nr. 34
BRIEF VAN DE MINISTER EN DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 11 juli 1997
Bij brief van 24 juni jongstleden is de vaste commissie voor Financiën
geïnformeerd over het feit dat in de Europese Raad van Ministers niet
de vereiste unanimiteit was te verkrijgen voor de goedkeuring van het
derogatieverzoek voor een accijnsteruggaveregeling voor pomphouders in de
Nederlands-Duitse grensstreek. Er is toen ook aangegeven dat werd gezocht
naar een alternatieve tegemoetkomingsregeling. De uitwerking van een dergelijke
regeling zal zodanig moeten zijn dat daarmee wordt voldaan aan de voorwaarden
gesteld voor de zogenoemde de minimis regeling van de Commissie.
Een voorwaarde voor toepassing van die regeling is onder meer dat de steun
per onderneming over een periode van drie jaar niet meer bedraagt dan maximaal
100 000 ECU. Regelingen die voldoen aan de voornoemde voorwaarden behoeven
niet te worden aangemeld en getoetst in het kader van de communautaire staatssteun.
Inmiddels is in nauw overleg met het ministerie van Economische Zaken
een tegemoetkomingsregeling ontworpen. Deze regeling zal op zeer korte termijn
in de Staatscourant worden gepubliceerd.
Om pomphouders met meer tankstations in één onderneming
tegemoet te komen, zou het de voorkeur verdienen het subsidieplafond van maximaal
100 000 ECU over drie jaar per tankstation toe te passen. Over het antwoord
op de vraag of het binnen de de minimis regelingmogelijk is de
steun per tankstation te verlenen bestaat evenwel juridisch geen eenduidigheid.
Om achteraf ernstige problemen te voorkomen moet een dergelijke regeling met
een maximaal subsidieplafond per tankstation dan ook aan de Commissie worden
voorgelegd, alvorens deze in werking kan treden. Dit zal op zeer korte termijn
geschieden. Deze procedure vergt echter tijd.
Om toch zo snel mogelijk aan de pomphouders in de oostelijke grensstreek
een tegemoetkoming te kunnen verstrekken, hebben wij er voor gekozen in de
regeling vooralsnog uit te gaan van een plafond van 100 000 ECU over
drie jaar per onderneming. Op deze wijze kan met het verstrekken van een tegemoetkoming –
met terugwerkende kracht tot en met 1 juli – van start worden
gegaan. Indien de Commissie met de regeling waarin een plafond per tankstation
is opgenomen, instemt, zal de huidige regeling dienovereenkomstig worden aangepast.
Wat betreft de inhoud van de regeling, kan kort samengevat het volgende
worden opgemerkt:
– de tegemoetkoming wordt vooralsnog per onderneming verstrekt;
– de tegemoetkoming bedraagt maximaal 100 000 ECU over een
periode van 3 jaar per onderneming; de regeling is daardoor zowel in de tijd
als in de omvang van de tegemoetkoming begrensd;
– de tegemoetkoming bedraagt 8 cent per in brandstoftanks van motorrijtuigen
afgeleverde liter benzine voor ondernemers met tankstations op een afstand
van niet meer dan 10 km van de Duitse grens en 4 cent voor ondernemers met
tankstations op meer dan 10 km doch niet meer dan 20 km van de Duitse grens;
– indien Duitsland de accijns op benzine verhoogt, wordt de tegemoetkoming
met ingang van de volgende kalendermaand verminderd met 8/11 respectievelijk
4/11 maal de tariefverhoging in Duitsland. Indien de oorspronkelijke tegemoetkoming
van 8 cent als gevolg hiervan onder de 2,5 cent komt, vervalt de regeling;
– er wordt een voorlopige tegemoetkoming verstrekt na afloop van
elke kalendermaand op basis het aantal afgeleverde liters benzine in die maand.
De ondernemer moet daarvoor een verzoek doen. Na afloop van een periode van
12 maanden wordt de definitieve tegemoetkoming over die periode vastgesteld
op basis van een door een accountant goedgekeurde eindopgave van de ondernemer;
– de regeling werkt terug tot met 1 juli 1997;
– de regeling valt onder de verantwoordelijkheid van de Minister
van Financiën.
De Minister van Financiën,
G. Zalm
De Staatssecretaris van Financiën,
W. A. F. G. Vermeend