Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum brief |
|---|---|---|---|---|
| Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1996-1997 | 25043 nr. 1;22 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum brief |
|---|---|---|---|---|
| Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1996-1997 | 25043 nr. 1;22 |
Aan de Voorzitters van de Eerste en van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
's-Gravenhage, 4 oktober 1996
Ter griffie van de Eerste en van de Tweede Kamer der Staten-Generaal ontvangen op 7 oktober 1996. De wens dat het verdrag aan de uitdrukkelijke goedkeuring van de Staten-Generaal wordt onderworpen kan door of namens één van de Kamers of door ten minste vijftien leden van de Eerste Kamer dan wel dertig leden van de Tweede Kamer te kennen worden gegeven uiterlijk op 6 november 1996.Overeenkomstig het bepaalde in artikel 2, eerste lid, en artikel 5, eerste lid, van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen, de Raad van State gehoord, heb ik de eer U hierbij ter stilzwijgende goedkeuring over te leggen de op 12 juni 1995 te Luxemburg tot stand gekomen Europa-Overeenkomsten waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun Lid-Staten, enerzijds, en de Republiek Estland, de Republiek Letland en de Republiek Litouwen, anderzijds, met bijlagen en Protocollen (Trb. 1996, 8, 1995, 300 en 303).1
Een toelichtende nota bij deze verdragen treft U eveneens hierbij aan.
De goedkeuring wordt alleen voor Nederland gevraagd.
| Blz. | ||
| I. | ALGEMENE INLEIDING | 3 |
| II. | ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING | 5 |
| Preambule | 5 | |
| Artikel 1 | 6 | |
| TITEL I | ALGEMENE BEGINSELEN | 6 |
| Artikel 2 | 6 | |
| Artikel 3 | 6 | |
| TITEL II | POLITIEKE DIALOOG | 7 |
| TITEL III | VRIJ VERKEER VAN GOEDEREN | 7 |
| HOOFDSTUK III | VISSERIJ | 11 |
| HOOFDSTUK IV | GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN | 12 |
| TITEL IV | VERKEER VAN WERKNEMERS, VESTIGING, VERRICHTEN VAN DIENSTEN | 13 |
| HOOFDSTUK I | VERKEER VAN WERKNEMERS | 13 |
| Artikel 36 | 13 | |
| Artikel 37–39 | 13 | |
| Artikel 40 | 13 | |
| Artikel 41 | 14 | |
| Artikel 42 | 14 | |
| HOOFDSTUK II | VESTIGING | 14 |
| Artikel 45 | 15 | |
| Artikel 46 | 15 | |
| Artikel 48 | 16 | |
| Artikel 49 | 16 | |
| Artikel 50 | 16 | |
| HOOFDSTUK III | VERRICHTEN VAN DIENSTEN | 16 |
| Blz. | ||
| HOOFDSTUK IV | ALGEMENE BEPALINGEN | 17 |
| TITEL V | BETALINGS- EN KAPITAALVERKEER, CONCURRENTIE EN ANDERE ECONOMISCHE BEPALINGEN; HARMONISATIE VAN WETGEVING | 18 |
| HOOFDSTUK I | BETALINGS- EN KAPITAALVERKEER | 18 |
| Artikel 60 | 18 | |
| Artikel 61 | 18 | |
| Artikel 62 | 18 | |
| HOOFDSTUK II | MEDEDINGING EN ANDERE ECONOMISCHE BEPALINGEN | 18 |
| Artikel 63 | 18 | |
| HOOFDSTUK III | HARMONISATIE VAN WETGEVING | 19 |
| TITEL VI | ECONOMISCHE SAMENWERKING | 19 |
| TITEL VII | SAMENWERKING OP HET GEBIED VAN VOORKOMING VAN ILLEGALE ACTIVITEITEN | 20 |
| TITEL VIII | CULTURELE SAMENWERKING | 20 |
| TITEL IX | FINANCIÈLE SAMENWERKING | 20 |
| TITEL X | INSTITUTIONELE, ALGEMENE EN SLOTBEPALINGEN | 21 |
| Artikel 122 | 21 | |
| III | KONINKRIJKPOSITIE | 22 |
Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt omdat het uitsluitend opmerkingen van redactionele aard bevat (artikel 25a, vierde lid, onder b, van de Wet op de Raad van State).Op 12 juni 1995 sloten de Europese Gemeenschap (EG), de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS), Euratom en hun lid-staten verdragen waarbij een associatie tot stand wordt gebracht met respectievelijk Estland, Letland en Litouwen, de zogenaamde Europa-akkoorden (deze laatste term zal in deze toelichtende nota gebezigd worden). Het betreft verdragen met een gemengd karakter, die voor onbepaalde tijd zijn gesloten.
De Europa-akkoorden zijn voor het communautaire gedeelte gebaseerd op de artikelen 238 en artikel 228, tweede en derde lid, van het EG-verdrag. Het Europees Parlement heeft op 15 november 1995 met de onderhavige Europa-akkoorden ingestemd (EP A4-262/95 tot 265/95). De materie die door de akkoorden wordt bestreken, is evenwel breder dan de bevoegdheden van de Gemeenschap (onder meer politieke dialoog, werknemersverkeer met derde landen en cultuur), reden waarom ook de lid-staten partij dienen te worden en daartoe de constitutioneel vereiste procedure dienen te doorlopen.
Tot de inwerkingtreding van de Europa-akkoorden zullen de op 18 juli 1994 te Brussel tot stand gekomen Overeenkomsten betreffende vrijhandel en met handel verband houdende zaken tussen de Europese Gemeenschap, de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, enerzijds, en de Republiek Estland, de Republiek Letland en de Republiek Litouwen, anderzijds, van kracht blijven (PbEG 1994, L 373; PbEG 1994, L 374; PbEG1994, L 375). Deze vrijhandelsverdragen zijn geïncorporeerd in de onderhavige Europa-akkoorden.
De Europese Raad van Kopenhagen besloot dat, zodra aan de vereiste voorwaarden zou zijn voldaan, Europa-akkoorden met de drie Baltische staten gesloten zouden kunnen worden (zie: Kamerstukken II 1992/93, 21 501-20, nr. 29). Voorts nam de Algemene Raad van 7 februari 1994 een verklaring aan inzake het vooruitzicht op het zo spoedig mogelijk sluiten van Europa-akkoorden (Kamerstukken II 1994/95, 21 501-02, nr. 116). Hierin werd bevestigd dat het uiteindelijke doel van de Europa-akkoorden van de Baltische staten lidmaatschap van de Europese Unie (EU) was. Het onderhandelingsmandaat voor de Europa-akkoorden met Estland, Letland en Litouwen werd vervolgens op 28 november 1994 door de Algemene Raad te Brussel vastgesteld (zie: Kamerstukken II 1994/95, 21 501-02, nr. 136). De Europa-akkoorden komen in de plaats van de op 12 mei 1992 te Brussel getekende Overeenkomsten tussen de EEG en Estland, Letland en Litouwen inzake handel en commerciële en economische samenwerking van mei 1992 (PbEG 1992, L 403) en zijn een aanvulling op de hierboven genoemde vrijhandelsverdragen die op 1 januari 1995 in werking zijn getreden. De onderhandelingen kenden voor alle drie landen een voorspoedig verloop. Na twee onderhandelingsronden (in januari en februari 1995), werden de akkoorden op 12 april 1995 door de onderhandelaars geparafeerd. De ondertekening vond vervolgens en marge van de Algemene Raad van 12 juni 1995 te Luxemburg plaats.
Eerder zijn Europa-akkoorden gesloten met Polen, Hongarije, de Tsjechische Republiek, Slowakije, Roemenië en Bulgarije (Trb. 1992, 184 voor Polen; Trb. 1992, 185 voor Hongarije; Trb. 1994, 73 voor Tsjechië, Trb. 1994, 72 voor Slowakije; Trb. 1994, 16 voor Roemenië; en Trb. 1994, 17 voor Bulgarije). De inhoud van de onderhavige akkoorden is grotendeels gebaseerd op de reeds bestaande Europa-akkoorden. Voorts wordt in de akkoorden rekening gehouden met de ontwikkeling in bepaalde sectoren. Onderhavige Europa-akkoorden bevatten voorts een – voor de Europa-akkoorden – nieuwe titel over samenwerking bij het voorkomen van illegale activiteiten, alsook bepalingen over de deelneming van de drie Baltische staten aan kaderprogramma's, specifieke programma's en aan door de Gemeenschap op diverse terreinen opgezette projecten. De specifieke bepalingen van de akkoorden zijn bovendien aangepast aan de bijzondere situatie van de drie partnerlanden, met name wat betreft vrije vestiging en de daarop betrekking hebbende bijlagen.
Gezien de grote mate van gelijkenis tussen onderhavige akkoorden en de reeds eerder gesloten Europa-akkoorden, is er voor gekozen de drie akkoorden gezamenlijk ter stilzwijgende goedkeuring aan de Staten-Generaal voor te leggen. Hierbij veroorloven wij ons om aan die eerdere akkoorden te refereren indien de bepalingen in de verschillende akkoorden overeenkomen. Uiteraard zullen de specifieke bepalingen wel in onderhavige toelichtende nota worden uitgewerkt. Bij de artikelsgewijze behandeling is uitgegaan van de tekst van het akkoord met Estland.
Met de formule van de Europa-akkoorden worden van Unie-zijde de volgende doelstellingen nagestreefd:
– het scheppen van een klimaat van vertrouwen en stabiliteit om zo een bijdrage te leveren aan de politieke en economische hervormingen in deze landen;
– het versterken van de grondslag van de nieuwe Europese architectuur: de Midden- en Oosteuropese landen kunnen door middel van de associatieband deel krijgen aan het brede Europese integratieproces en brengt deze landen in de hoofdbedding van de Europese politiek;
– het scheppen van een geïnstitutionaliseerde politieke dialoog;
– het bevorderen van een goed handels- en investeringsklimaat op basis van een open markteconomie door de instelling van een vrijhandelszone en de verdere vrijmaking van het diensten- en kapitaalverkeer;
– het verlenen van assistentie bij de overgang naar een markteconomie;
– het scheppen van een raamwerk voor financiële samenwerking;
– het bevorderen van uitwisseling van informatie en culturele samenwerking.
Zoals bekend is een van de belangrijkste elementen in een Europa-akkoord het perspectief op toetreding dat het geassocieerde land geboden wordt. Het gaat hierbij uiteraard om een meerjarig proces. Sinds de sluiting van de eerste Europa-akkoorden in 1991 heeft de Europese Unie een uitgebreid kader ontwikkeld ter ondersteuning van de geassocieerde Midden- en Oosteuropese landen in hun streven naar verdere integratie in de EU.
Naast de bilaterale overlegstructuren in het kader van de Europa-akkoorden (Associatieraden, Associatiecomité's, Parlementaire Associatiecomité's), vindt ook in multilateraal verband veelvuldig overleg plaats tussen de EU en de geassocieerde landen. De Europese Raad van Essen van december 1994 (zie: Kamerstukken II 1993/94, 21 501-20, nr. 36) heeft hiertoe een strategie vastgesteld waarin onder meer de modaliteiten voor een gestructureerde dialoog op het terrein van zowel de eerste als de derde pijler zijn opgenomen. De Algemene Raad van 7 maart 1994 besloot op basis van het zogenaamde Hurd/Andreatta-initiatief reeds tot een multilaterale politieke dialoog op verschillende niveau's (onder meer Ministers, politieke directeuren) (zie: Kamerstukken II 1993/1994, 21 501-02, nr. 123).
Tevens voorziet de zogenaamde Essen-strategie in verdergaande samenwerking tussen de EU en de landen waarmee een Europa-akkoord was gesloten op verschillende andere terreinen (onder andere op het gebied van transport, milieu en onderwijs).
De Europese Raad van Cannes van juni 1995 (zie: Kamerstukken II 1993/94 21 501-02, nr. 123) hechtte vervolgens zijn goedkeuring aan het door de Commissie opgestelde Witboek inzake de harmonisatie van wetgeving op het gebied van de Interne Markt. De geassocieerde landen zullen op basis van nationale programma's uitvoering geven aan dit Witboek en zodoende stapsgewijs de Europese wet- en regelgeving op het gebied van de Interne Markt (onderdeel van het gehele «acquis communautaire») overnemen.
Sinds de ondertekening van onderhavige Europa-akkoorden is de pre-toetredingsstrategie, zoals vastgesteld door de Europese Raad van Essen, ook op de drie Baltische staten van toepassing. Tevens zullen de Baltische staten, evenals de overige geassocieerde Midden- en Oosteuropese partners, aan de hand van nationale programma's uitvoering dienen te geven aan het Witboek inzake de harmonisatie van wetgeving op het gebied van de Interne Markt.
In het proces van uiteenvallen van de voormalige Sovjet-Unie herwonnen de Baltische staten als eersten hun onafhankelijkheid. Zij sloten zich niet aan bij het Gemenebest van Onafhankelijke Staten (GOS). Met de Baltische staten wordt een Europa-akkoord aangegaan, terwijl met de overige «GOS-landen» de Gemeenschappen en hun lid-staten de zogenaamde Partnerschaps- en samenwerkingsverdragen sluiten (Oekraïne Trb. 1994, 230; Rusland Trb. 1994, 268; Moldavië Trb. 1995, 71; Kazachstan Trb. 1995, 144; Kirgizstan Trb. 1995, 145; Wit-Rusland Trb. 1995, 143).
Het voornaamste verschil met de Europa-akkoorden van deze laatst genoemde verdragen is gelegen in het ontbreken van een toetredingsperspectief.
II ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING
De preambule bevat, zoals gebruikelijk, een opsomming van intenties en grondslagen die tezamen de context vormen van de akkoorden. De verdragspartijen benadrukken hun gezamenlijke wens om hun banden te versterken en duurzame betrekkingen te ontwikkelen. Partijen zijn van mening dat de drie Baltische staten reeds aanzienlijke, geslaagde hervormingsinspanningen op politiek en economisch gebied hebben verricht en dat deze met de hulp van de EG dienen te worden voortgezet. Voorts wordt gerefereerd aan de pre-toetredingsstrategie, als vastgesteld door de Europese Raad van Essen, welke ten uitvoer wordt gelegd door gestructureerde betrekkingen tussen de geassocieerde landen en de instellingen van de Europese Unie tot stand te brengen. In de drie akkoorden is in de voorlaatste considerans het perspectief op toetreding neergelegd. Inmiddels hebben Letland, Estland en Litouwen hun officiële toetredingsverzoek op respectievelijk 13 oktober, 23 november en 11 december 1995 ingediend. De drie verzoeken zijn, conform de procedure voorzien in artikel O van het Verdrag betreffende de Europese Unie (Trb. 1992, 74), door de Raad doorgeleid naar de Commissie voor een advies.
De toetreding zal eerst plaats kunnen vinden, zodra een geassocieerd land in staat is om de verplichtingen van het lidmaatschap na te komen door te voldoen aan de vereiste economische en politieke voorwaarden (onder meer het bestaan van een democratie en een markteconomie, overname van het gehele «acquis communautaire»). Daarnaast zal ook de Unie haar huis op orde moeten stellen, alvorens van een verdere uitbreiding sprake zal kunnen zijn. Voor een nadere toelichting van het uitbreidingsvraagstuk zij verwezen naar de eerste nota die de regering heeft opgesteld ter voorbereiding op de Intergouvernementele Conferentie van 1996 «Uitbreiding van de Europese Unie: mogelijkheden en knelpunten» (Kamerstukken II 1994/95, 23 987, nr. 1).
In artikel 1 wordt de associatie ingesteld en worden de doelstellingen ervan omschreven. Analoog aan de eerdere Europa-akkoorden betreft het hier onder meer de ontwikkeling van nauwe politieke samenwerking en economische betrekkingen, de versterking van financiële en technische bijstand, de bevordering van economische en culturele samenwerking alsmede het totstandbrengen van een kader voor geleidelijke integratie van de drie geassocieerde partners in de Europese Unie. Tevens staat de vrijhandelsdoelstelling nogmaals uitdrukkelijk vermeld.
TITEL I ALGEMENE BEGINSELEN (ARTIKELEN 2–3)
Evenals in de Europa-akkoorden met Roemenië, Bulgarije, de Tsjechische Republiek en Slowakije, is in onderhavige akkoorden bepaald dat eerbiediging van de democratische beginselen en de mensenrechten, alsmede de beginselen van de markteconomie de grondslag vormen van het binnenlands- en buitenlands beleid van de partijen en een wezenlijk onderdeel van de associatie zijn.
Artikel 2 biedt in combinatie met de opschortingsclausule (Estland artikel 122, tweede lid; Letland artikel 123, tweede lid; Litouwen artikel 124, tweede lid) de mogelijkheid tot opschorting van het Europa-akkoord in geval van ernstige mensenrechtenschendingen. Overigens zij opgemerkt, dat artikel 122, tweede lid, repectievelijk artikel 123, tweede lid, en 124, tweede lid, niet alleen betrekking hebben op schending van de democratische beginselen en mensenrechten, vermeld in artikel 2, maar in het algemeen op niet-nakoming van «een verplichting» van het verdrag. De passende maatregelen zullen steeds aangepast moeten zijn aan de aard van de infractie. Voor een meer specifieke toelichting zij verwezen naar de toelichting bij de Europa-akkoorden met Roemenië en Bulgarije (Kamerstukken II 1993/94, 23 559, nr. 3, blz 5–6) en bij de Europa-akkoorden met de Tsjechische Republiek en Slowakije (Kamerstukken II 1993/94, 23 729, nr. 1, blz 6–7).
In artikel 2, tweede lid, is het belang verwoord dat partijen hechten aan een goede onderlinge samenwerking tussen de drie Baltische staten.
Artikel 3 van de akkoorden met Letland en Litouwen stelt dat de associatie een overgangsperiode inhoudt welke uiterlijk op 31 december 1999 eindigt. Deze overgangsperiode geldt slechts indien hiernaar in specifieke artikelen wordt verwezen. Zoals reeds in de inleiding is aangegeven, bestaat er voor Estland geen overgangsperiode. Grotendeels is dit echter een kwestie van systematiek. In het akkoord met Estland zijn in een aantal gevallen overgangsperioden ad hoc opgenomen, zo bijvoorbeeld bij vestiging (artikel 50) en vervoer (artikel 53, zevende lid). Artikel 3 van de drie akkoorden geeft de Associatieraad de bevoegdheid om regelmatig te onderzoeken hoe de geassocieerde partner het Europa-akkoord toepast en hoe de partner de economische hervormingen tenuitvoer legt op grond van de in de preambule geformuleerde beginselen.
TITEL II POLITIEKE DIALOOG (ARTIKELEN 4–7)
De artikelen 4 tot en met 7 voorzien in een politieke dialoog tussen partijen. Een dergelijke dialoog was al bij gezamenlijke verklaring van mei 1992 ingesteld (Kamerstukken II 1991/92, 21 501-02, nr. 62), en wordt vormgegeven (conform het bepaalde in artikel 5) overeenkomstig de vormen en de praktijken, zoals die met de andere geassocieerde landen zijn overeengekomen. De doelstellingen van de dialoog zijn in artikel 4 samengevat. Op basis van de nagestreefde geleidelijke toenadering van de Baltische staten tot de Europese Unie wordt specifiek beoogd: het bereiken van grotere convergentie van standpunten over internationale vraagstukken, waarbij veiligheid en stabiliteit met name worden genoemd. De Baltische staten zijn via een geassocieerd lidmaatschap van de WEU (Kamerstukken II 1995/96, 19 291, nr. 19), als partijen bij het Stabiliteitspact, door gemaakte afspraken in OVSE-kader, en door het Partnerschap voor Vrede in NAVO-kader, reeds opgenomen in een politiek raamwerk waarin een dialoog met de Westelijke landen kan worden gevoerd. De politieke dialoog met de lid-staten van de Europese Unie biedt hen de mogelijkheid de betrekkingen specifiek met de Europese Unie aan te halen. Een dergelijke dialoog vindt inmiddels op verschillende niveau's en over tal van onderwerpen plaats. Genoemde artikelen leggen dan ook in feite slechts vast wat in de praktijk al ten uitvoer wordt gelegd. Inhoudelijk dient de politieke dialoog inmiddels als forum waarin de Baltische staten mede hun wens kenbaar maken te worden opgenomen als leden van de Europese Unie en van andere Westerse structuren zoals de WEU en de NAVO.
TITEL III VRIJ VERKEER VAN GOEDEREN (ESTLAND ARTIKELEN 8–35; LETLAND EN LITOUWEN ARTIKELEN 8–36)
Titel III is gebaseerd op de eerder genoemde verdragen betreffende vrijhandel en met handel verband houdende zaken tussen de EG en respectievelijk Estland, Letland en Litouwen. De Europese Raad van Kopenhagen (juni 1993) had de Commissie reeds verzocht voorstellen te doen voor het sluiten van deze vrijhandelsverdragen. De verdragen werden op 18 juli 1994 ondertekend en traden op 1 januari 1995 in werking. Het afzonderlijk en vooruitlopend op de totstandkoming van Europa-akkoorden onderhandelen over vrijhandelsverdragen was van belang in verband met de komende toetreding tot de Europese Unie op 1 januari 1995 van Finland en Zweden. Deze beide landen (en Noorwegen) hadden met de Baltische Staten reeds vrijhandelsverdragen gesloten. Bij toetreding tot de Europese Unie zouden deze verdragen worden vervangen door het geldende EG-handelsregime. Als gevolg van de tijdige inwerkingtreding van de vrijhandelsverdragen tussen de Gemeenschap en de Baltische staten leverde de toetreding van Finland en Zweden op 1 januari 1995 derhalve geen breuk op in het vrijhandelsregime van deze landen.
Formeel sluiten de bepalingen onder Titel III nauw aan bij de met de Visegrad-landen en Roemenië en Bulgarije overeengekomen teksten. De materiële verschillen hangen voornamelijk samen met het snellere tempo van handelsliberalisering, c.q. met de kortere overgangsperiodes. De wederzijdse verleende markttoegang is in doorsnee ruimer dan in de eerder gesloten Europa-akkoorden, hetgeen het gevolg is van de in het bijzonder door Estland geboden martkopening (geen overgangsperiode). Vergeleken met de eerder gesloten Europa-akkoorden kunnen de kortere overgangsperiodes in de gevallen Estland en Litouwen ook verklaard worden uit het latere tijdstip van totstandkoming van de onderhavige akkoorden.
HOOFDSTUK I INDUSTRIEPRODUKTEN (Estland artikelen 9–16; Letland en Litouwen artikelen 9–17)
De invoer in de Gemeenschap van industrieprodukten, met inbegrip van EGKS-produkten, van oorsprong uit Estland, Letland en Litouwen is bij de inwerkingtreding van de vrijhandelsverdragen op 1 januari 1995 vrijgesteld van invoerrechten en kwantitatieve beperkingen. Deze vrijstelling gold per genoemde datum ook al voor de Visegrad-landen, Bulgarije en Roemenië, echter met uitzondering van EGKS-produkten, waarvan de invoer op 1 januari werd geliberaliseerd.
Voor textielprodukten van oorsprong uit die landen geldt deze vrijstelling eveneens voor Estland. Ten aanzien van Letland en Litouwen is formeel geen sprake van een vrijstelling van invoerrechten maar van een schorsing daarvan (artikel 16 Letland/Litouwen). De EG kan tot wederinstelling van invoerrechten overgaan, wanneer de invoer uit beide landen bepaalde plafonds (Letland bijlage V, Litouwen bijlage VI) overschrijdt. De beperkte exportcapaciteit van deze landen maakt dit onwaarschijnlijk.
De protocollen (nr. I) bij de Europa-akkoorden met betrekking tot textiel bevatten in hun artikel 5 (vrijwarings-)clausules, die de mogelijkheid bieden kwantitatieve beperkingen in te stellen bij een sterk toenemende invoer (Estland) of het overschrijden van een bepaalde hoeveelheid invoer voor een bepaald textielprodukt (Letland/Litouwen). Deze protocollen sluiten inhoudelijk aan bij de afzonderlijk met de Visegrad-landen en Bulgarije en Roemenië gesloten textielverdragen (Kamerstukken II 1992/93, 21 501-02, nr. 72). De invoer van textiel van oorsprong uit deze laatstgenoemde landen zal per 1 januari 1997 worden vrijgesteld van invoerrechten en per 1 januari 1998 van kwantitatieve beperkingen.
De invoer in de Baltische Staten van industrieprodukten van oorsprong uit de Gemeenschap werd, op enkele uitzonderingen na, bij de inwerkingtreding van de vrijhandelsverdragen reeds vrijgesteld van invoerrechten en kwantitatieve restricties. Deze uitzonderingen betreffen uitsluitend nog rechten op de invoer in Letland van een beperkt aantal produkten (bijlagen II en III: onder andere schoeisel, glaswerk, meubelen) en in Litouwen van wat meer produkten (bijlagen II, III en IV, onder andere schoeisel, buizen, platen van kunststof, houtprodukten, TV's, gebruikte automobielen). Deze invoerrechten zullen door Letland en Litouwen uiterlijk op 1 januari 1998, respectievelijk 1 januari 2001, worden afgeschaft. Ook de Visegrad-landen, Bulgarije en Roemenië schaffen doorsnee genomen rondom 2001 de nog resterende invoerrechten af.
HOOFDSTUK II LANDBOUW (Estland artikelen 17–20; Letland en Litouwen artikelen 18–21)
Hoofdstuk II betreft produkten van origine uit de EG enerzijds en de Baltische Staten anderzijds, en omvat alle produkten van de Hoofdstukken 1 tot en met 24 van de Gecombineerde Nomenclatuur, alsmede (bijlage I bij de akkoorden) albuminen en derivaten, kurk, katoen, vlas en hennep; visserijprodukten worden behandeld in Hoofdstuk III.
Met ingang van 1 januari 1995 schaft de EG de kwantitatieve restricties af bij invoer van landbouwprodukten uit de drie partnerlanden. Anderzijds heffen de Baltische landen de kwantitatieve beperkingen op bij invoer van landbouwprodukten uit de EG.
Rekening houdend met de omvang van de onderlinge handel in landbouwprodukten, met hun specifieke gevoeligheid, met de regels van het Gemeenschappelijk Landbouw Beleid, met het landbouwbeleid van Litouwen, Letland en Estland en het aandeel van de landbouw in de Baltische economieën (en in het geval van Letland: rekening houdend met het produktie- en exportpotentieel van de traditionele sectoren en markten), onderzoeken partijen in de Associatieraad de mogelijkheden voor verdere concessies, produkt per produkt, systematisch en op basis van wederkerigheid. Gezien de bijzondere gevoeligheid van de markt voor landbouwprodukten zullen, in het geval van ernstige marktverstoringen als gevolg van de invoer van produkten waarvoor concessies zijn verleend, onmiddellijk consultaties tussen partijen plaatsvinden. In afwachting van een oplossing kan de benadeelde partij de noodzakelijke maatregelen treffen.
De concessies van de EG omvatten de consolidatie van een aantal preferenties die partners al genoten als begunstigden in het Algemeen Preferentieel Stelsel (APS); ongelimiteerd en met verlaagde rechten.
Uit Estland betreft dat 14 produkten, waaronder honing, sierteeltprodukten, komkommers, zacht fruit en appelsap.
Uit Litouwen betreft het 10 produkten: paarden, slachtafvallen, ganzen- en eendenlevers, honing, bollen, komkommers, cantharellen, zwarte bessen, rundvet en appelsap.
Uit Letland betreft het 14 produkten, waaronder honing, sierteeltprodukten, komkommers, cantharellen, bessen, karwijzaad en appelsap.
Voor te verwerken zacht fruit worden voor ieder verkoopseizoen minimum invoerprijzen vastgesteld door de EG, in overleg met het partnerland en rekening houdend met de prijsontwikkeling, de ingevoerde hoeveelheden en de martkttendenzen in de EG. De regeling wordt zodanig toegepast dat gedurende elke drie maanden van het verkoopseizoen de gemiddelde prijs van elk produkt dat in de EG wordt ingevoerd, niet beneden de minimum invoerprijs van dat produkt komt.
Bovendien mag gedurende iedere periode van twee weken de gemiddelde waarde van elk produkt dat in de EG wordt ingevoerd, niet lager zijn dan 90% van de minimum invoerprijs van dat produkt, voor zover de ingevoerde hoeveelheden gedurende die periode niet minder zijn dan 4% van de normale jaarlijkse invoer. Indien aan deze criteria niet wordt voldaan, kan de EG maatregelen treffen om de minimum invoerprijs voor iedere zending te doen respecteren.
Voor Estland betreft het zwarte aalbessen, blauwe bosbessen en vruchten van de Vaccinium macrocarpon en van de Vaccinium corybosum.
Voor Litouwen betreft het verse zwarte aalbessen, en uit Letland blauwe bosbessen, vruchten van de vaccinium macrocarpon en corymbosum, en andere bessen met GN code 08104090.
Ten aanzien van de invoer van levende runderen, rundvlees, schape- en geitevlees, zijn de volgende regelingen getroffen.
Los van de voormalige balansregeling 805/68/EEG (PbEG 1968, L 148), voor de invoer van levende runderen in de EG, wordt een algemeen tariefcontingent geopend voor de invoer uit Estland, Letland en Litouwen, groot 3500 stuks levende runderen voor het mesten of voor de slacht, met een levend gewicht tussen de 160 en 300 kg. (GN-code 0102), en met een 25% reductie van het volledige bedrag van de heffing of van de hoogte van het specifieke recht.
Indien in de EG meer dan 425.000 runderen worden ingevoerd (uit alle landen waarmee een Europa-akkoord bestaat) en tot verstoring van de communautaire rundvleesmarkt zou leiden, kan de EG vrijwaringsmaatregelen treffen.
Voor de invoer uit de Baltische Staten wordt een algemeen tariefcontingent geopend van 1500 ton rundvlees (GN codes 0201 en 0202), met een 40% rechten reductie van het bedrag. Tenslotte wordt een algemeen contingent schape- en geitevlees van 100 ton voor de drie partnerlanden voorbehouden.
Naast de APS-consolidaties, staat de EG invoer toe van landbouwprodukten met 60% heffings- en rechtenreducties.
De tariefcontingenten zullen in 1996 en in 1997 met telkens ca. 10% worden verruimd.
Voor Estland betreft het varkensvlees, kipvlees, melkpoeder, boter, kaas, aardappelen, kool, appelen, peren en worst;
voor Litouwen: varkensvlees, kipvlees, melkpoeder, condens, boter, kaas, tomaten, knoflook en persappelen;
voor Letland: varkensvlees, kipvlees, melkpoeder, condens, boter, kaas, tomaten, bloemkool, kool, wortelen, bevroren aardappelen, worst en rundvleesprodukten.
De concessies van Estland aan de EG zijn niet opgenomen in het akkoord, omdat Estland voor landbouwprodukten geen douanerechten heft en dus geen preferentiële behandelingen kan verlenen.
Indien Estland een nieuw tariefstelsel voor de invoer van landbouwprodukten invoert, kunnen voor een beperkt aantal uit de EG ingevoerde produkten, rechten worden ingesteld, echter uiterlijk tot 31 december 1996, na overleg met de Associatieraad. In dergelijke gevallen voorziet Estland in een aanzienlijke preferentiële marge voor de EG.
Indien nodig kan genoemde periode met één jaar worden verlengd door de Associatieraad (artikel 24, derde lid).
Litouwen verleent aan de EG voor een reeks produkten een reductie van het basisrecht (onder meer voor snijbloemen) jaarlijks aflopend van 1995 tot 2000. De invoer in Litouwen van alle niet in deze bijlage XII genoemde landbouwprodukten van oorsprong uit de Gemeenschap is vrij van rechten of heffingen.
Voor een aantal van deze concessionele produkten zijn in Bijlage XIII tariefcontingenten vastgesteld die van 1995 tot 2000 jaarlijks 10% groter worden. Boven het genoemde quotum geldt het basisrecht (onder andere voor de snijbloemen).
Letland verleent aan de EG enerzijds martkttoegang voor een 14-tal produkten met tariefcontingenten en 60% reductie van de variabele heffing of het douanerecht. Anderzijds verleent Letland aan de EG voor een lange reeks produkten uit de EG tariefverlagingen, die jaarlijks van 1995 tot 2000 met gelijke bedragen verminderen. Niet in de lijst van bijlage X genoemde produkten zijn rechtenvrij.
Bijlage XI geeft een overzicht van voor een beperkt aantal produkten uit bijlage X door Letland ingestelde tariefcontingenten (waaronder voor snijbloemen).
Protocol 2 betreft het handelsverkeer tussen de EG en de respectieve Baltische landen voor verwerkte landbouwprodukten.
Litouwen De EG ontmantelt voor een beperkt aantal produkten (veren, zoetwaren en wodka, bijlage 1) het niet-landbouwelement. Voor de produkten met een verlaagd landbouwelement (MOBR) wordt de verlaagde heffing op de basishoeveelheden van de basisprodukten in 1995 met 20%, in 1996 met 40% en vanaf 1997 met 60% verminderd en het basisbedrag van de andere basisprodukten voor dezelfde jaren met respectievelijk 10%, 20% en 30%. De verlagingen worden toegekend binnen vastgestelde tariefcontingenten (bijlage II). Anderzijds zal Litouwen het landbouwelement van de heffing op verwerkte landbouwprodukten afkomstig uit de EG vóór 31 december 1996 vaststellen en aan de Associatieraad meedelen. Voor een reeks verwerkte landbouwprodukten (zuivel, veren, vetten en oliën, zoetwaren, moutextract, deegwaren, bakkerswaren, aardappelprodukten, levende gist, frisdranken, bier, wijn, alcohol en tabakswaren) zal Litouwen afnemende rechten toepassen over de jaren 1995–2000 (bijlage III). Litouwen ontmantelt het niet-landbouwelement per 31 december 2001, en het landbouwelement zal worden verlaagd volgens het schema van de EG.
Letland De Gemeenschap ontmantelt voor een beperkt aantal produkten (zoetwaren, soepen, consumptie-ijs, mineraalwater, bier, wodka en likeuren, bijlage I) het niet-landbouwelement. De verlaging van het landbouwelement geschiedt zoals bij Litouwen.
De verlagingen worden toegekend binnen vastgestelde tariefcontingenten (bijlage II). Anderzijds zal Letland, als Litouwen, het landbouwelement van de heffing op verwerkte landbouwprodukten, afkomstig uit de Gemeenschap, vóór 31 december 1996 vaststellen en melden aan de Associatieraad.
Voor een groot aantal verwerkte landbouwprodukten (waaronder margarines, zoetwaren, deegwaren, bier en gedistilleerde dranken) zal Litouwen over de jaren 1995–2000 afnemende rechten toepassen (bijlage III).
Voor een paar produkten (waaronder yoghurt, margarines, broodwaren, soepen en jenever) worden tariefcontingenten vastgesteld; daarboven geldt het Most Favoured Nation-recht.
Estland In afwijking van de akkoorden met Litouwen en Letland, kan de Associatieraad de wederzijdse concessies van de EG en Estland, vervangen door een stelsel van compenserende bedragen, zonder kwantitatieve beperking, gebaseerd op de prijsverschillen op de markten voor basisprodukten voor de verwerkte landbouwprodukten. De Associatieraad stelt een produktenlijst op, waarop de bedragen van toepassing zijn en stelt daartoe uitvoeringsbepalingen vast.
De EG ontmantelt voort een aantal produkten (was, zoetwaren, gist, consumptie-ijs, frisdranken, bier en gedistilleerde dranken, bijlage I) het niet-landbouwelement en verlaagt het landbouwelement zoals bij Litouwen en Letland, met bijbehorende tariefcontingenten. Estland past de rechten toe op de invoer van alle verwerkte landbouwprodukten uit de EG, per 1 januari 1995.
Uiterlijk 31 december 1996 zal Estland het landbouwelement en het niet-landbouwelement vaststellen. Drie jaar later zal, in drie gelijke jaarlijkse stappen, het niet-landbouwelement worden ontmanteld. Het landbouwelement wordt verlaagd volgens de beginselen van de EG.
HOOFDSTUK III VISSERIJ (Estland artikelen 21–22; Letland en Litouwen artikelen 22–23)
Hoofdstuk III betreft visserijprodukten van oorsprong uit de EG en Litouwen en Estland, waarop EG-verordening 3759/92 (PbEG1992 L 388) betrekking heeft. Ten aanzien van Letland wordt onder visserijprodukten bedoeld de in hoofdstuk 3 van de Gecombineerde Nomenclatuur genoemde produkten, alsmede een aantal andere, nauwkeurig aangeduide produkten. Litouwen verleent aan de EG voor onbeperkte hoeveelheden levende karpers, kabeljauw, haring, sprot en visconserven jaarlijkse (1995–2000) tariefverminderingen. De EG staat Litouwen tariefcontingenten met verlaagd recht toe voor paling en andere zoetwatervis, schol, kabeljauw, heilbot, sprot, Alaska-koolvis en blauwe wijting.
Meerdere, wederkerige concessies zijn mogelijk, evenals vrijwaring.
Letland kent de EG gequoteerde tariefvermindering toe voor kabeljauw, haring en sprot, en een onbeperkte toegang tegen nulrecht voor makreel, mosselen en inktvissen. Aan Letland biedt de EG tariefcontingenten met verlaagd recht aan voor kabeljauw, sprot, vismeel en broedmateriaal.
Meerdere, wederkerige, concessies zijn mogelijk, evenals vrijwaring.
Estlandse produkten, waarvoor de Europese Gemeenschap tariefcontingenten toekent, met verlaagde rechten zijn paling, kabeljauw, zoetwatervis, en verwerkte sprot, heek en Alaska-koolvis. Evenals voor landbouwprodukten, kent Estland geen douanerechten voor visserijprodukten. Dezelfde clausules genoemd in artikel 24, derde lid, zijn van toepassing.
Meerdere, wederkerige, concessies zijn mogelijk, evenals vrijwaring.
In de toekomst zullen onderhandelingen worden geopend inzake het sluiten van visserijovereenkomsten.
HOOFDSTUK IV GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN (Estland artikelen 23–35; Letland en Litouwen artikelen 24–36)
Deze bepalingen wijken niet af van de overeenkomstige bepalingen in de Europa-akkoorden met de Visegrad-landen en Roemenië en Bulgarije. Ook de drie Baltische staten kunnen tijdelijk nog buitengewone maatregelen nemen (Estland artikel 27; Letland en Litouwen artikel 28) in de vorm van verhoogde douanerechten ten behoeve van jonge industrieën of van bepaalde sectoren waarin herstructureringen plaatsvinden of die met grote moeilijkheden te kampen hebben, vooral wanneer deze moeilijkheden ernstige sociale gevolgen hebben. In soortgelijke omstandigheden kunnen deze landen ook beperkende maatregelen nemen op het gebied van vestiging op hun grondgebied van communautaire vennootschappen en onderdanen (Estland artikel 50; Letland en Litouwen artikel 51).
Daarnaast voorziet artikel 28 (Letland en Litouwen artikel 29) in wederzijds toepasbare anti-dumpingmaatregelen en artikel 29 (Letland en Litouwen artikel 30) in de algemene vrijwaringsclausule. Voor landbouwprodukten gelden de gebruikelijke specifieke vrijwaringsclausules (Estland artikel 20; Letland en Litouwen artikel 21). Op de clausules die de instelling van kwantitatieve invoerbeperkingen voor textiel mogelijk maken werd reeds gewezen.
Tenslotte kunnen partijen bij een handelswijze die niet in overeenstemming is met artikel 63 (Letland en Litouwen artikel 64) (mededinging) maatregelen nemen, zoals het instellen van compenserende heffingen ter neutralisering van ongeoorloofde subsidies (Estland artikel 63, zesde lid; Letland en Litouwen artikel 64, zesde lid).
Het in artikel 35 (Estland) en artikel 36 (Letland en Litouwen) genoemde protocol 4 bevat uitzonderingen op het vrij verkeer van goederen die samenhangen met de destijds in de EG-toetredingsonderhandelingen met Spanje en Portugal neergelegde overgangsregelingen (Trb. 1985, 135). Deze regelingen zijn op 31 december 1995 beëindigd.
TITEL IV VERKEER VAN WERKNEMERS, VESTIGING, VERRICHTEN VAN DIENSTEN (ESTLAND ARTIKELEN 36–59; LETLAND EN LITOUWEN ARTIKELEN 37–60)
HOOFDSTUK I VERKEER VAN WERKNEMERS (Estland artikelen 36–42; Letland en Litouwen artikelen 37–43)
De artikelen 36 tot en met 42 (Letland en Litouwen: 37 t/m 43) zijn standaardbepalingen die, wat de inhoud en strekking daarvan betreft, overeenstemmen met de op het werknemersverkeer betrekking hebbende bepalingen in eerder door de EG en de lid-staten gesloten soortgelijke verdragen. Hier zij dan ook tevens verwezen naar de toelichtingen bij de Europa-akkoorden met Polen, Hongarije, Tsjechoslowakije, Roemenië en Bulgarije en de vervolgstukken daarop.
Artikel 36 (Letland en Litouwen artikel 37)
Partijen verbinden zich om, met inachtneming van de in de betrokken landen geldende voorwaarden en modaliteiten, de legaal op hun grondgebied tewerkgestelde werknemers met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden, de beloning en het ontslag gelijk te zullen behandelen als hun eigen onderdanen. De legaal op hun grondgebied verblijvende echtgenoten en kinderen van deze werknemers – met uitzondering van seizoenwerkers en werknemers die onder bilaterale verdragen in de zin van artikel 40 vallen, tenzij in dergelijke verdragen anders is bepaald – hebben gedurende de periode van het toegestane tewerkstellingsverblijf van die werknemers toegang tot de arbeidsmarkt.
Nederland voldoet aan de in dit artikel geformuleerde eis van non-discriminatie.
Onder legaal tewerkgestelde werknemers worden verstaan werknemers die met inachtneming van de bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen (Wav) gestelde regels arbeid in Nederland verrichten. De Wav is met ingang van 1 september 1995 in werking getreden en vervangt de Wet Arbeid Buitenlandse Werknemers. De wet bepaalt onder meer dat degenen die iemand anders arbeid laten verrichten over een tewerkstellingsvergunning moeten beschikken. Dit geldt ook voor iemand die opdracht geeft aan een zelfstandige, tenzij de vreemdeling een vergunning tot verblijf als zelfstandige voor dat werk heeft.
Artikel 37–39 (Letland en Litouwen artikelen 38–40)
Op het terrein van de sociale zekerheid is voorzien in de totstandbrenging van coördinatievoorschriften ten behoeve van de werknemers van de Baltische staten enerzijds en onderdanen van de lid-staten van de Unie anderzijds. Het gaat hierbij om voorschriften inzake de samentelling van tijdvakken van verzekering, arbeid of wonen, de vrije overmaking van uitkeringen en de aanspraken op kinderbijslag. Deze voorschriften, die ook betrekking zullen hebben op de samenwerking tussen de uitvoeringsorganen in het kader van de handhaving (beheer- en controle-garanties), moeten tot stand worden gebracht door besluiten van de Associatieraad.
Artikel 40 (Letland en Litouwen artikel 41)
Ingevolge het onderhavige artikel dienen, rekening houdend met de arbeidsmarktsituatie en de regels die er gelden op het gebied van de mobiliteit van werknemers, de door de lid-staten in het kader van eventuele bilaterale verdragen verleende tewerkstellingsmogelijkheden voor werknemers met de nationaliteit van Estland, Letland en Litouwen behouden te blijven en zo mogelijk te worden verbeterd; de lid-staten die dergelijke verdragen niet zijn aangegaan dienen de mogelijkheid van het sluiten hiervan te overwegen.
Met name de Bondsrepubliek Duitsland heeft in het verleden met een aantal Midden- en Oost-Europese staten bilaterale verdragen afgesloten, op grond waarvan een jaarlijks vast te stellen quotum werknemers dat onderdaan is van de ene staat tot de arbeidsmarkt van de andere staat wordt toegelaten. Tussen Nederland en de drie Baltische staten bestaan dergelijke verdragen niet. Gelet op de situatie op de Nederlandse arbeidsmarkt acht de regering ook het aangaan hiervan op dit moment ongewenst.
De Associatieraad, zo blijkt verder uit het onderhavige artikel, onderzoekt de toekenning van andere verbeteringen, zoals bijvoorbeeld toegang tot beroepsopleiding, overeenkomstig de in de lid-staten geldende regels en procedures en met inachtneming van de situatie van de arbeidsmarkt in de lid-staten en de EG.
In dit kader zij dienaangaande tevens aangetekend dat, voor wat betreft het verlenen van toegang aan stagiaires, in de op de Wet arbeid vreemdelingen gebaseerde nadere regels is voorzien in een afzonderlijk toelatingsregime. Dit regime vertoont overeenkomsten met verdragen die andere landen op dit gebied hebben gesloten. Een belangrijk verschil met die verdragen is dat de toelating van stagiaires ingevolge de Wav niet gekoppeld is aan een jaarlijks vast te stellen quotum.
Artikel 41 (Letland en Litouwen artikel 42)
In afwijking van artikel 42 van de verdragen met Letland en Litouwen, dat spreekt over «na afloop van de overgangsperiode», bepaalt het verder overeenkomstige artikel 41 van het verdrag met Estland dat «eind 1999» het uiterste tijdstip is waarop de Associatieraad verdere mogelijkheden voor verbetering van het verkeer van werknemers zal onderzoeken. Deze wijziging kwam op verzoek van de Esten tot stand.
Artikel 42 (Letland en Litouwen artikel 43)
In dit artikel wordt voor wat betreft de technische bijstand van de EG voor de totstandbrenging van een passende sociale-zekerheidsregeling in de Baltische staten, verwezen naar het artikel in deze Europa-akkoorden dat betrekking heeft op sociale samenwerking. In het verdrag met Estland wordt daarbij abusievelijk naar artikel 92 in plaats van naar artikel 91 verwezen.
HOOFDSTUK II VESTIGING (Estland artikelen 43–50; Letland en Litouwen artikelen 44–51)
Evenals dit het geval is bij de Europa-akkoorden met de Visegrad-landen en Roemenië en Bulgarije, hebben bedrijven over en weer in beginsel recht op nationale behandeling (Estland artikel 43; Letland en Litouwen artikel 44). Dat recht geldt niet alleen op het moment van vestiging, maar strekt zich ook uit tot eenmaal gevestigde bedrijven. Naast bedrijven, in de zin van vennootschappen of filialen van vennootschappen, hebben ook onderdanen bij en na vestiging recht op nationale behandeling. Opgemerkt zij hier, dat wat betreft de vestiging van onderdanen Estland liberaler is dan de EG en haar lid-staten, aangezien het reeds vanaf de inwerkingtreding van het akkoord nationale behandeling verleent aan communautaire onderdanen, terwijl de EG pas vanaf 31 december 1999 nationale behandeling toekent aan Estse onderdanen.
Enkele sectoren en zaken zijn nog uitgezonderd van het recht op nationale behandeling. Voor alle partijen betreft dat het luchtvervoer, de binnenvaart en cabotage in het zeevervoer (Estland artikel 44, Letland en Litouwen artikel 45). Door bepaalde lid-staten van de EG is het bezit van onroerend goed in grensgebieden nog uitgesloten (Estland bijlage VII, Letland bijlage XIV, Litouwen bijlage XVI). Uitzonderingen zijn er voorts nog in Letland (bijlage XV) en Litouwen (bijlagen XVIIa en b). Zij hebben betrekking op bijvoorbeeld de handel in onroerend goed, de produktie en verkoop van wapens. In beginsel zullen deze uitzonderingen gelden tot 31 december 1999, behoudens de in bijlage XVIIa (Litouwen) genoemde: de verwerving van grond, delfstoffen en natuurlijke hulpbronnen en de organisatie van kansspelen. In een eenzijdige verklaring bij artikel 44 heeft Litouwen overigens aangegeven al het mogelijke te doen om nog voor 31 december 1999 communautaire vennootschappen dezelfde rechten te verlenen als de EG en de lid-staten verlenen aan Litouwse vennootschappen (reciprociteit).
In artikel 45 (Estland) en artikel 46 (Letland en Litouwen), vijfde lid, wordt gedefinieerd wat onder vestiging in de zin van de onderhavige Europa-akkoorden moet worden verstaan. Toegang tot werkzaamheden, anders dan in loondienst, en de oprichting en het beheer van ondernemingen door onderdanen strekt zich niet uit tot het zoeken naar of het aannemen van werk op de arbeidsmarkt van een andere partij en geeft evenmin recht op de toegang tot die arbeidsmarkt. Ter verduidelijking zij hier opgemerkt dat onder «werk op de arbeidsmarkt» wordt verstaan: arbeid die gewoonlijk in loondienst wordt verricht. In dit verband kan verder gewezen worden op de aanvullende tekst uit de toelichting bij de Europa-akkoorden met Roemenië en Bulgarije (Kamerstukken II 1993/94, 23 559, nr. 3, blz 14–15) en de gemeenschappelijke verklaring, die op verzoek van Nederland, bij artikel 45 (Estland) en artikel 46 (Letland en Litouwen), onder d, onderdeel i, is opgenomen. De verklaring onderstreept het recht van de partijen op controle en regelgeving met het doel zich ervan te verzekeren dat natuurlijke personen voor wie het recht van vestiging geldt, daadwerkelijk als zelfstandigen werkzaam zijn.
In de praktijk zal de wederzijdse erkenning van diploma's zekere beperkingen stellen aan vrije vestiging voor zelfstandigen. Artikel 49 (Letland en Litouwen artikel 50) bepaalt, zoals ook in de Europa-akkoorden met de Visegrad-landen en Roemenië en Bulgarije, dat de Associatieraad zal onderzoeken welke maatregelen met het oog op de onderlinge erkenning van diploma's moeten worden getroffen.
Artikel 45 (Letland en Litouwen artikel 46)
Artikel 45 (Estland) en 46 (Letland en Litouwen) definiëren de in artikel 43 en 44 (Estland) en artikel 44 en 45 (Letland en Litouwen) gebruikte termen, zoals vennootschap, dochteronderneming, filiaal, onderdaan. Evenals in de akkoorden met de Visegrad-landen leggen de betreffende artikelen bij definiëring van de vennootschap het beginsel van een daadwerkelijke economische band tussen bedrijf en land van hoofdvestiging vast. Daarmee wordt voorkomen dat via «postbusbedrijven» wordt geprofiteerd van de voordelen van de Europa-Akkoorden.
Artikel 46 (Letland en Litouwen artikel 47)
Dit artikel dient in relatie met artikel 43 (Letland en Litouwen artikel 44) te worden gelezen, dat de principes van meestbegunstiging en nationale behandeling bij vestiging en het uitvoeren van werkzaamheden vastlegt. De financiële sector valt hieronder. Artikel 46 verzekert dat regelgeving niet persé gelijkluidend dient te zijn voor «eigen» en «buitenlandse» vennootschappen, zolang zij maar niet discrimineert. Voor de in bijlage VIII (Letland bijlage XVI; Litouwen bijlage XVIII) beschreven financiële diensten geldt deze non-discriminatiebepaling niet. In het kader van het toezicht op financiële instellingen van de andere partij kunnen eisen aan bijvoorbeeld rapportageverplichtingen worden gesteld die niet voor de eigen instellingen gelden.
Artikel 47 (Letland en Litouwen artikel 48) bepaalt dat partijen het recht hebben regels te stellen aan de vestiging en exploitatie van filialen en agentschappen, die op haar grondgebied niet als rechtspersoon zijn erkend.
Artikel 48 (Letland en Litouwen artikel 49)
Artikel 48 (Estland) en artikel 49 (Letland en Litouwen) bevatten belangrijke bepalingen inzake het recht om personeel van het moederbedrijf in dienst te stellen van de dochteronderneming, die gevestigd is of wordt op het grondgebied van een van beide partijen. Het gaat hier om functionarissen in zogenaamde sleutelposities, zoals gedefinieerd in het tweede lid van de betreffende artikelen. Nederland voldoet aan deze bepalingen, die overeenkomen met het beleid dat op grond van de Wet Arbeid Vreemdelingen wordt gevoerd.
Artikel 49 (Letland en Litouwen artikel 50)
Artikel 49 (Estland) en artikel 50 (Letland en Litouwen) geven de Associatieraad opdracht om te onderzoeken op welke termijn de partijen over kunnen gaan tot de wederzijdse erkenning van diploma's en kwalificaties. Wederzijdse erkenning van kwalificatie zal het aanvangen en uitoefenen van geregelde professionele activiteiten, zoals vermeld in voorgaande artikelen, door communautaire onderdanen en Estlandse onderdanen, in respectievelijk Estland en de EG, aanzienlijk vereenvoudigen.
Artikel 50 (Letland en Litouwen artikel 51)
Estland, Letland en Litouwen kunnen op het punt van vestiging van communautaire vennootschappen en onderdanen nog beperkende maatregelen nemen, bijvoorbeeld met betrekking tot de toepassing van het beginsel van nationale behandeling. Dit kan het geval zijn bij de herstructurering van bepaalde sectoren of bedrijfstakken. Deze maatregelen kunnnen echter slechts worden toegepast tot uiterlijk 31 december 1999 en kunnen uitsluitend betrekking hebben op vestigingen die na het van kracht worden van de maatregel worden opgericht.
HOOFDSTUK III VERRICHTEN VAN DIENSTEN (Estland artikelen 51–53; Letland en Litouwen artikelen 52–54)
Hoofdstuk III beperkt zich in hoofdzaak tot de intentie te komen tot een geleidelijke liberalisering van het dienstenverkeer en wijkt daarmee inhoudelijk niet af van de overeenkomstige hoofdstukken in de eerder gesloten Europa-Akkoorden.
De verkregen liberalisering voor transport is uiterst gering. Voor het zeevervoer zijn, zoals gebruikelijk, de beginselen van een vrij vervoer neergelegd. Partijen verplichten zich tot de toepassing van het principe van onbeperkte toegang tot de markt en het vervoer op commerciële basis. De rechten en verplichtingen die in het kader van de UNCTAD Code voor lijnvaart-conferenties (Trb. 1979, 177) zijn aangegaan, worden niet aangetast. Tevens is overeengekomen met de Baltische staten dat communautaire vennootschappen en onderdanen aansluitend op het internationale zeevervoer vrije toegang tot de rivieren hebben. Daarnaast zal voor 1999 een verdrag worden gesloten ter verbetering van de doorvoer op intermodale wijze over elkaars grondgebied.
Voor het luchtvervoer, het wegvervoer, de binnenvaart en het spoorvervoer is geen liberalisering geregeld. Wel is overeengekomen, dat de situatie zich niet mag verslechteren. Na inwerkingtreding van de onderhavige akkoorden zullen onderhandelingen worden gestart met het oog op liberalisering.
HOOFDSTUK IV ALGEMENE BEPALINGEN (Estland artikelen 54–59; Letland en Litouwen artikelen 55–60)
Hoofdstuk IV sluit in grote lijnen aan bij de bepalingen in de eerder totstandgekomen Europa-akkoorden, waarin deze bepalingen overigens deels zijn opgenomen onder het hoofdstuk vestiging. Zie bijvoorbeeld de gebruikelijke artikelen 54 (Estland) en 55 (Letland en Litouwen), die een meer algemene vrijwaring bevatten uit hoofde van maatregelen die nodig geacht worden voor de handhaving van openbare orde, openbare veiligheid en de volksgezondheid. Een dergelijke bepaling komt overeen met wat ondermeer door de OESO-afspraken over vestiging wordt toegestaan. Voorts artikel 56 (Estland) en 57 (Letland en Litouwen), waarin joint ventures onder de beginselen worden gebracht van de hoofdstukken II, III en IV.
De artikelen 57 (Estland) en 58 (Letland en Litouwen) zijn een wat verdere uitwerking van het belastingartikel, dat in de slotbepalingen van de eerder gesloten Europa-akkoorden is opgenomen. Bepaald is wederom, dat het principe van meestbegunstiging niet geldt voor belastingvoordelen op grond van verdragen ter voorkoming van dubbele belastingheffing of andere fiscale regelingen. Partijen worden door de onderhavige akkoorden niet belet maatregelen ter voorkoming van belastingvlucht of belastingontduiking vast te stellen of te uitvoer te leggen. Evenmin worden zij belet om bij de toepassing van de betreffende bepalingen van hun fiscaal recht een onderscheid te maken tussen belastingplichtigen, die zich niet in identieke situaties bevinden, vooral met betrekking tot hun woonplaats.
In de artikelen 58 (Estland) en 59 (Letland en Litouwen) wordt rekening gehouden met de aanpassing van de onderhavige akkoorden aan de Algemene Overeenkomst inzake de handel in diensten (GATS), bijlage 1b bij het WTO-verdrag (Trb. 1995, 130). Evenals de GATT (handel in goederen) gaat de GATS (handel in diensten) uit van het principe van meestbegunstiging. Het beginsel houdt in, dat een partij aan de ander in geen geval een gunstiger behandeling toekent dan die welke door deze partij in het kader van GATS aan een andere GATS-partij is toegekend. Een uitzondering op dit beginsel is in de GATT (artikel XXIV) toegestaan, wanneer partijen een vrijhandelszone of een douane-unie tot stand brengen. Een soortgelijke uitzondering biedt ook artikel V van de GATS, op grond waarvan partijen gunstiger of verdergaande liberalisatie-afspraken over het dienstenverkeer kunnen maken met andere landen in het kader van verdragen inzake «economische integratie» in de zin van artikel V GATS. De onderhavige en eerder gesloten Europa-akkoorden, mede in verband met het toetredingsperspectief, worden opgevat als dergelijke «artikel V»-verdragen, die een gunstiger behandeling van de Baltische staten weerspiegelen.
TITEL V BETALINGS- EN KAPITAALVERKEER, CONCURRENTIE EN ANDERE ECONOMISCHE BEPALINGEN; HARMONISATIE VAN WETGEVING (ESTLAND ARTIKELEN 60–70; LETLAND EN LITOUWEN ARTIKELEN 61–71)
HOOFDSTUK I BETALINGS- EN KAPITAALVERKEER (Estland artikelen 60–62; Letland en Litouwen artikelen 61–63)
Artikel 60 (Letland en Litouwen artikel 61)
Dit artikel voorziet in een zekere liberalisering ten aanzien van de lopende rekening van de betalingsbalans. De partijen verbinden zich ertoe machtigingen te verlenen tot alle betalingen en overdrachten die betrekking hebben op het verkeer van goederen, diensten of personen, tussen ingezetenen van de lid-staten van de Unie en van de betreffende Baltische staat.
Artikel 61 (Letland en Litouwen artikel 62)
Dit artikel voorziet in enige liberalisering ten aanzien van de kapitaalrekening van de betalingsbalans. Vrij kapitaalverkeer wordt mogelijk gemaakt met betrekking tot de vestiging en activiteiten van zelfstandigen en directe investeringen in vennootschappen opgericht volgens het recht van het land van vestiging en investeringen die in overeenstemming zijn met de bepalingen van het Europa-akkoord. Tevens wordt het kapitaalverkeer vrijgemaakt dat samenhangt met het te gelde maken van gedane investeringen en het repatriëren van winsten.
Het vrije verkeer van kapitaal met betrekking tot beleggingen en kredietverlening wordt gegarandeerd. Nieuwe restricties zullen niet worden ingevoerd en bestaande regelingen zullen niet restrictiever worden.
Het Europa-akkoord voorziet in overleg tussen partijen teneinde het kapitaalverkeer te vergemakkelijken.
Artikel 62 (Letland en Litouwen artikel 63)
Dit artikel regelt dat een verdere geleidelijke toepassing van de communautaire voorschriften inzake het vrije verkeer van kapitaal zal worden bevorderd.
HOOFDSTUK II MEDEDINGING EN ANDERE ECONOMISCHE BEPALINGEN (Estland artikelen 63–67; Letland en Litouwen artikelen 64–68)
Artikel 63 (Letland en Litouwen artikel 64)
Artikel 63 geeft in het eerste lid onder i tot en met iii een beknopte weergave van de materiële mededingingsregels zoals die in het EG-verdrag zijn neergelegd (artikelen 85, 86 en 92).
In de aanhef van het eerste lid is het juridische regime gegeven: het handelen als achtereenvolgens genoemd onder i tot en met iii is «onverenigbaar» met de onderhavige verdragen. Dit regime onderscheidt zich dus van het verbodsregime dat de artikelen 85 en 86 van het EG-verdrag kenmerken. Het «onverenigbaarheidsregime» is daarmee vergeleken juridisch minder hard en kent een discretionaire bevoegdheid toe aan de Associatieraad, die uiterlijk op 31 december 1997 voorschriften opstelt die de tenuitvoerlegging van de betrokken mededingingsregels mogelijk maken.
Alle bepalingen van onderhavig hoofdstuk II zijn vrijwel identiek aan de dienovereenkomstige bepalingen in de Europa-akkoorden met de Visegrad-landen (Kamerstukken II 1991/92, 22 707, nr. 3, blz 22–25) en Roemenië en Bulgarije (Kamerstukken II 1993/94, 23 559, nr. 3, blz 16).
HOOFDSTUK III HARMONISATIE VAN WETGEVING (Estland artikelen 68–70; Letland en Litouwen artikelen 69–71)
Door de Europese Raden van Kopenhagen (juni 1993), Essen (december 1994), Cannes (juni 1995) en Madrid (december 1995) is het belang van harmonisatie van wetgeving nogmaals onderstreept. Toetreding van de landen van Midden- en Oost Europa tot de Europese Unie veronderstelt dat zij in staat zijn het volledige acquis communautaire over te nemen en toe te passen. Dit stelt de geassocieerde landen voor een zeer omvangrijke taak om hun bestaande wetgeving aan de Europese regels aan te passen.
Om de Midden- en Oosteuropese partners te begeleiden bij het ingewikkelde proces van aanpassing van hun wetgeving aan de wetgeving van de Interne Markt presenteerde de Commissie tijdens de Europese top van Cannes (26–27 juni 1995) het Witboek voor de geassocieerde landen van Midden- en Oost-Europa inzake harmonisatie van wetgeving op het gebied van de Interne Markt. Het Witboek geeft voor een drieëntwintigtal beleidsterreinen aan welke maatregelen, met prioriteit, de overheden van de geassocieerde landen zouden moeten nemen.
De Europese Commissie en de lid-staten van de Unie zullen de landen met een Europa-akkoord permanent ondersteunen bij de harmonisatie van wetgeving. Dit zal voornamelijk geschieden via het PHARE-programma en de bilaterale hulpprogramma's van de lid-staten. Deze ondersteuning bestaat onder andere uit het opleiden van kaderpersoneel van de geassocieerde landen op het gebied van de communautaire wetgeving.
In artikel 68 (Letland en Litouwen artikel 69) is een inspanningsverplichting opgenomen waarin de drie landen toezeggen hun nationale wetgeving geleidelijk in overeenstemming te brengen met die van de Gemeenschap. In artikel 69 (Letland en Litouwen artikel 70) wordt, niet limitatief, een aantal terreinen van harmonisatie van wetgeving opgesomd.
TITEL VI ECONOMISCHE SAMENWERKING (ESTLAND ARTIKELEN 71–99; LETLAND ARTIKELEN 72–100; LITOUWEN ARTIKELEN 72–101)
Ook de onderhavige titel wijkt in essentie niet af van hetgeen is overeengekomen in de eerder gesloten Europa-akkoorden. De opsomming van de verschillende terreinen van samenwerking is niet limitatief. Voor een belangrijk deel voorziet deze samenwerking ook in de verlening van technische assistentie via het PHARE-programma van de EG (zie Estland artikel 103, Letland artikel 104, Litouwen artikel 105).
Gewezen wordt nog op de samenhang van de in de Europa-akkoorden gebruikelijke artikelen 88 (witwassen van geld), artikel 95 (samenwerking op douanegebied) en 99 (samenwerking op het terrein van drugs) van het verdrag met Estland. Het in artikel 95 genoemde protocol V bevat een nadere regeling van de administratieve bijstand in douanezaken. Op het gebied van de voorkoming van illegale activiteiten en van de drugsbestrijding zijn, naast het bepaalde in dit artikel en in protocol V, specifieke regelingen in Titel VII en artikel 99 getroffen.
In artikel 99 wordt voorzien in de gebruikelijke samenwerking op het terrein van drugs, die ertoe dient de illegale drugshandel te bestrijden en de drugspreventie te bevorderen. De samenwerking voorziet in technische en administratieve bijstand. Ook de reeds gesloten Europa-akkoorden kennen een dergelijke bepaling, zij het dat in de onderhavige overeenkomst met Estland ook preventiebevordering en terugdringing van de vraag worden genoemd als doelstellingen van de samenwerking.
Het bovenstaande met betrekking tot Estland geldt tevens voor Letland (artikelen 90, 96 en 100) en Litouwen (artikelen 90, 97 en 101).
TITEL VII SAMENWERKING OP HET GEBIED VAN VOORKOMING VAN ILLEGALE ACTIVITEITEN (ESTLAND ARTIKEL 100; LETLAND ARTIKEL 101; LITOUWEN ARTIKEL 102)
Artikel 100 geeft een juridische basis voor samenwerking van de partijen op het gebied van voorkoming van illegale activiteiten (onder andere corruptie, georganiseerde misdaad, mensensmokkel). De samenwerking richt zich – net als bij de samenwerking op het terrein van drugs – op technische en administratieve bijstand.
Een dergelijk artikel ontbreekt in eerdere Europa-akkoorden. Het precedent voor dit artikel is te vinden in de op 24 juni 1994 te Korfoe gesloten Partnerschaps- en Samenwerkingsovereenkomst tussen de EG en haar lid-staten enerzijds en de Russische Federatie anderzijds.
TITEL VIII CULTURELE SAMENWERKING (ESTLAND ARTIKEL 101; LETLAND ARTIKEL 102; LITOUWEN ARTIKEL 103)
De doelstellingen vervat in deze titel zijn identiek aan de overeenkomstige titel in de eerder gesloten Europa-akkoorden. In beginsel wordt bij de culturele samenwerking gedacht aan vertalingen van literaire werken, conservatie en restauratie van historische en culturele monumenten alsmede de organisatie van Europees getinte culturele evenementen. Ook in deze drie akkoorden wordt de mogelijkheid gecreëerd de bestaande culturele samenwerkingsprogramma's van de EG en/of de lid-staten tot de betreffende geassocieerde landen uit te breiden.
TITEL IX FINANCIËLE SAMENWERKING (ESTLAND ARTIKELEN 102–108; LETLAND ARTIKELEN 103–109; LITOUWEN ARTIKELEN 104–110)
De Baltische staten ontvangen financiële steun van de EG, in de vorm van giften, via het programma PHARE. Hiervoor wordt een indicatief programma opgesteld, waarin prioriteiten worden gesteld voor de samenwerking. Tevens komen de Baltische staten in aanmerking voor EIB-leningen. Uiteraard geldt voor alle steun van de EG dat deze wordt gecoördineerd met bijdragen van andere donoren.
In uitzonderlijke gevallen kunnen de Baltische staten in aanmerking komen voor betalingsbalanssteun, echter alleen indien zij zelf door middel van succesvolle uitvoering van een IMF-programma voldoende initiatief ondernemen om hun economische situatie te verbeteren. De omvang van de EG-bijdragen voor deze betalingsbalanssteun wordt afhankelijk gesteld van de bijdragen van andere donoren.
Artikel 108 (Letland artikel 109, Litouwen artikel 110) ontbreekt in de tot nu toe gesloten Europa-akkoorden. De wens tot verdere openstelling van communautaire programma's voor de geassocieerde landen in Midden- en Oost-Europa is neergelegd in de conclusies van de Europese Raad van Kopenhagen (juni 1993). Gevolg hiervan is geweest, dat aan de op dat moment reeds bestaande Europa-akkoorden met de Visegrad-landen, Bulgarije en Roemenië «aanvullende protocollen» zijn toegevoegd, waarin na onderhandelingen met de betreffende landen de deelname aan communautaire kaderprogramma's, specifieke programma's, projecten en andere activiteiten is vastgelegd (PbEG 1995 L 317). In de onderhavige akkoorden is de inhoud van deze aanvullende protocollen meegenomen in bovengenoemde artikelen. In beginsel dragen deze landen de kosten die aan deelname zijn verbonden. Eventueel kan de EG een aanvullende financiële bijdrage verstrekken. In de PHARE-begroting is hiervoor in dat geval ruimte gereserveerd.
TITEL X INSTITUTIONELE, ALGEMENE EN SLOTBEPALINGEN (ESTLAND ARTIKELEN 109–130; LETLAND ARTIKELEN 110–131; LITOUWEN ARTIKELEN 111–132)
De artikelen onder deze titel zijn voor alle drie de akkoorden identiek. Tevens zijn zij gelijkluidend aan de artikelen onder de overeenkomstige titel van de eerdere Europa-akkoorden. Een van de belangrijkste elementen hieruit is de instelling van een Associatieraad, een Associatiecomité en een Parlementaire Associatiecomité. De Associatie-Raad (op ministerieel niveau) zal toezien op de tenuitvoerlegging van het akkoord en zal worden bijgestaan door het Associatiecomité; beide organen bezitten tevens de bevoegdheid de in de Europa-akkoorden voorziene besluiten te nemen. Voor wat ons land betreft, is deze bevoegdheid aan te merken als vallend onder artikel 92 van de Grondwet. Het Parlementaire Comité zal bestaan uit leden van het Europese Parlement en van het Estse, respectievelijk Letse en Litouwse Parlement; het kan de Associatieraad verzoeken om alle mogelijke informatie over de tenuitvoerlegging van het Europa-akkoord en aanbevelingen doen aan de Raad. Andere belangrijke bepalingen onder deze titel betreffen de geschillenbeslechtingsprocedure, de bescherming van essentiële veiligheidsbelangen, een territoriale clausule, de authentieke versies van de akkoorden, de status van de bijlagen en protocollen, alsmede een non-discriminatieclausule. Voor een verdere toelichting zij verwezen naar de memorie van toelichting bij de eerdere Europa-akkoorden (Kamerstukken II 1991/92, 22 707, nr. 3, blz 34–36; Kamerstukken II 1993/94, 23 559, nr. 3, blz 18–19).
Artikel 122 (Letland artikel 123; Litouwen artikel 124)
De opschortingsclausule in onderhavige akkoorden is identiek aan de opschortingsclausule in de akkoorden met Roemenië en Bulgarije. Belangrijk verschil met de eerste Europa-akkoorden met Polen en Hongarije is dat het tweede lid van dit artikel het mogelijk maakt in speciaal dringende gevallen af te zien van de gebruikelijke consultatieprocedure wanneer de andere partij een wezenlijke verplichting van het verdrag niet is nagekomen. In combinatie met artikel 2 biedt deze formulering de mogelijkheid tot onmiddellijke opschorting van het verdrag in geval van ernstige mensenrechtenschendingen.
Evenals de eerdere Europa-akkoorden, zullen de onderhavige Europa-akkoorden, voor wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, alleen voor Nederland gelden.
De Minister van Buitenlandse Zaken,
H. A. F. M. O. van Mierlo
De Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken,
M. Patijn
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-25043-1.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.