren. De prijsvork aan de hand waarvan de buffervoorraadoperaties plaatsvinden zou hiertoe moeten worden gewijzigd (versmald). Verder werd voorgesteld de periodes tussen de tijdstippen, waarop een automatische aanpassing van de referentieprijs aan de middellange termijnontwikkeling van de marktprijzen mogelijk is, groter te maken.
Door de Europese Gemeenschap en de lid-staten werden de in de bovengenoemde richtIijnen neergelegde standpunten uitgedragen. De andere natuurrubber-importerende landen namen eveneens het standpunt in dat het natuurrubberverdrag van 1987 het uitgangspunt diende te zijn bij de totstandkoming van een nieuw verdrag.
De standpunten van de exporterende en importerende landen zijn tijdens de eerste zitting van de conferentie haaks op elkaar blijven staan. Na een tweede zitting van de conferentie, waarbij vooral de discussie over het niveau van de referentieprijs centraal stond, werd het de exporterende landen duidelijk dat hun voorstel niet haalbaar was. Daarom zijn deze landen uiteindelijk tijdens de derde zitting, in ruil voor kleine concessies van de importerende landen ten aanzien van het niveau van de referentieprijs en de onderste richtprijs, akkoord gegaan met een nieuw verdrag dat in principe gelijk is aan het verdrag van 1987. Wat betreft de referentieprijs is overeengekomen dat deze gelijk zal zijn aan de geldende referentieprijs aan het einde van de looptijd van het verdrag van 1987 (na de laatste aanpassing in augustus 1995 vastgesteld op 206.68 Maleisische/Singapore cents per kilo). Als concessie is door de importerende landen aanvaard dat, indien bij de toetsing aan de markttrend tijdens de eerste zitting van de Internationale Natuurrubberraad onder het onderhavige verdrag een automatische neerwaartse aanpassing van de referentieprijs dient plaats te vinden, hiervoor een percentage van 4 zal worden aangehouden. Hiermede wordt bereikt dat de referentieprijs bij de inwerkingtreding van het onderhavige verdrag in de buurt blijft van 200 Maleisische/Singapore cents per kilo. Door de exporterende landen werd dit niveau van de referentieprijs voor een nieuw verdrag om interne politieke redenen van belang geacht. Met betrekking tot de onderste richtprijs is overeengekomen deze te verhogen van 150 tot 157 Maleisische/Singapore cents per kilo.
Op sterk aandringen van Nederland is in het verdrag een bepaling opgenomen waarin het streven van de leden om aan de milieuaspecten van de productie en het verbruik van natuurrubber naar behoren aandacht te besteden, is verwoord.
IV. De Internationale Natuurrubberovereenkomst, 1995
Zoals hierboven reeds is aangegeven is de inhoud van het onderhavige verdrag in grote lijnen gelijk aan het verdrag van 1987. Nieuwe elementen in het verdrag zijn de regeling inzake de positie van de plaatsvervangend uitvoerend directeur, de regeling waarbij wordt toegestaan dat de zone van de prijsvork, waarin de buffervoorraadbeheerder naar eigen inzicht mag opereren, wordt verkleind als gevolg van aanpassingen van de referentieprijs en de inspanningsverplichting om aandacht te schenken aan milieuaspecten.
1. Doelstellingen en definities (artikelen 1 en 2)
De voornaamste doelstellingen zijn de stabilisatie van wereldmarktprijzen van natuurrubber rond de markttrend als bijdrage aan een evenwichtige ontwikkeling van vraag en aanbod op langere termijn, het bevorderen van de handel in natuurrubber en het verbeteren van de concurrentiepositie van natuurrubber met behulp van onderzoek en ontwikkeling. De doelstellingen zijn gelijk aan die van het huidige verdrag, zij het dat zij nu mede geplaatst zijn in het kader van de uitkomst van UNCTAD VIII te Cartagena («The Spirit of Cartagena») in 1992.
Ook de definities van verschillende in het verdrag gebruikte begrippen zijn gelijk aan die van het verdrag van 1987. Er zijn twee nieuwe definities toegevoegd, te weten van de prijsnotering die voor de vaststelling van de marktrichtprijs dient te worden gehanteerd en van de gevestigde commerciële markten.
2. Organisatiestructuur (artikelen 3 tot en met 20)
De met de op 6 oktober 1979 te Genève tot stand gekomen Internationale Natuurrubberovereenkomst, 1979 (Trb. 1980, 150), opgerichte en te Kuala Lumpur gevestigde Internationale Natuurrubber Organisatie (verder aangeduid met de Organisatie) zal worden gehandhaafd (artikel 3).
De leden van de Organisatie zijn ingedeeld in twee groepen, te weten de groep van exporterende landen en de groep van importerende landen. Met goedvinden van de Raad kan van status gewisseld worden. De Europese Gemeenschap is de status van deelnemende partij verleend, die bij besluiten binnen haar bevoegdheid, de stemmen van de lid-staten kan uitbrengen (artikelen 4 en 5).
De Raad vormt de hoogste autoriteit en bestaat uit vertegenwoordigers van elk lid. De Raad heeft tot taak de bepalingen van het verdrag uit te voeren. Hierbij is echter uitdrukkelijk bepaald dat de Raad geen leningen mag aangaan en zich niet op het terrein van handelscontracten (voor koop of verkoop op termijn) mag begeven (artikel 7, eerste lid). De Raad kan op grond van artikel 8 een deel van de toegekende bevoegdheden delegeren aan de door hem ingestelde commissies. Met daarvoor in aanmerking komende internationale organisaties, zowel gouvernementele als niet gouvernementele, kan worden samengewerkt (artikel 9). Voor het overleg in het kader van de Organisatie kunnen waarnemers worden uitgenodigd (artikel 10).
De Raad heeft een jaarlijks te kiezen voorzitter, alternerend uit de groep van exporterende en de groep van importerende landen (artikel 11). De drie hoogste functionarissen van de Organisatie, de uitvoerend directeur, zijn plaatsvervanger en de buffervoorraadbeheerder worden door de Raad benoemd (artikel 12). De Raad komt ieder half jaar te Kuala Lumpur bijeen. Door de voorzitter van de Raad, de uitvoerend directeur van de Organisatie, een lid in het bezit van tenminste 200 stemmen of een meerderheid van importerende of van exporterende landen kan echter een speciale zitting worden aangevraagd. Beide groepen van landen is 1000 stemmen toegekend. Voor de groep van importerende landen worden de stemmen verdeeld op basis van hun aandeel in het totaal van de importen. Voor bijeenkomsten van de Raad is een quorum benodigd van een meerderheid van exporterende en importerende landen, die elk twee derde van de stemmen bezitten. Besluiten worden, tenzij anders bepaald, met eenvoudige meerderheid van stemmen genomen (artikelen 14 tot en met 17). In artikel 2, onderdeel 8, is aangegeven hoe de besluitvorming bij gekwalificeerde meerderheid geschiedt indien een bijzondere stemming is voorgeschreven.
De vier bij het verdrag van 1979 ingestelde commissies van de Raad, te weten de commissies voor administratieve zaken, buffervoorraadkwesties, statistiek en zogenaamde andere maatregelen, worden gehandhaafd. De Raad kan met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, andere commissies instellen. Ook bestaat de mogelijkheid een groep van deskundigen in te stellen voor advies inzake buffervoorraadoperaties (artikelen 18 en 19).
3. Financiële bepalingen (artikelen 21 tot en met 25, en artikelen 27, 28, 37 en 38)
Ten behoeve van het functioneren van het verdrag zijn twee rekeningen voorzien, te weten de buffervoorraadrekening en de administratieve rekening. De door de leden te betalen bijdragen dienen op grond van artikel 22 in vrij inwisselbare valuta te worden voldaan. De bijdragen voor beide rekeningen worden in principe aan de hand van het aan de leden toegekende aantal stemmen vastgesteld (artikel 24, tweede lid, en artikel 27, tweede lid). Voor de bijdragen aan de buffervoorraadrekening is een speciale berekening voorzien voor importerende landen met een importaandeel kleiner dan 0,1% (artikel 27, derde lid).
De begroting voor het administratieve beheer wordt jaarlijks tijdens de najaarszitting door de Raad vastgesteld (artikel 24).
Wat betreft de buffervoorraadrekening hebben de leden de verplichting op zich genomen bijdragen te leveren voor de financiering van de aankoop van een buffervoorraad van maximaal 550 000 ton natuurrubber (artikel 27). Er dient een initiële bijdrage van 70 miljoen Maleisische ringgit (circa f 52,5 miljoen) te worden voldaan (artikel 28, eerste lid). De uitvoerend directeur kan, na overleg met de buffervoorraadbeheerder, op ieder moment de leden oproepen een financiële bijdrage te leveren, indien de verwachting bestaat dat in de eerstkomende vier maanden tot aankopen moet worden overgegaan. De contributies dienen binnen 60 dagen te zijn voldaan (artikel 28, derde lid). Voor te laat ontvangen contributies zal een renteboete worden berekend. Indien de contributie 120 dagen na de oproep nog niet is ontvangen wordt het stemrecht van het betrokken lid geschorst (artikel 37). De contributies worden aan de jaarlijks vast te stellen stemverdeling aangepast (artikel 38).
4. De buffervoorraad (artikelen 26, 28 tot en met 36, 39 en 40)
Net als in het verdrag van 1987 vormt de buffervoorraad het enige directe instrument voor het bereiken van prijsstabilisatie. De buffervoorraad bestaat wederom uit een normale voorraad van 400 000 ton en een bijzondere voorraad van 150 000 ton (artikel 26). Het onderscheid dient vooral om bij het bereiken van de omvang van 400 000 ton nog eens stil te staan bij de marktontwikkeling en de door de Organisatie uit te voeren buffervoorraadoperaties. De Raad dient daarbij uitdrukkelijk met gekwalificeerde meerderheid van stemmen over de voortzetting en de modaliteiten van de operaties te besluiten (artikel 28, vijfde lid, en artikel 30, tweede en derde lid).
De buffervoorraadoperaties worden uitgevoerd op basis van de prijsvork (zie bijlage I) en de marktindicatieprijs. De prijsvork bestaat uit de referentieprijs met daaromheen op een afstand van 15% van deze prijs de onderste en de bovenste facultatieve interventieprijs en op een afstand van 20% de onderste en de bovenste verplichte interventieprijs. Hieromheen liggen als uiterste grenzen de onderste en de bovenste richtprijs, respectievelijk vastgesteld op 157 en 270 Maleisische/Singapore cents per kilo (artikel 29). De richtprijzen vormen een begrenzing voor de automatische aanpassingen van de referentieprijs door de bepalingen dat de aanpassing van de referentieprijs er niet toe mag leiden dat de verplichte interventieprijzen lager of hoger komen te liggen dan de onderste of de bovenste richtprijs. Wel kan hierbij de afstand tussen de verplichte en de facultatieve interventieprijzen casu quo de referentieprijs worden verkleind (artikel 31, vierde en vijfde lid). Buffervoorraadoperaties kunnen worden uitgevoerd wanneer de marktrichtprijs buiten de grenzen van de facultatieve interventieprijzen ligt (artikel 30).
Dagelijks zal door de Organisatie een marktrichtprijs worden vastgesteld. Deze prijs vormt het gemiddelde van de voor de lopende maand geldende en geregistreerde prijzen voor de rubber kwaliteitsoorten RSS1, RSS3 en TSR20 op de markten van New York, Londen, Kuala Lumpur en Singapore. Voor het uitvoeren van buffervoorraadoperaties is het (voortschrijdend) gemiddelde van de dagelijkse marktrichtprijs over de laatste vijfdagen bepalend (artikel 32).
Wanneer het vijfdaags voortschrijdend gemiddelde van de dagelijkse marktrichtprijs zich bevindt in de zone tussen de onderste facultatieve interventieprijs en de onderste verplichte interventieprijs of in de zone tussen de bovenste facultatieve interventieprijs en de bovenste verplichte interventieprijs is de buffervoorraadbeheerder gerechtigd naar eigen inzicht tot aankopen of verkopen van de buffervoorraad over te gaan. Indien het vijfdaags voortschrijdend gemiddelde van de dagelijkse marktrichtprijs onder of boven de onderste of de bovenste verplichte interventieprijs ligt is de beheerder verplicht tot buffervoorraadaankopen of verkopen over te gaan (artikel 30).
Om de 12 maanden (verdrag van 1987: 15 maanden) wordt de referentieprijs met de twee daarom heen liggende prijsgrenzen aan het gemiddelde van de marktrichtprijzen in de daaraan voorafgaande zes maanden (markttrend) getoetst. Indien het gemiddelde van de marktrichtprijzen over de voorgaande zes maanden buiten de zone tussen de interventieprijzen van de prijsvork ligt wordt de referentieprijs automatisch met 5% naar boven of beneden aangepast (artikel 31, eerste lid, onderdelen b en c). De Raad kan met gekwalificeerde meerderheid van stemmen tot een hoger percentage besluiten. Voor een eventuele neerwaartse aanpassing bij de eerste toetsing onder het onderhavige verdrag is een uitzondering voorzien, in de zin dat bij die gelegenheid een aanpassing met slechts 4% zal plaatsvinden (artikel 31, eerste lid, onderdeel d).
Naast de periodieke mogelijkheden voor aanpassing van de referentieprijs zijn ook mogelijkheden voorzien voor aanpassingen op grond van wijzigingen in het volume van de buffervoorraad. Bij volumewijzigingen van 100 000 ton kan de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen tot speciale maatregelen besluiten, zoals opschorting van de operaties, wijzigingen ten aanzien van het tempo van de operaties en aanpassing van de referentieprijs (artikel 31, tweede lid). Na aankoop of verkoop van 300 000 ton volgt automatisch een aanpassing van de referentieprijs met 3%. Ook hierbij kan de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen tot een hoger percentage besluiten (artikel 31, derde lid).
Over aanpassing van de richtprijzen kan de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluiten halverwege de looptijd van het verdrag, op verzoek van een of meer leden met tenminste 200 stemmen of naar aanleiding van een aanpassing van de referentieprijs na een aanpassing van de richtprijzen van de prijsvork of de inwerkingtreding van de Internationale Natuurrubberovereenkomst, 1987, indien het gemiddelde van de marktrichtprijzen in de voorgaande periode van 60 dagen lager of hoger is dan de facultatieve interventieprijzen (artikel 31, zesde tot en met negende lid).
De Raad zal tijdens zijn eerste zitting moeten vaststellen welke kwaliteitssoorten van natuurrubber voor de buffervoorraad kunnen worden aangekocht. Voor de aan te kopen natuurrubber zijn minimum kwaliteitssoorten vastgesteld (RSS3 en TSR 20). De buffervoorraden zullen zowel in de exporterende als in de importerende landen in door de Raad goedgekeurde opslagplaatsen worden aangehouden. Teneinde de kwaliteit van de buffervoorraad op peil te houden is de buffervoorraadbeheerder gemachtigd in kwaliteit achteruit gegane partijen natuurrubber te vervangen (artikelen 33, 34 en 35). Bij beëindiging van het verdrag zal de buffervoorraadrekening worden geliquideerd. In artikel 40 is voorzien in een precieze berekening van de financiële consequenties voor elk van de leden.
5. Relatie tot het Gemeenschappelijk Fonds voor Grondstoffen (artikel 41)
De Organisatie zal de bij de op 27 juni 1980 te Genève tot stand gekomen Overeenkomst tot instelling van het Gemeenschappelijk Fonds voor Grondstoffen (Trb. 1981, 49) ingestelde faciliteiten van het Fonds volledig benutten. In artikel 41, tweede lid, is nog eens nadrukkelijk bepaald dat de Organisatie en de leden, uit hoofde van hun lidmaatschap van de Organisatie, niet aansprakelijk zijn voor eventuele geldelijke verplichtingen die uit financiering van onder auspiciën van de Organisatie uitgevoerde projecten kunnen voortvloeien.
6. Andere activiteiten, inspanningsverplichtingen, milieuaspecten en regelingen (artikelen 42 tot en met 56)
Naast prijsstabilisatie vormen projectactiviteiten voor research en ontwikkeling ten behoeve van de verbetering van de productie, de verwerking van natuurrubber, het vinden van nieuwe toepassingen van natuurrubber en marktbevordering een belangrijke activiteit van de Organisatie. Voor de financiering van dergelijke activiteiten wordt in de eerste plaats gedacht aan bijdragen van het Gemeenschappelijk Fonds voor Grondstoffen en andere financiële instellingen. Daarnaast is de mogelijkheid van vrijwillige bijdragen van de leden uitdrukkelijk opengelaten (artikel 43).
Andere reguliere activiteiten betreffen de statistiekvoorziening, het opstellen van marktoverzichten, het uitvoeren van relevante studies en het uitgeven van een jaaroverzicht van het functioneren van het verdrag. Voorts is voorzien in inspanningsverplichtingen voor de Raad en de leden ten aanzien van het opheffen van handelsbelemmeringen voor natuurrubber, het vergemakkelijken van transportmogelijkheden en de zorg voor goede arbeidsvoorwaarden in de rubbersector (artikelen 49, 50 en 53). Nieuw ten opzichte van het verdrag van 1987 is artikel 54 waarin het streven van de leden is opgenomen om naar behoren aandacht te besteden aan milieuaspecten van de natuurrubbersector.
7. Slotbepalingen (artikelen 57 tot en met 67)
Het verdrag stond in de periode van 3 april – 28 december 1995 bij de VN, als depositaris, open voor ondertekening (artikel 57). In die periode is het verdrag echter door onvoldoende landen ondertekend om aan de vereisten voor inwerkingtreding van het verdrag te voldoen. Met het oog hierop is op verzoek van de Raad – die ingevolge artikel 66, zesde lid, van het verdrag van 1987 nog in functie is – op 28 maart 1996 de VN-conferentie inzake natuurrubber weer bijeengeroepen. Tijdens de conferentie is besloten het verdrag nogmaals voor ondertekening open te stellen, waarbij 31 juli 1996 als nieuwe sluitingsdatum werd vastgesteld (resolutie TD/rubber 3/16). Hierna zijn de Verenigde Staten tot ondertekening overgegaan, waardoor het verdrag in ieder geval na goedkeuring, aanvaarding, bekrachtiging of het afgeven van een verklaring van voorlopige toepassing door de ondertekenaars voorlopig in werking kan treden.
Het verdrag is wat betreft de natuurrubber-importerende landen ondertekend door China, Japan, de Europese Gemeenschap en de lid-staten en de Verenigde Staten. Aan de kant van de natuurrubber-producerende landen is het verdrag ondertekend door Maleisië, Indonesië, Nigeria, Sri Lanka en Thailand.
De landen die tot ondertekening zijn overgegaan wordt tot 1 januari 1997 de gelegenheid geboden het verdrag goed te keuren (artikel 59). Het verdrag voorziet in de mogelijkheid dat partijen, in afwachting van de goedkeuring, een verklaring van voorlopige toepassing van het verdrag afgeven. Hierbij is echter uitdrukkelijk bepaald dat partijen die hiertoe overgaan zich verplichten aan de financiële consequenties van het verdrag te voldoen. Partijen kunnen op grond van een verklaring van voorlopige toepassing maximaal 12 maanden aan het verdrag deelnemen (artikelen 60).
In artikel 61 is bepaald dat het verdrag op 29 december 1995 in werking zou treden of op enige datum daarna, wanneer aan de daartoe gestelde vereisten is voldaan. Voor de definitieve inwerkingtreding van het verdrag is nodig dat exporterende landen, die te zamen tenminste 80% van de in bijlage A van het verdrag vermelde export vertegenwoordigen en importerende landen, die te zamen tenminste 80% van de in bijlage B van het verdrag vermelde import vertegenwoordigen, partij bij het verdrag zijn. Voor het voorlopig in werking treden van het verdrag is 75% aan import- en exportzijde benodigd, waarbij verklaringen van voorlopige toepassing als basis worden aanvaard. Het voorlopig in werking zijn van het verdrag kan niet langer duren dan 12 maanden. Indien in de laatste maand van de periode van 12 maanden van de voorlopig inwerkingtreding blijkt dat de definitieve inwerkingtreding niet gehaald zal worden, zal de Raad bijeenkomen om met gekwalificeerde meerderheid van stemmen over de toekomst van het verdrag te besluiten (continueren van voorlopige inwerkingtreding, definitieve inwerkingtreding of aangaan van heronderhandelingen). Wanneer de Raad geen beslissing kan nemen zal het verdrag als beëindigd worden beschouwd (artikel 61, vierde lid). Bijlage A en bijlage B die in artikel 61 worden genoemd, zijn alleen van belang voor de inwerkingtreding van het onderhavige verdrag.
Het verdrag kan met een met een gekwalificeerde meerderheid van stemmen genomen besluit van de Raad worden aangepast. De aanpassing wordt van kracht wanneer tweederde van het aantal exporterende leden en tweederde van het aantal importerende leden, die tenminste 85% van het aantal stemmen in de respectieve groepen van landen bezitten, hebben laten weten dat de aanpassing wordt aanvaard (artikel 63).
Aanpassingen van het verdrag ingevolge artikel 63 behoeven voor het Koninkrijk de goedkeuring van het parlement.
Het verdrag heeft een looptijd van vier jaar. Voor het einde van de looptijd kan de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluiten tot heronderhandelingen over te gaan of het verdrag voor bepaalde perioden met een totale tijdsduur van twee jaar te verlengen. De Raad kan ook op ieder moment met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluiten het verdrag te beëindigen. De Raad zal na beëindiging van het verdrag voor een periode van maximaal drie jaar in functie blijven (artikel 67).
Algemeen wordt erkend dat de Internationale Natuurrubberovereenkomst, 1979 en de Internationale Natuurrubberovereenkomst, 1987 naar behoren hebben gefunctioneerd. Op grond hiervan bestaat er bij de natuurrubber-exporterende landen en ook bij de importerende landen voldoende bereidheid om de internationale samenwerking ten behoeve van de bevordering van een evenwichtige marktontwikkeling voort te zetten. Door de exporterende landen is steeds getracht het verdrag meer prijssturend te maken, doch steeds hebben zij het uiteindelijk belang van het behoud van de samenwerking laten prevaleren, indien dit streven niet haalbaar bleek.
Door het merendeel van de importerende landen is consequent het standpunt ingenomen dat een verdrag gericht op prijsstabilisatie slechts mogelijk is wanneer het mechanisme hiervoor zo goed mogelijk op de werking van de markt aansluit. Gesteld mag worden dat het marktconforme karakter van de rubberverdragen er de oorzaak van is dat deze naar behoren hebben gefunctioneerd.
Het onderhavige verdrag kan als een voortzetting van de eerste twee verdragen worden beschouwd. Het marktconforme karakter is nog verder versterkt door de kortere periode tussen de tijdstippen waarop de referentieprijs aan de markttrend kan worden aangepast. Het resultaat van de onderhandelingen komt derhalve in grote mate overeen met het verdrag dat de Europese Gemeenschap en de lid-staten, blijkens de richtlijnen voor ogen stond. Het Koninkrijk heeft op 22 december 1995, tegelijk met de EG en de andere lid-staten het verdrag ondertekend. Voor de financiële gevolgen van het partij worden moge verwezen worden naar bijlage II.
Het verdrag zal, wat het Koninkrijk betreft, evenals de Internationale natuurrubberovereenkomsten van 1979 en 1987, alleen voor Nederland gelden.
De Staatssecretaris van Economische Zaken,
A. van Dok-van Weele
De Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken,
M. Patijn
De Minister voor Ontwikkelingssamenwerking,
J. P. Pronk
De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,
J. J. van Aartsen
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-25073-1-h1.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.