25 006
Emancipatiebeleid 1997

nr. 7
BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 29 november 1996

In de Beleidsbrief Emancipatie die ik u deze zomer heb aangeboden, heb ik u toegezegd te zullen rapporteren over de selectie van een aantal beleidsonderwerpen, waarop de emancipatie-effectrapportage kan worden toegepast. Hierbij ontvangt u deze informatie.

Tevens informeer ik u over enkele andere voornemens met betrekking tot dit beleidsinstrument. U kunt deze informatie beschouwen als mijn agenda voor de korte termijn voor dit onderwerp.

De methode emancipatie-effectrapportage (EER)

De emancipatie-effectrapportage is een methode met behulp waarvan beleidsvoornemens vooraf (dus voordat zij worden uitgevoerd) getoetst kunnen worden op te verwachten ongewenste (neven)effecten op emancipatieprocessen. Goede toepassing van het instrument levert verfijnd inzicht op, ook in mogelijke indirecte effecten van beleid die op het eerste gezicht niet opvallen. In mijn Beleidsbrief heb ik dit het «ongezien onderscheid naar sekse» genoemd. De EER kan dus worden beschouwd als een kwaliteitsinstrument bij de ontwikkeling van beleid.

De methode bestaat uit een stappenplan, inhoudende acht vragen, aan de hand waarvan men een beleidsvoornemen systematisch kan doorlichten op de aanwezigheid van elementen die een (on)gunstig effect zullen hebben op de sekseverhoudingen.

Optimaal resultaat van de toepassing van de EER is afhankelijk van diverse factoren. Ik span mij, samen met andere betrokken bewindslieden, in om uit concrete ervaring met dit instrument inzicht te putten in die succesfactoren. Daarbij staat ook de vraag open, in hoeverre het instrument zelf verder kan worden verbeterd.

Beleidsonderwerpen

Voor de korte termijn staan de hierna genoemde onderwerpen voor een EER genoteerd. Daarbij merk ik op dat interdepartementaal overleg over eventuele andere onderwerpen nog gaande is en met name de financiering voor een aantal onderwerpen nog de gebruikelijke procedures moet doorlopen.

Op mijn eigen terrein gaat het om

– de Arbeidstijdenwet (art. 4.1), en

– het activeringsbeleid in het kader van de Algemene Bijstandswet.

Op het terrein van mijn collega van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen betreft het

– de bekostigingssystematiek in het BVE-veld.

Op dat van mijn collega van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij

– de herijking landinrichting.

Ter toelichting het volgende.

De Arbeidstijdenwet heeft enerzijds ten doel werknemers te beschermen, anderzijds beoogt de Wet de mogelijkheden voor werknemers te verruimen om arbeid te kunnen combineren met zorg of andere verantwoordelijkheden die zij buiten de arbeid hebben. Met deze laatste doelstelling wil het kabinet aangeven dat bij het organiseren van werk een relatie moet worden gelegd met moderne ontwikkelingen in de maatschappij. In artikel 4.1 van de Arbeidstijdenwet zijn beide doelstellingen nader verankerd; zij vormen de basis van iedere werktijdenregeling die tot stand wordt gebracht. Hoe de werkgever dit uitwerkt moet hij in een document kenbaar maken.

De Wet treedt per 1 januari 1997 volledig in werking, en zal binnen 5 jaar worden geëvalueerd. Het is de bedoeling om met behulp van de emancipatie-effectrapportage de zorgdoelstelling in de Arbeidstijdenwet in beeld te brengen. Het resultaat kan dienen als voorbereiding voor een goede evaluatie van de gevolgen van de Wet voor de positie van werknemers met zorgtaken.

In de nieuwe Algemene Bijstandswet die per 1 januari 1996 in werking is getreden, is een sterk accent gelegd op de activerende werking van de bijstand, vanwege de noodzaak om de langdurige werkloosheid terug te dringen. De verantwoordelijkheid voor het activeringsbeleid in het kader van de nieuwe Algemene Bijstandswet ligt bij de gemeenten. Zij moeten, krachtens artikel 118 van deze Wet, bevorderen dat de bijstandsgerechtigde gebruik maakt van de voorzieningen die direct dan wel indirect bijdragen aan de zelfstandige bestaansvoorziening; zij moeten dan ook zorgen voor een zo goed mogelijke toegankelijkheid van die voorzieningen. Hun beleidsvoornemens op dit gebied moeten zij neerleggen in een beleidsplan en gemeentelijke verordeningen.

De EER zal worden uitgevoerd op een selectie van gemeentelijke beleidsplannen die zij in het kader van art. 118 ABW opstellen. Het resultaat kan dienen als voorbereiding voor het goed inrichten van de bijstandsmonitor met behulp waarvan de ontwikkelingen op het gebied van de bijstand kunnen worden gevolgd, mede met het oog op de evaluatie van de nABW.

De bekostigingssystematiek in het BVE-veld maakt deel uit van het beleid ter uitvoering van de Wet Educatie en Beroepsonderwijs (WEB). Deze Wet beoogt meer samenhang te brengen in alle vormen van secundair beroepsonderwijs en volwasseneneducatie. De herziening van het bestel, die met de WEB wordt beoogd, heeft onder meer tot doel de aansluiting tussen beroepsonderwijs en arbeidsmarkt te verbeteren. Om de kwaliteit van het onderwijs te vergroten wordt er gewerkt aan een nieuw systeem van kwaliteitszorg en een bekostigingsmodel dat het leveren van prestaties bevordert. Het is de bedoeling dat de bekostiging per 1 januari 2000 wordt gebaseerd op het aantal deelnemers en de geleverde prestaties van die deelnemers in de vorm van diploma's. Instellingen worden gestimuleerd deelnemers op een zo efficiënt mogelijke manier naar het einddiploma te leiden.

De EER zal worden toegepast op de Notitie «Bekostigingsmodel Beroepsonderwijs 2000».

Landinrichting is geschikt om beleidsdoelen voor de fysieke omgeving te realiseren en daarbij actief bij te dragen aan de inrichting van het landelijk gebied, inclusief de gewenste dynamiek. Wanneer aanpassingen nodig zijn wordt gesproken van «herijking landinrichting». Uiteindelijk moet de herijking leiden tot een instrumentarium waarmee de inrichting van het landelijk gebied doeltreffend en efficiënt in overeenstemming kan worden gebracht met het gewenste gebruik ervan. In de LNV-nota Dynamiek en Vernieuwing worden daarvoor genoemd: verbreding van het instrumentarium in de richting van gebiedsgericht beleid, milieu- en waterbeleid en plattelandsvernieuwing; flexibiliteit naar vormen en typen van landinrichting alsmede bekorting van procedures; en experimenten met nieuwe vormen van landinrichting. De komende tijd zal nader worden bepaald in welke fase een EER op dit onderwerp zal worden toegepast.

Ik ben voornemens bij al deze onderzoeken zowel de opbrengst voor de beleidsterreinen zelf als de lering voor de toepasbaarheid van het instrument te verzamelen en te evalueren.

Samenwerking met de VNG

In het samenwerkingsproject met de VNG rond het project dat erop is gericht om een voor gemeentelijk niveau toepasbare EER-aanpak te ontwikkelen, is de behoefte ontstaan aan een gezamenlijke werkconferentie over de EER voor bestuurders, ambtenaren en vakdeskundigen op de diverse bestuurlijke niveaus, die bij organisatie en uitvoering van de EER zijn betrokken.

Ook met het IPO en de provincies worden contacten hierover gelegd.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

A. P. W. Melkert

Naar boven