Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1996-1997 | 25006 nr. 5 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1996-1997 | 25006 nr. 5 |
Vastgesteld 22 november 1996
De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid1, heeft over de Beleidsbrief Emancipatie en de daarbijbehorende bijlage Beijing Nu en toekomst (kamerstuk 25 006) de navolgende vragen ter beantwoording aan de regering voorgelegd. Deze vragen, alsmede de daarop op 22 november 1996 gegeven antwoorden, zijn hieronder afgedrukt.
Kan de Kamer vóór de mondelinge behandeling van de regering vernemen hoe zij denkt taak en functie van de Emancipatieraad te kunnen bewaren? (algemeen).
Op 7 maart 1994 heeft de Emancipatieraad zijn advies «Met het oog op mei 1997» uitgebracht. Op 14 april 1994 hebben Staatssecretaris Wallage en Minister Van Thijn u laten weten, dat het kabinet het advies van de Raad waardevol vindt en een wezenlijke bijdrage aan de besluitvorming inzake de toekomstige emancipatie-advisering.
De drie belangrijkste aanbevelingen van de Emancipatieraad zijn:
– emancipatie-advisering is een reguliere taak van elk adviesorgaan;
– deelname van voldoende vrouwen aan de externe adviesorganen dient verzekerd te zijn;
– ondersteuning van deze integratie van emancipatie-advisering middels een Expertcentrum Emancipatie.
Via de instelling van de nieuwe adviesraden is de basis gelegd voor het voldoen aan de eerste aanbeveling. Voor wat betreft de tweede aanbeveling: zie het antwoord op vraag 20. Aan de derde aanbeveling wil het kabinet tegemoet komen door middel van de vernieuwing van de emancipatie-ondersteuningsstructuur. In mijn brief d.d. 27 september 1996 (DCE/96/1060) heb ik u geïnformeerd, dat ik een projectgroep heb geïnstalleerd, die tot taak heeft daartoe een voorstel op hoofdlijnen te maken, dat vorm geeft aan de bundeling van taken en functies van de toekomstige emancipatie-ondersteuningsstructuur (zie mijn brief aan uw kamer van 24 juni jl.).
De projectgroep brengt zeer binnenkort advies aan mij uit. Kort daarna zal ik uw kamer berichten over de concretisering van mijn voornemen tot vormgeving van de nieuwe emancipatie-ondersteuningsstructuur.
In mijn brief van 27 september jl. geef ik ook aan dat de projectgroep bij haar werk en advisering de resultaten uit de door mij gevoerde overleggen, evenals de diverse voorstellen die zijn ingediend, zal betrekken. Zo ook de door de Emancipatieraad zelf uitgebrachte adviezen.
Waarom wordt geen aandacht besteed aan het opheffen van de Emancipatieraad per 1-5-97? (algemeen).
Om het werk van de door mij ingestelde «projectgroep vernieuwing van de emancipatie-ondersteuningsstructuur» niet te doorkruisen heb ik er voor gekozen om in de Beleidsbrief Emancipatiebeleid geen nadere voorstellen te doen. Het spreekt vanzelf dat daaraan in de uiteindelijke beleidsvoorstellen wel de nodige aandacht zal worden besteed.
Over deze procedure heb ik uw Kamer via mijn brieven d.d. 24 juni jl. en 27 september jl. nader geïnformeerd. In mijn brief d.d. 24 juni jl. heb ik wel reeds melding gemaakt van de financiële consequenties van het verdwijnen van de Emancipatieraad per mei 1997 door te stellen dat «gelet op de thans binnen afzienbare tijd aflopende termijnen van een aantal subsidies aan instellingen en gelet op de noodzaak om de middelen, tot mei 1997 beschikbaar voor het werk van de Emancipatieraad, structureel beschikbaar te houden voor het emancipatiebeleid, heeft het kabinet gestreefd naar een samenhangende beoordeling van de meest gewenste wijze van toekomstige subsidiëring. Uitgangspunt daarbij is handhaving van de budgettaire ruimte in de meerjarenramingen op de begroting van SZW, bestemd voor het emancipatiebeleid.»
Hoe staat het met de plannen om naast een Emancipatie-ondersteuningsstructuur een Expertise centrum Vrouwenemancipatie op te richten, waarin de informatie en expertise van de huidige Emancipatieraad bewaard zouden blijven? (algemeen).
In mijn brief van 27 september jl. geef ik ook aan dat de «projectgroep vernieuwing emancipatie-ondersteuningsstructuur» bij haar werk en advisering de resultaten uit de door mij gevoerde overleggen, evenals de diverse voorstellen die zijn ingediend, zal betrekken. Zo ook de door de Emancipatieraad in 1994 en 1996 uitgebrachte adviezen.
Om welke maatschappelijke organisaties gaat het, als gesproken wordt van «maatschappelijke organisaties, bedrijfsleven en andere overheden»? (blz. 4).
Het emancipatiebeleid is niet uitsluitend een zaak van de rijksoverheid. De rol van de overheid is om de emancipatieprocessen die zich in de samenleving voltrekken te ondersteunen en te versterken. Bedrijven en maatschappelijke organisaties op tal van terreinen dienen eveneens hun verantwoordelijkheid in deze te nemen. Hierbij kan gedacht worden aan de sociale partners, politieke partijen, beroepsverenigingen en andere intermediairen, bijvoorbeeld op het terrein van onderwijs, gezondheidszorg, arbeid, ruimtelijke ordening, internationale samenwerking enzovoort.
Wordt uit onderzoek, waaruit blijkt dat «steeds meer mensen die herverdeling wel willen», ook duidelijk hoe jongeren hier tegenover staan? (blz. 7).
Uit onderzoek blijkt dat jongeren meer dan gemiddeld voorstander zijn van een gelijke verdeling van taken van mannen en vrouwen. De voormalige Raad voor het Jeugdbeleid baseerde zijn adviezen mede daarom op een toekomstperspectief bestaande uit actieve deelname aan zorg thuis naast school of werk (Sociaal talent in zicht: een advies over de bevordering van maatschappelijke zelfstandigheid van jongens en meisjes, 1995).
Wel is de praktijk weerbarstiger dan de leer: meisjes anticiperen op een dubbel toekomstperspectief, bijvoorbeeld door een beroep te kiezen waarin betaalde arbeid met zorgtaken gecombineerd kan worden; bij de beroepskeuze en loopbaanplanning van jongens speelt dit aspect nog nauwelijks een rol.
Hoe denkt de coördinerend minister te bevorderen dat in de komende jaren de beoogde integratie van de emancipatiebeleidsdoelstellingen wel gerealiseerd wordt? (blz. 9).
De integratie van de emancipatiedoelstellingen moet in een vroeg stadium van de beleidsontwikkeling plaatsvinden. Enerzijds kan dit worden bevorderd door een aantal het enge vakdepartementale beleidsterrein overstijgende thema's en activiteiten centraal te stellen in het programma, zoals aangegeven in de Beleidsbrief 1997. Anderzijds wordt er naar gestreefd mogelijkheden (beter) te benutten, die in instrumentele zin een versterkte integratie kunnen helpen bevorderen, zoals: monitoring, deskundigheidsbevordering, versterking van de consultrol van DCE en de emancipatie-effectrapportage.
De integratie van emancipatiedoelstellingen zal bovendien – uiteraard binnen een vaak bredere afweging van belangen – in concrete beleidsmaatregelen gestalte moeten krijgen. De versterking van de interdepartementale contacten en het instellen van interdepartementale commissies rond emancipatierelevante onderwerpen – ook in de fase van de uitvoering van beleid – kunnen hieraan dienstbaar zijn.
Welke bedrijven hebben zich tot nu toe aangemeld of hebben belangstelling getoond voor Opportunity? (blz. 10).
Vanuit het bedrijfsleven is er goede belangstelling voor Opportunity in Bedrijf. De stuurgroep die het initiatief trekt bestaat uit 23 personen uit de top van het bedrijfsleven en non-profitorganisaties (waaronder bijvoorbeeld Unilever, Akzo, KLM, ANWB, KPMG, ABN-Amro, Philips,Universiteit van Limburg, Academisch Ziekenhuis Utrecht en Ministerie van VROM). Ook werknemers- en werkgeversorganisaties (AWV, MKB, en FNV) zijn vertegenwoordigd in de stuurgroep. Op dit moment hebben zich 60 bedrijven als deelnemer bij Opportunity in Bedrijf aangesloten, waaronder zowel grote toonaangevende bedrijven (zie genoemde voorbeelden), MKB-bedrijven als ministeries en non-profit organisaties.
Wat zijn de laatste ontwikkelingen in het Kalanke-arrest? (blz. 10).
Op 21 december 1995 zond ik u, mede namens mijn ambtgenoten van Binnenlandse Zaken, Justitie en Buitenlandse Zaken en de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, mevrouw Netelenbos, een notitie waarin werd ingegaan op de vraag of de uitspraak d.d. 17 oktober 1995 van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in de zaak C-450/93 (Kalanke-Bremen) consequenties heeft voor de desbetreffende Nederlandse wetgeving en de uitvoering daarvan. Deze notitie (TK 1995–1996, 24 564, nr. 1) was één van de voorwerpen van bespreking in een algemeen overleg op 8 februari 1996.
De notitie had als voornaamste conclusie dat er geen aanleiding bestond tot aanpassing van de Nederlandse wetgeving en de op basis daarvan voorgestane uitvoeringspraktijk. De notitie eindigde met de mededeling dat de Europese Commissie een studie had geëntameerd naar de consequenties van de Kalanke-uitspraak; aan de Kamer werd daarom toegezegd dat zij nader zou worden geïnformeerd indien deze studie, of nadere jurisprudentie van het Hof, zou leiden tot een uitkomst die in belangrijke mate afwijkt van de Nederlandse interpretatie.
Sedertdien heeft de Europese Commissie op 27 maart 1996 een Mededeling gedaan aan het Europees Parlement en de Raad over de interpretatie van het Kalanke-arrest. In deze Mededeling interpreteerde de Europese Commissie het Kalanke-arrest aldus, dat het Hof alleen een bijzonder aspect van de Bremer wet heeft veroordeeld, namelijk het automatisme van de maatregel, die vrouwen een absoluut en onvoorwaardelijk recht op aanstelling of promotie verleent. De Commissie stelde zich daarom op het standpunt, dat alleen volstrekt starre quotaregelingen die geen mogelijkheid bieden om rekening te houden met individuele omstandigheden, onwettig zijn. Volgens de Commissie staat het Lid-Staten en de werkgevers dus vrij alle andere vormen van positieve actie te gebruiken, met inbegrip van flexibele quota.
Aansluitend hierop heeft de Commissie de wens uitgesproken, dat de controverses, waartoe de Kalanke-zaak aanleiding heeft gegeven, worden beëindigd. Zij beëindigde haar mededeling aldus: «Ofschoon het effect van het arrest, zo dit juist wordt uitgelegd, beperkt is, acht de Commissie het nuttig artikel 2, lid 4 van de Richtlijn 76/207/EEG zodanig te wijzigen, dat de tekst van de bepaling precies die soorten positieve actie toestaat die het arrest-Kalanke ongemoeid laat. Een dergelijke interpretatieve wijziging zou duidelijk maken, dat de maatregelen van positieve actie die geen starre quota bevatten, volgens het Gemeenschapsrecht zijn toegestaan en zou ervoor zorgen dat de tekst van de richtlijn de werkelijke rechtstoestand, zoals die uit het arrest van het Hof blijkt, duidelijker weergeeft.
De Commissie zal derhalve een voorstel doen tot wijziging van artikel 2, lid 4, van de Richtlijn 76/207/EEG, volgens hetwelk de met deze bepaling beoogde maatregelen acties omvatten die aanwerving of promotie van leden van een bepaald geslacht bevorderen in omstandigheden waarin dit geslacht is ondervertegenwoordigd, mits de werkgever steeds de mogelijkheid heeft met de bijzondere omstandigheden van een bepaald geval rekening te houden».
Aansluitend op deze Mededeling heeft de Commissie in mei 1996 aan de Raad een voorstel tot wijziging van de betreffende richtlijn gedaan, dat thans voorwerp van bespreking is in de Raadswerkgroep Sociale Vraagstukken. Zoals reeds aan de Kamer is gemeld in antwoord op schriftelijke vragen d.d. 24 april 1996 van het lid Oedayraj Singh Varma over gelijke behandeling van mannen en vrouwen zijn voor de inbreng van de Nederlandse delegatie in deze Raadswerkgroep richtinggevend de Nederlandse interpretatie van het Kalanke-arrest en de daarmee overeenstemmende invulling van het voorkeursbeleid, zoals neergelegd in de eerdervermelde, op 21 december 1995 aan de Kamer toegezonden notitie. Inmiddels ligt er opnieuw bij het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen een zaak voor over voorkeursbeleid (de zaak Marschall), die mogelijk meer duidelijkheid zal bieden over de juiste uitleg van het Kalanke-arrest.
Mede in het licht hiervan zal de regering haar standpunt in de vervolgdiscussie in het kader van de Sociale Raad nader bepalen.
Om welke communicatieprojecten gaat het? Hoe zijn ze opgesteld en door wie of welke organisaties zullen ze worden uitgevoerd? (blz. 11).
Publiciteit, voorlichting en communicatie nemen een belangrijke plaats in in de verschillende projecten zoals genoemd in de nota «Emancipatie in Uitvoering» en de Beleidsbrief Emancipatie. Dit is met name het geval voor het werk van de Commissie Dagindeling, die mede tot taak heeft om een publieke discussie over het onderwerp te entameren. De campagne Opportunity in Bedrijf wordt publicitair ondersteund door specialisten uit de public-relationswereld met het oog op een zo groot mogelijk bereik van de campagne bij bedrijven en instellingen. In het kader van het Nederlands voorzitterschap van de Europese Unie wordt op dit moment een Engelstalige brochure over het emancipatiebeleid vervaardigd ten behoeve van internationale verspreiding.
In het voorjaar van 1997 verschijnt het eerste Jaarboek Emancipatie. Dit Jaarboek bevat praktische informatie (o.a. statistieken) over de stand van het emancipatieproces, alsmede artikelen over voor het emancipatiebeleid relevante ontwikkelingen.
Het ministerie van SZW geeft verder vijf keer per jaar het voorlichtingsblad Op Gelijke Voet uit. Dit geeft informatie over het emancipatiebeleid van de rijksoverheid (interdepartementaal en departementaal).
Welke organisaties staan de regering voor ogen met betrekking tot het subsidie-instrument? Wanneer verschijnt de nieuwe handleiding voor subsidiëring door DCE? (blz. 11).
Uitgangspunten die gekozen zijn in de nota «Emancipatie in Uitvoering» en de «Beleidsbrief Emancipatie» worden in 1997 vertaald in het subsidieinstrument. De resultaten van de vernieuwing van de emancipatie-ondersteuningsstructuur zullen daarin uiteraard worden meegenomen.
Thans gelden nog de uitgangspunten van de «Beleidsnota emancipatie-ondersteuningsbeleid», die in 1989 aan de Tweede Kamer werd aangeboden (Tweede Kamer, 1989–1990, 21 361, nr. 1) en de mede hierop gebaseerde handleiding voor subsidiëring (de emancipatie-subsidiegids).
Ik zal uw Kamer van de voortgang op de hoogte houden. Streven is om de hoofdlijnen mee te nemen bij de begroting voor 1998. Daarna zal op basis daarvan een nieuwe subsidiegids worden geproduceerd.
Vooralsnog zullen de hoofdlijnen van het huidige beleid in 1997 worden voortgezet (zie ook begroting hoofdstuk 15-SZW-artikel 15.02).
Welke (coördinerende) invloed kan de minister van emancipatie uitoefenen op het departementale subsidiebeleid voor emancipatie? (blz. 12).
De primaire verantwoordelijkheid voor het emancipatie-subsidiebeleid van de departementen berust bij de vakministers. De coördinerend minister kan (en zal) zijn collega's daarbij natuurlijk wel bilateraal van advies dienen.
Een meermaals gehanteerde methode om vakdepartementen te stimuleren om emancipatieactiviteiten te subsidiëren, is medefinanciering door SZW. Als voorbeelden kunnen worden genoemd de campagne Opportunity in Bedrijf (financiering EZ en SZW), project informatiepunt emancipatie van de VNG (financiering VNG, BiZa en SZW), Toplink (financiering BiZa en SZW) en Bureau Beeldvorming (financiering OC&W en SZW).
De hoofdlijnen van het subsidiebeleid zijn neergelegd in de nota «Emancipatie-ondersteuningsbeleid» uit 1989. In 1997 zullen deze hoofdlijnen worden herzien in het kader van de vernieuwing van de emancipatie-ondersteuningsstructuur. Deze zullen mede worden voorbereid in de Interdepartementale Coördinatiecommissie Emancipatiebeleid.
Kan de Kamer in het bezit komen van zowel de verslagen van de ter voorbereiding van de Beleidsbrief gehouden bijeenkomsten in de Balie als de voorbereidingsnotities van J. Bussemaker en M. de Vries over de uitgangspunten en het instrumentarium? (blz. 12).
De gevraagde verslagen zullen de Kamer binnenkort worden toegezonden. Tevens zal ik u spoedig de publicatie doen toekomen die gemaakt wordt door mw. Bussemaker op basis van de genoemde voorbereidingsnotities.
Is de constatering in de nota Emancipatie in uitvoering dat het maatschappelijk klimaat en de opvattingen over de positie van vrouwen aanzienlijk zijn veranderd, niet in tegenspraak met het gestelde op blz. 17, waar wordt gesteld dat de ongelijkheid tussen (verschillende groepen) mannen en vrouwen hardnekkig complex en subtiel blijkt? (blz. 17).
Hoewel de mening breed wordt gedeeld dat mannen en vrouwen arbeid en zorg moeten kunnen delen, blijken er in de praktijk vele belemmeringen te bestaan om deze gewenste combineerbaarheid de facto te realiseren. De opvatting over de positie van de vrouw is dus gewijzigd, maar alle voorwaarden voor een geëmancipeerde praktijk zijn nog niet vervuld. Zo is de beperkte capaciteit aan (buitenschoolse) opvang voor menige vrouw nog steeds een reden om tijdelijk of permanent met werken te stoppen.
Wat is de betekenis van «waar mogelijk» in de zinsnede «(w)aar mogelijk worden beleidsambtenaren via het reguliere cursusaanbod op de hoogte gebracht van de processen en mechanismen die hierbij een rol spelen»? (blz. 19).
Het bereiken van een grotere gevoeligheid voor de impliciete werking van het «ongezien onderscheid naar sekse» vergt kennis van de vernieuwende (wetenschappelijke) inzichten op dit terrein. Overdracht van deze kennis zal worden bevorderd door de ontwikkeling van (modellen voor) workshops en cursusmodulen die naar behoefte kunnen worden aangeboden aan (groepen) beleidsambtenaren binnen de rijksdienst. Verondersteld wordt echter dat een nog groter effect kan worden bereikt door integratie van deze kennis in het reguliere opleidingsaanbod voor beleidsambtenaren. Daarbij zal uiteraard in de eerste plaats gezocht moeten worden naar dat opleidingsaanbod waarbij dit thema inhoudelijk aansluit. Voorts zal met de aanbieders van die opleiding(en) overeenstemming moeten worden bereikt over de integratie daarin van kennis omtrent processen en mechanismen die leiden tot het «ongezien onderscheid naar sekse».
Zou het niet passend zijn om de conclusies van de projectgroep Herverdeling Onbetaalde Arbeid te betrekken bij de opdracht aan de Commissie Dagindeling van de Samenleving? (blz. 20).
Het eindadvies van de projectgroep Herverdeling Onbetaalde Arbeid behoort tot het basismateriaal waarmee de Commissie Dagindeling aan het werk is gegaan, evenals het rapport van de Commissie Toekomstscenario's, «Onbetaalde zorg gelijk verdeeld».
De Commissie Dagindeling heeft als opdracht, onder meer, het ontwikkelen van creatieve en praktische oplossingen voor de afstemming van de tijden voor betaalde arbeid, onderwijs, kinder- en buitenschoolse opvang, winkels en openbare diensten, (openbare) vervoersmogelijkheden en de afstand tot/bereikbaarheid van voorzieningen, waardoor betaalde arbeid en zorgtaken makkelijker kunnen worden gecombineerd.
De projectgroep adviseerde over de herverdeling van betaalde en onbetaalde arbeid, terwijl de Commissie Toekomstscenario's zich richtte op de hiervoor benodigde voorzieningen.
Het eindadvies van de projectgroep krijgt, onder andere, een vervolg in de strategische werkconferenties, in de nota Zorg voor economische zelfstandigheid, en in de samenwerking met het CBS om de onbetaalde zorgarbeid tot uitdrukking te brengen in het kader van tijdsbestedingsonderzoek en nationale rekeningen.
Wanneer vindt de eerste strategische werkconferentie plaats als impuls voor het proces van herverdeling van betaalde en onbetaalde arbeid? Welke organisaties zullen worden uitgenodigd en wat is het concrete gespreksthema? (blz. 23).
De eerste strategische werkconferentie zal plaatsvinden op 12 december 1996. Bedrijven en instellingen uit diverse sectoren van de economie zijn hiertoe uitgenodigd, zowel uit de industriële – als uit de dienstverlenende – en overheidssector. De bedrijven die zijn geselecteerd hebben praktijkervaring in het rekening houden met de thuissituatie en de zorgtaken van werknemers.
De conferentie heeft het karakter van een werkconferentie van experts die vanuit hun ervaring in de diverse arbeidsorganisaties in staat zijn knelpunten te signaleren en ideeën te ontwikkelen voor oplossingen. Er zullen vertegenwoordigers van 6 arbeidsorganisaties aanwezig zijn. Zij zijn afkomstig uit diverse geledingen uit de arbeidsorganisatie die allen betrokken zijn bij de totstandkoming en de uitvoering van het beleid en de afspraken rondom de combinatie arbeid en zorg.
Daarnaast zijn ook vertegenwoordigers van werknemers- en werkgeversorganisaties uitgenodigd.
Het resultaat van de conferentie moet zijn een bijdrage aan de ontwikkeling van nieuwe beleidsinstrumenten voor arbeidsorganisaties en een aanzet voor een samenwerkingsproject tussen overheid en arbeidsorganisaties gericht op de ontwikkeling van sociaal beleid ten behoeve van herverdeling/combineerbaarheid.
Hoe wil de regering eraan bijdragen dat de maatschappelijke waardering voor zorg toeneemt? Worden hier projecten voor opgestart? (blz. 23).
De versterking van de maatschappelijke waardering voor zorg wordt langs verschillende lijnen opgepakt. Het gaat om stimulering van betaalde zorg én de verhoging van de status van zorg.
In het kader van verbetering van de positie en het imago van de verzorgende beroepen financiert VWS diverse projecten. Daartoe bestaat een meerjarenprogramma, gefinancierd door VWS en uitgevoerd door het Landelijk Centrum Verpleging en Verzorging, die de projecten zowel intern uitvoert als door andere organisaties laat uitvoeren. In juni 1996 heeft de door haar ingestelde Commissie Verzorging het rapport «Zorg voor Zorg» uitgebracht over het verbeteren van de positie van de verzorgenden in de zorgsector. In de reactie van Minister Borst en Staatssecretaris Terpstra op het rapport aan de Tweede Kamer bevestigen zij het belang van het versterken van het beroepsbeeld van verzorgenden.
Per 1 januari 1996 is de afdrachtsvermindering kinderopvang ingevoerd en verder is in de Nabw 85 miljoen gulden gereserveerd voor de verstrekking van kinderopvang aan alleenstaande ouders in de bijstand.
Het kabinet wil, mede door het doorbreken van beeldvorming over mannen en zorg, stimuleren dat mannen meer gebruik gaan maken van zorg- en ouderschapsverlof en dat mannen meer participeren in de onbetaalde zorg dan tot nu toe. De voortgang in het gebruik van verlof en in de zorgparticipatie van mannen zal worden gemonitored.
Om de waardering voor zorg te vergroten, is het van groot belang deze goed zichtbaar te maken. Met het CBS en het CPB wordt momenteel overleg gevoerd om onbetaalde arbeid in economische modellen en statistieken te verdisconteren.
Vergroten van de waardering voor zorg houdt ook in dat het uitbesteden van zorg beter mogelijk wordt. In het kader van de aangekondigde nota «Zorg voor economische zelfstandigheid» wordt een inventarisatie van knelpunten in de kinderopvang gemaakt.
Daarbij worden meegenomen de resultaten over de ontwikkeling van kinderopvang zoals thans in voorbereiding genomen door VWS. Het kabinet zal de mogelijkheden bekijken om beleid gericht op het verder ontwikkelen van buitenschoolse opvang in gang te zetten.
Wat voor soort projecten heeft de regering voor ogen in het kader van de verbetering van de positie en het imago van de verzorgende beroepen? Door wie of door welke organisaties zullen die projecten worden uitgevoerd? (blz. 25).
Zie antwoord vraag 17.
Kan aangegeven worden welk percentage zwarte-, migranten- en vluchtelingenvrouwen betrokken is bij respectievelijk politieke, bestuurlijke en maatschappelijke besluitvorming? (blz. 27).
In 1994 werden 72 personen van allochtone afkomst in de gemeenteraden gekozen, waarvan 14 vrouwen. Het aandeel van vrouwen op het totale aantal allochtone raadsleden komt daarmee op 19%. Van het totaal aantal gemeenteraadsleden in Nederland is nu 0,008% allochtoon; het aandeel allochtone vrouwen is 0,0016%.
Het merendeel van de allochtone vrouwelijke politici bevindt zich in de gemeenteraden, maar ook in andere organen zijn er enkele. In alle deelraden van Amsterdam en Rotterdam tezamen hebben tien allochtone vrouwen zitting (vijf namens de PvdA en vijf namens GroenLinks). Twee allochtone vrouwen zijn lid van de Provinciale Staten; één heeft zitting in de Tweede Kamer.
(Bron: R. Dissels en H. van de Velde, «Op zoek naar het zwarte schaap met vijf poten. Over allochtone vrouwen in de politiek: de stand van zaken», in: M. de Wit (red.) Politieke vernieuwing en sekse, IPP, Amsterdam, 1995, p. 166–193.)
Maatschappelijke besluitvorming
Over de vertegenwoordiging van allochtone vrouwen in besturen van landelijke maatschappelijke organisaties zijn geen systematisch bijeengebrachte gegevens beschikbaar. De projectgroep Vrouwen in Besluitvorming concludeert in zijn eindadvies dat allochtone vrouwen niet of nauwelijks deel uitmaken van deze besturen.
Wel is er iets bekend over hun aandeel in de besturen van organisaties op het terrein van het emancipatiebeleid en van het minderhedenbeleid (cijfers uit 1993). Allochtone vrouwen nemen tussen de 10 en 22% van de bestuurszetels van emancipatie-organisaties in. In besturen van instellingen en organisaties van allochtonen bedraagt dit aandeel 23%.
(Bron: M. H. Leijenaar, B. Niemöller m.m.v. A. D. W. Koster, Het maatschappelijk tekort. Vrouwen in besturen van maatschappelijke organisaties, SZW, 1994.)
Bij hoeveel, en zo mogelijk bij welke, commissies, organen en adviesraden is het inmiddels gelukt om de streefcijfers voor het aantal vrouwen te halen? (blz. 28).
Het ministerie van Binnenlandse Zaken inventariseert op dit moment de vertegenwoordiging van vrouwen in de nieuwe adviescolleges. Op dit moment bestaat nog slechts een beperkt overzicht. De Kamer zal over het aandeel van vrouwen in het nieuwe adviesstelsel worden geïnformeerd in de zesde voortgangsbrief herziening adviesstelsel, die de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken in november naar de Tweede Kamer zal sturen.
Waarom wordt gekozen voor de datum van 8 maart 1997 voor een conferentie over het aandeel van vrouwen in de politieke besluitvorming? Is er door de veelheid van activiteiten op die datum niet het risico aanwezig een deel van de doelgroep juist te missen? Is de regering van plan voor deze conferentie in contact te treden met Vrouwenbelangen, welke organisatie sinds 1985 op dit terrein veel expertise heeft opgebouwd? (blz. 28).
Er is bewust gekozen voor deze datum gezien het symbolische karakter van 8 maart als internationale vrouwendag. De conferentie vindt bovendien plaats bijna een jaar vóór de volgende gemeenteraadsverkiezingen en kan een impuls geven aan de aandacht van politieke partijen en kiezers voor de kandidaatstelling en verkiezing van vrouwelijke gemeenteraadsleden.
Voorkomen moet worden dat deze conferentie «verdrinkt» in een veelheid aan andere activiteiten. Daarom wordt gewerkt aan:
– een kwalitatief hoogwaardig programma;
– een tijdige aankondiging;
– een gericht uitnodigingenbeleid.
De doelgroep van de conferentie wordt (mede) gevormd door politici en (partij)bestuurders, die niet allen behoren tot de doelgroep van de overige 8 maart-activiteiten.
De regering is voornemens de expertise van Vrouwenbelangen, in de hoedanigheid van deelnemer aan het samenwerkingsverband Veelzijdigheid in de politiek, te betrekken in de voorbereiding van de conferentie.
Wanneer zal Nederland de volgende rapportage aan de UN Commission on the Status of Women moeten aanbieden? (blz. 32).
Volgens draft resolution «Follow-up to the Fourth World Conference on Women» (E/CN.6/1996/L.13) zal Nederland de volgende vijfjaarlijkse rapportage over de in Nederland getroffen maatregelen ter uitvoering van het Beijing Platform for Action in 1999 bij de Commission on the Status of Women moeten indienen.
Bijlage Beijing Nu en toekomst
Wie verzorgt de presentatie over de EER op de conferentie over mainstreaming in Ierland in oktober 1996? (blz. 41).
Op 7 en 8 oktober jl. vond in Dublin onder het Ierse voorzitterschap van de Europese Unie een seminar plaats dat gewijd was aan Mechanisms for mainstreaming. Van Nederlandse zijde waren twee ambtelijke vertegenwoordigers van mijn Directie Coördinatie Emancipatiebeleid aanwezig. Zij hebben het Nederlandse beleid terzake plenair en in de werkgroepen uiteengezet, inclusief de ontwikkeling en het gebruik van de EER. Nederland werd door de Raad van Europa genoemd als een van de weinige landen waar de overheid een emancipatie effect rapportage laat ontwikkelen.
Wanneer kan de Kamer een rapportage verwachten van het CBS met een antwoord op de vraag hoe het productieve aspect van onbetaalde arbeid verdisconteerd kan worden in economische modellen? (blz. 53).
Momenteel zijn gesprekken gaande met het CBS over het aanpassen van methodieken teneinde de tot nog toe veelal onzichtbare onbetaalde zorgarbeid zichtbaar te maken. Naar aanleiding hiervan zal aan uw Kamer over de voortgang worden gerapporteerd.
Wordt ook initiatief genomen om banken of andere geldschieters te stimuleren met startende vrouwelijke ondernemers in zee te gaan? (blz. 54).
Op 1 februari 1996 is het MKB-Nederland-project «Vrouwelijke ondernemers en de Bank» van start gegaan, mede gefinancierd door de ministeries van Economische Zaken en Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Het project vloeit voort uit de nota «Beleidsuitgangspunten projecten-emancipatiewerker» (Vergaderjaar 1992/1993, TK 22 800, nr. 61)
Doelstelling van het project is de beeldvorming van banken over vrouwelijke ondernemers en van vrouwelijke ondernemers over banken zo te veranderen dat de contacten over kredietverstrekking effectief verlopen. Op drie verschillende plaatsen in Nederland worden informatie-en trainingstrajecten uitgezet voor zowel bankpersoneel als voor vrouwelijke ondernemers die een krediet willen aanvragen bij een bank. Het project wordt afgesloten met een evaluatietraject over de effecten van een dergelijke aanpak.
Klopt het dat de stemming over de wetgevingsresolutie wordt uitgesteld en het verslag wordt terugverwezen naar de vrouwencommissie omdat de verantwoordelijke commissaris Flynn blijft weigeren amendementen te aanvaarden die op 17 september 1996 in het Europees Parlement zijn aangenomen? (blz. 56).
De stemming over de wetgevingsresolutie is inderdaad uitgesteld en het verslag is terugverwezen naar de vrouwencommissie, omdat de amendementen van het Europees Parlement nog niet door Commissaris Flynn zijn overgenomen. Daarom staat de wetgevingsresolutie in november weer op de agenda.
Kan uit de woorden van Commissaris Van den Broek (16 december 1995), dat een besluit over de gelijke deelname van mannen en vrouwen in de besluitvorming nog steeds niet door de Raad is goedgekeurd, worden geconcludeerd dat de Raad van de Europese Unie aankoerst op een geïntegreerde strategie ter bevordering van een evenwichtige deelname aan besluitvorming van mannen en vrouwen? (blz. 58).
Materieel is er overeenstemming over de Aanbeveling van de Raad betreffende de evenwichtige deelneming van vrouwen en mannen aan de besluitvorming. Formele besluitvorming kan binnen enkele weken plaatsvinden wanneer het parlementaire voorbehoud van één van de EU-lidstaten zal zijn weggenomen.
Kan de minister een tijdspad schetsen voor de verdere procedure rondom de Emancipatie-ondersteuningsstructuur? Blijft het rapport van Circon uitgangspunt? (blz. 60).
Zeer binnenkort verwacht ik een advies van de «projectgroep vernieuwing emancipatie-ondersteuningsstructuur» te ontvangen. Deze projectgroep zal, uitgaande van de uitgangspunten in mijn brief aan uw Kamer van 24 juni jl., bij haar werkwijze alle achterliggende stukken betrekken. Het rapport van Circon is geen onderdeel geweest van het kabinetsstandpunt, zoals in genoemde brief van 24 juni jl. aangegeven.
Kort na ontvangst van het advies van de projectgroep zal ik de Kamer berichten over de concretisering van mijn voornemen tot vormgeving van de nieuwe emancipatie-ondersteuningsstructuur. 1997 zal vervolgens een overgangsjaar zijn, waarin de uitwerking plaats zal vinden. Bij de begroting 1998 zal ik u nadere voorstellen doen over het te voeren subsidiebeleid. Met ingang van 1 januari 1998 moet de vernieuwde emancipatie-ondersteuningsstructuur vervolgens gaan functioneren.
Samenstelling: Leden: Doelman-Pel (CDA), Biesheuvel (CDA), Vliegenthart (PvdA), ondervoorzitter, De Jong (CDA), voorzitter, Scheltema-de Nie (D66), Van Middelkoop (GPV), Schimmel (D66), Rosenmöller (GroenLinks), Van Zijl (PvdA), Bijleveld-Schouten, (CDA), Middel (PvdA), Van Hoof (VVD), Noorman-den Uyl (PvdA), Vreeman (PvdA), Adelmund (PvdA), Dankers (CDA), Giskes (D66), Marijnissen (SP), Essers (VVD), Van der Stoel (VVD), Van Dijke (RPF), Bakker (D66), Klein Molekamp (VVD), Van Blerck-Woerdman (VVD), R.A Meijer (Groep Nijpels).
Plv. leden: Soutendijk-van Appeldoorn (CDA), Th.A.M. Meijer (CDA), Sterk (PvdA), Terpstra (CDA), Van Rooy (CDA), Van der Vlies (SGP), Fermina (D66), Rabbae (GroenLinks), Van der Ploeg (PvdA), Wolters (CDA), Dijksma (PvdA), M.M.H. Kamp (VVD), Kalsbeek-Jasperse (PvdA), Van Nieuwenhoven (PvdA), Apostolou (PvdA), Ten Hoopen (CDA), Van Boxtel (D66), vacature CD, J.M. de Vries (VVD), B.M. de Vries (VVD), Leerkes (U55+), Van Vliet (D66), Hofstra (VVD), Hoogervorst (VVD), R.A. Meijer (Groep Nijpels).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-25006-5.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.