24 728
Wijziging van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van het Ministerie van Binnenlandse Zaken (VII) voor het jaar 1996 (wijziging samenhangende met de Voorjaarsnota)

nr. 3
VERSLAG HOUDENDE EEN LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 19 juni 1996

De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken1, belast met het voorbereidend onderzoek van het onderhavige wetsvoorstel, heeft de eer van haar bevindingen verslag uit te brengen in de vorm van een lijst van vragen. De vragen en de daarop door de regering gegeven antwoorden zijn hierna afgedrukt. Met de vaststelling van dit verslag acht de commissie de openbare behandeling van het wetsvoorstel genoegzaam voorbereid.

De voorzitter van de commissie,

De Cloe

De griffier voor dit verslag,

Van Hezik

I ALGEMEEN DEEL

Investeringsimpuls

1

Kan een overzicht gegeven worden van (de grotere) gemeentelijke investeringsprojecten. Kan aangegeven worden om wat voor projecten het hier gaat? (blz. 1)

In het kader van de investeringsimpuls aardgasbaten-1992 is destijds een bedrag van ongeveer f 177 mln beschikbaar gesteld. Eind 1995 was hiervan een bedrag van ongeveer f 141 mln aan gemeenten uitgekeerd op basis van de investeringsbehoefte voor de betreffende projecten. Door vertragingen in de uitvoering van verschillende projecten dienen vanaf 1996 nog betalingen en eindafrekeningen plaats te vinden tot een bedrag van ongeveer f 36 mln, als volgt te specificeren (bedragen x f 1 000):

AmstelveenInternationale school200
AmsterdamHerstelplan Artis1 570
Aanleg T106950  
ArnhemOnderdelen Rijnoeverproject480
BredaInt. Agro Bussiness Centre3 014
Den HaagNieuw Centrum3 997
Madurodam460  
Scheveningen Bad680 
GroningenVerbindingskanaalzone2 200
HengeloNevencentrum Westermaat1 140
LeeuwardenFrieslandhal/bodecentrum2 550
LimburgStructuurweg Gracht-K7 336
NijmegenBusbanen en vervanging viaduct700
RotterdamInternationale School800
SpijkenisseOntsluiting bedrijventerrein1 895
UtrechtDuitse Huis3 750
 Lage Weide1 128
 Monumentale boogbruggen700
VeendamRail Service Centrum1 500
ZaanstadVerb.weg Zaandam-Buitenhuizen1 580
totaal 36 630

Melkert-banen

2

Wat gaat gebeuren met de «meevaller» die ontstaan is als gevolg van afdrachtskortingen? (blz. 1)

De «meevalller» ad f 29 mln die ontstaan is als gevolg van de afdrachtskortingen komt ten gunste van het generale beeld.

Reisdocumenten

3

Kan een nadere toelichting gegeven worden op de verhoogde raming met betrekking tot reisdocumenten? Waarom kon de aanleiding voor deze verhoging niet eerder verwerkt worden? Voor 1996 wordt de raming met f 16,1 miljoen verhoogd. Waarom is gekozen voor dekking door verlaging van het loonbijstellingsartikel? (blz. 1)

De verhoogde raming wordt voornamelijk verklaard door de noodzakelijke produktie van hogere aantallen reisdocumenten dan waarmee in de begroting rekening werd gehouden: 1,8 mln nationale paspoorten, 1,7 mln Europese identiteitskaarten en 0,1 mln bijzondere reisdocumenten (waaronder vreemdelingen- en vluchtelingenpaspoorten), totaal 3,6 mln reisdocumenten, tegenover de geraamde 1,2 mln nationale paspoorten en 0,8 mln Europese identiteitskaarten (totaal 2,0 mln reisdocumenten). De hogere produktie-aantallen hangen mede samen met de voorraadvorming voor 1997, in welk jaar een hoge afgifte van reisdocumenten wordt verwacht (omdat in 1992 ook sprake was van een zeer hoge afgifte).

In voorgaande jaren konden hogere uitgaven gefinancierd worden door desaldering van eveneens hogere ontvangsten wegens de afdracht van rijksleges voor de afgifte van paspoorten. Vanaf 1996 is er geen sprake meer van hogere legesontvangsten, omdat naar verwachting een toenemend aantal Nederlanders in plaats van voor een nationaal paspoort (met een rijkslegestarief van f 52) kiest voor de aanschaf van een Europese identiteitskaart (met een aanzienlijk lager rijkslegestarief van f 15). De dekking door verlaging van het loonbijstellingsartikel heeft het karakter van een voorlopige technische bijstelling. De definitieve bijstelling zal plaatsvinden bij de tweede suppletore begroting 1996. Dan is naar verwachting tevens de nadere analyse van de paspoortuitgaven/-ontvangsten beschikbaar.

VVTV-bijdragen

4

Met hoeveel statusverleningen wordt in de raming voor de uitgaven voor 1996 rekening gehouden? (blz. 2)

Bij de raming voor de uitgaven in 1996 is rekening gehouden met een aantal van 6000 VVTV-verleningen in 1996, conform de prognose van het Ministerie van Justitie.

Asieldossier

5

De extra politie-inzet is gebaseerd op «onder andere een instroom van 30 000 asielzoekers..». Waar is de extra politie-inzet verder nog op gebaseerd? (blz. 2)

De politie-inzet is gebaseerd op ramingsvooronderstellingen van de commissie-Geelhoed waarbij naast de instroom, ook rekening wordt gehouden met de doorstroom (gemiddelde verblijfsduur van een asielzoeker), de uitplaatsingstijd en het soort van centrum.

Wateroverlast 1995

6

Berust de verhoging van de raming met f 35 miljoen uitsluitend op de nu bekende claims/declaraties? Of is in dit bedrag nog een post «onvoorzien» opgenomen? (blz. 2)

In het Algemeen deel van de memorie van toelichting bij de eerste suppletore begroting 1996 is aangegeven op welke regelingen de raming is gebaseerd en welke sluitingstermijnen voor deze regelingen gelden. Bij de raming is uitgegaan van de schadedeclaraties die op dat moment (1 april 1996) waren afgehandeld. Daarnaast is in de raming rekening gehouden met onzekerheden die zitten in de nog in behandeling zijnde declaraties en in de eventueel nog te ontvangen declaraties (bijvoorbeeld voor het Besluit rijksbijdragen gemeenten bij rampen, geldt als sluitingstermijn 31 december 1996). In het kader van rijksbijdragen bijstandskosten gemeenten en regionale brandweren kan nog een beperkt aantal declaraties worden verwacht.

Op dit moment is in 1996 een bedrag van ca. f 20 mln feitelijk tot uitkering gekomen. Voor de nog in behandeling zijnde declaraties en in de eventueel nog te ontvangen declaraties resteert nog een bedrag van ca. f 15 mln. In de tweede suppletore begroting 1996 zal ik u nader informeren over de uitputting van dit restant bedrag.

II ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Aard van de mutaties

7

Kan een toelichting gegeven worden op de reikwijdte van het begrip «interne beleidswijzigingen»? (blz. 4)

In de begroting van het Ministerie van Binnenlandse Zaken worden sinds enige jaren mutaties ingedeeld naar beleidsmatige, autonome en beheersmatige mutaties.

Het begrip «interne beleidswijzigingen» heeft betrekking op mutaties, waaraan beleidsbeslissingen ten grondslag liggen en waarbij de financiering binnen de begroting wordt gevonden.

In de (suppletore) begrotingen wordt deze categorie mutaties gepresenteerd onder het kopje beleidsmatige mutaties. Hiertoe behoren voorts ook de mutaties, op grond van beleidsbeslissingen, die leiden tot een verhoging dan wel verlaging van de totale begroting.

Artikel 01.01. Personeel en materieel Algemeen

8

Wat zijn de totale wachtgelduitgaven inclusief de verzelfstandigde organen, die onder de verantwoordelijkheid van het ministerie vallen? Om hoeveel personen gaat het op het ministerie en bij de verzelfstandigde organen die onder het ministerie vallen? (blz. 4)

In totaal verwacht het Ministerie van Binnenlandse Zaken ten behoeve van voormalig medewerkers in het jaar 1996 voor een bedrag van f 17,4 mln aan wachtgelden te zullen uitkeren. Dit bedrag is inclusief de wachtgelduitgaven ten behoeve van voormalig werknemers van de verzelfstandigde diensten die thans niet meer onder de verantwoordelijkheid van het departement vallen (bijvoorbeeld: DUO, RPD advies, ROI). Daarbij gaat het om in totaal 347 personen die een wachtgelduitkering ontvangen.

In 1995 bedroegen de wachtgelduitgaven van dit departement f 14,8 mln voor de wachtgelduitkeringen van 303 personen. Ten opzichte van het jaar 1995 heeft er in 1996 dus een stijging plaatsgevonden met 44 personen. Deze personen zijn voornamelijk afkomstig van RPD Advies (verzelfstandigd per 1 januari 1996), de Rijks Bedrijfsgezondheids- en Bedrijfsveiligheidsdienst (verzelfstandiging naar verwachting per 1 juli 1996) en de Binnenlandse Veiligheids Dienst.

9

Hoe verhoudt het bedrag aan wachtgelduitgaven zich tot de totale loonsom van het ministerie en de verzelfstandigde organen die onder de verantwoordelijkheid van de minister van Binnenlandse Zaken vallen? (blz. 4)

De totale loonsom 1996 voor het actief personeel bij het ministerie van Binnenlandse Zaken inclusief de verzelfstandigde organen die onder de verantwoordelijkheid van het departement vallen bedraagt circa f 204,6 mln en is als volgt opgebouwd:

– agentschap Informatievoorziening Overheidspersoneel (circa f 4,4 mln);

– de Centrale Archiefselectiedienst die naar verwachting per 1 januari 1997 een agentschap wordt (circa f 6,8 mln);

– de loonsom van het binnen het departement werkzame personeel (DGMP, DGOB, DGOOV en centrale staf) inclusief de Binnenlandse Veiligheidsdienst, de Algemene Bestuursdienst en de medio 1996 te privatiseren RBB (circa f 193,4 mln).

De totale wachtgelduitgaven in 1996 bedragen zoals bij vraag 8 aangegeven naar verwachting f 17,4 mln. Wanneer beide bovengenoemde bedragen in een verhouding worden uitgedrukt is de omvang van de in 1996 verwachte wachtgelduitgaven circa 8,5% van de voor 1996 geraamde loonsom van het ministerie van Binnenlandse Zaken.

10

Hoe verhoudt de ontwikkeling van het volume wachtgelders van het ministerie zich sinds 1990 tot het volume ww'ers in de marktsector? (blz. 4)

Tot het jaar 1993 bedroeg het aantal wachtgelders van het Ministerie van Binnenlandse Zaken ongeveer 200. In 1994 waren er 240 wachtgelders en in 1995 303. Dat betekent een stijgingspercentage van ca. 50%. De stijging in 1994 van 40 personen is voornamelijk veroorzaakt door een aantal grote reorganisaties bij het ministerie van Binnenlandse Zaken in 1994 (bij het Directoraat Generaal Openbare Orde en Veiligheid en de Binnenlandse Veiligheids Dienst) en in mindere mate ook de Grote Efficiency Operatie. De stijging in 1995 van 63 personen betreft voornamelijk voormalig werknemers van de Binnenlandse Veiligheids Dienst, Rijks Bedrijfsgezondheids- en Bedrijfsveiligheidsdienst, Dienst Uitvoering Ontslaguitkeringsregelingen en Centrale Archiefselectiedienst. Het aantal ww-ers in de marktsector is in de periode 1990 t/m 1995 met meer dan 100% toegenomen, van ongeveer 200 000 personen in 1990 tot ruim 400 000 personen in 1995 (bron: Statistisch Jaarboek CBS).

11

Kan een toelichting worden gegeven op de verhoogde kosten in relatie tot de USZO? (blz. 5)

Per 1 januari 1996 wordt door de stichting USZO de apparaats- en programmakosten integraal doorberekend aan de opdrachtgevers. Om de departementen in staat te stellen een deel van de rekening van USZO te betalen wordt in de onderhavige suppletore begroting voor artikel 01.01 voorgesteld het apparaatskostenbudget van de voormalige Dienst Uitvoering Ontslaguitkeringsregelingen (DUO) uit te delen naar de departementen. Dit uit te delen budget is qua omvang onvoldoende om de rekening van USZO te betalen. Hieraan liggen hoofdzakelijk de volgende redenen ten grondslag:

– Het kabinet heeft in 1995 besloten de invoeringskosten van USZO voor 1995 ad f 60 mln voor te financieren. Dit bedrag wordt in 1996 en in 1997 door de departementen via de tarieven die door USZO worden doorberekend aan Financiën terug betaald.

– Ook in 1996 (en in 1997) worden invoeringskosten gemaakt. Deze kosten worden door USZO doorberekend. De departementen worden daarvoor niet gecompenseerd.

Artikel 01.03. Loonbijstelling

12

Kan de forse loonbijstelling 1996 (alsmede voor de periode 1997 t/m 2000; totaal ruim f 250 mln.) voor de politie nader worden uitgewerkt en toegelicht? Zal deze onderschrijding besteed worden aan (overige) knelpunten bij de politie? (blz. 7)

Het betreft hier reguliere loonbijstelling ter compensatie van salarisafspraken voortvloeiend uit de eind 1995 afgesloten politie-CAO en de verdere salaris- en premiemutaties voor 1996 en volgende jaren. Dit geld is derhalve niet alternatief inzetbaar.

Artikel 01.05. Onvoorzien

13

Kan aangegeven worden hoe post 2. naar verwachting wordt verdeeld over de genoemde activiteiten. Wat wordt verstaan onder «hulp aan landen in Midden- en Oost-Europa (LMOE)»? (blz. 8)

Een indicatie van de verwachte verdeling van de middelen over de activiteiten is als volgt:

– ontvangst buitenlandse politieke bezoeken: 75 000
– opleidingen en uitwisseling buitenlandse bezoekers 50 000
– hulp aan LMOE150 000
– samenwerking met andere landen en internationale organisaties75 000
– administratieve ondersteuning internationale aangelegenheden69 000

Hulp aan LMOE omvat ondersteuning van het lokaal bestuur met inzet van Nederlandse deskundigheid en activiteiten zoals het organiseren van seminars en expert-meetings met ambtenaren van de LMOE, het verzorgen van stageplaatsen en dergelijke.

Artikel 01.07. Subsidies en onderzoeken

14

Kan een toelichting worden gegeven op de verhoging van het budget voor de samenwerking van Politie en Brandweer? (blz. 9)

Het betreft geen verhoging van het budget voor samenwerking van Politie en Brandweer maar een reallocatie van artikel 05.24 naar artikel 01.07 ter financiering van onderzoek in het kader van het Integraal Veiligheidsbeleid.

Artikel 02.03. Diverse vergoedingen openbare ambtsdragers en herindelingswachtgelden

15

Kan een toelichting worden gegeven op de verhoging van het budget voor begeleiding van burgemeesters in verband met gemeentelijke herindelingen? (blz. 11)

De verhoging van de raming met een bedrag van f 0,15 mln is nodig om nog in 1996 een aanvang te kunnen maken met een personeelsbeleid voor burgemeesters, in het bijzonder die burgemeesters die als gevolg van de voorgenomen gemeentelijke herindelingen in Noord-Brabant, Zeeland en Drente naar verwachting overbodig zullen worden. Dit personeelsbeleid is er op gericht de mobiliteit en uitstroom onder burgemeesters te bevorderen door middel van activiteiten als loopbaanbegeleiding en ontwikkeling van een loopbaanvisie.

Artikel 02.04. Diverse bijdragen aan provincies en gemeenten

16

Kan een nadere toelichting worden gegeven op de autonome mutatie Melkert-banen, wellicht ondersteund door een tabel?

Kan duidelijker worden aangegeven hoeveel minder middelen nodig zijn om het aantal Melkert-banen te realiseren? Hoe staat het met de invulling van het aantal bestaande Melkert-banen? (blz. 12)

Deze «autonome mutatie» betekent niet dat het uitgangspunt van een volledige vergoeding van de gemeentelijke kosten van een Melkert-baan wordt losgelaten. De vrijval die ontstaat door de afdrachtskortingen (VLW en SPAK) betekent, dat de Melkert-baan (door verlaging van de werkgeverslasten) voor de gemeente goedkoper wordt. Per baan wordt op jaarbasis een bedrag van f 6500 in mindering gebracht op de oorspronkelijke vergoeding van f 40 000. De in het regeeraccoord opgenomen aantallen Melkert-banen blijven onverkort gehandhaafd.

Voor wat betreft de invulling van de Melkert-banen, kan het daadwerkelijke realisatie-overzicht over 1995 pas in oktober 1996 worden verstrekt, na rapportage door de gemeenten. Uit voorlopige berichten van gemeenten lijkt de ontwikkeling echter positief te zijn.

17

Wordt de onderschrijding van f 21 mln. op het grote-stedenbeleid verschoven naar het budget terzake in de volgende jaren? (blz. 12)

Van een onderschrijding van f 21 mln op het grote-stedenbeleid is geen sprake. Wellicht wordt gedoeld op de vrijval van f 29 mln op het budget voor de Melkert-banen. Zie in dit verband de antwoorden op de vragen 2 en 16.

18

Kan worden aangegeven of, en zo ja op welke wijze, is getracht een extra financiële impuls, bijvoorbeeld uit de eindejaarsmarge, aan de zes nieuwkomers in het grote-stedenbeleid te geven (Dordrecht, Haarlem, Heerlen, Leiden, Schiedam en Venlo)? (blz. 12)

In het debat over de uitbreiding van het aantal GSB-gemeenten is door staatssecretaris Kohnstamm meermalen aangegeven dat, zo die uitbreiding al moest plaatsvinden, deze er niet toe zou kunnen leiden dat de betrokken gemeenten ook op extra financiële bijdragen zouden kunnen rekenen. Vervolgens is, onder die condities, de motie aanvaard waarin werd bepleit de door de D66-fractie genoemde steden onder het grote-stedenbeleid te brengen. Met de betrokken steden is vervolgens het overleg geopend.

19

Wat is de ratio van een annuïteit voor 23 jaar ten behoeve van het grote stedenbeleid? (blz. 12)

De gekozen financieringswijze vloeit voort uit de noodzaak de steden een substantiële bijdrage te leveren binnen de mogelijkheden die budgettair voorhanden waren. De 23 jaarlijkse annuïteiten van f 10 mln zijn toereikend om op korte termijn leningen tot een bedrag van f 115 mln te financieren voor de uitvoering van projecten in het kader van de leefbaarheid, veiligheid en stadseconomie in de grote steden in de jaren 1996 t/m 1999.

Artikel 02.05. Bevordering doelmatig bestuur

20

Kan een toelichting worden gegeven op de verhoogde uitvoeringskosten van het grote-stedenbeleid? (blz. 13)

In de toelichting bij de bijgestelde raming zijn reeds een aantal uitgavencategorieën genoemd die aan de betreffende verhoging ten grondslag liggen. Daarenboven mag duidelijk zijn dat de uitbreiding van het aantal steden waarop het beleid zich richt eveneens een verhoging van de uitvoeringskosten met zich brengt.

21

Kan worden aangegeven hoe de stimuleringsbijdragen voor de vijf Kaderwetgebieden worden verdeeld? Hoe luiden met andere woorden de beleidsregels terzake? (blz. 13)

Elk van de vijf Kaderwetgebieden kan in aanmerking komen voor een bijdrage van het Ministerie van Binnenlandse Zaken aan concrete ontwikkelingsactiviteiten. Het gebied moet daarvoor een aanvraag indienen. Elke aanvraag wordt apart beoordeeld voor wat betreft het type ontwikkelingsactiviteit in relatie tot de situatie in het betreffende gebied en het beschikbare budget op de begroting van het Ministerie van Binnenlandse Zaken. Daarnaast is de draagkracht van het gebied zelf en de vraag wie het initiatief neemt voor de activiteit van belang.

22

Is het waar dat ook ontwikkelingsactiviteiten voor herindeling in dit kader door deze bijdrage gedekt worden («eventueel herindeling»)? (blz. 13)

De toelichting spreekt van «door de vijf Kaderwetgebieden zelf geïnitieerde ontwikkelingsactiviteiten in de richting van regionaal bestuur, stadsprovincie, provincie nieuwe stijl of eventueel herindeling». Er zijn vanuit de Kaderwetgebieden geen financiële aanvragen gedaan voor bijdragen aan ontwikkelingsactiviteiten in de richting van herindeling, in een aantal gevallen is men is ook nog aan het evalueren. Wanneer op grond van de evaluatie tot herindeling zou worden besloten in een Kaderwetgebied, worden daarvoor overigens geen bijdragen verstrekt. Bij gemeentelijke herindeling is immers geen sprake van een nieuw type bestuur dat ontwikkeld zou moeten worden; herindeling valt daarmee buiten het bereik van dit artikel.

Artikel 02.06. Bevordering werking politiek systeem

23

Kan een nadere toelichting gegeven worden op het open-eindekarakter van de regeling subsidiëring politieke partijen? Wat zijn de onzekerheidsmarges? (blz. 14)

De Subsidieregeling politiek-wetenschappelijke instituten 1995 en de Subsidieregeling politieke vormings- en scholingsactiviteiten 1995 kennen de volgende verdeelsleutel:

a. een vast basisbedrag per door een Tweede-Kamerfractie aangewezen politiek instituut;

b. een bedrag per kamerzetel van de desbetreffende Tweede-Kamerfractie, waarbij dit bedrag afneemt naarmate een fractie meer zetels telt.

Bij de jongste verkiezingen voor de Tweede Kamer traden ten aanzien van deze verdeelsleutel de volgende twee effecten op:

Ad a. als gevolg van de toeneming van het aantal fracties van negen naar twaalf moest het basisbedrag drie maal extra worden uitbetaald;

Ad b. als gevolg van het relatief grote verlies van CDA en PvdA en de intrede van enkele nieuwe, relatief kleine fracties nam het totale uit te betalen bedrag aan subsidies op grond van de respectievelijke zeteltallen toe.

De onzekerheidsmarges worden bij deze verdeelsleutel bepaald door het aantal Tweede-Kamerfracties en hun respectievelijke omvang. In theorie zijn 150 eenpersoonsfracties denkbaar. Waar in de praktijk de grenzen zullen liggen, valt niet precies te zeggen.

Overigens wordt in de onlangs aan de Tweede Kamer gezonden notitie «Positie en subsidiëring politieke partijen» (TK, 1995–1996, 24 688, nr. 1) wel een voorstel gedaan om deze onzekerheidsmarges te beperken. Door afschaffing van de regressie in het subsidiebedrag per Tweede-Kamerzetel verliest het onder b beschreven deel van de verdeelsleutel in hoge mate zijn open-eindekarakter. Omdat volgens deze notitie onder nogal specifieke omstandigheden (namelijk wel vertegenwoordiging in de Eerste Kamer, maar niet in de Tweede Kamer) ook vertegenwoordiging in de Eerste Kamer kan leiden tot subsidieverlening, wordt deze onzekerheidsmarge niet geheel tot nul gereduceerd.

Artikel 02.07. Paspoortbeleid

24

Wanneer kan de Kamer de nadere analyse van de paspoortuitgaven/-ontvangsten tegemoet zien? (blz. 14)

Zie het gestelde in antwoord op vraag 3.

Artikel 03.03. Wet Rietkerk-uitkeringen

25

Kan een nadere toelichting gegeven worden op de reallocatie van f 0,3 mln naar artikel 03.01? Is er sprake van onderuitputting, en zo ja, wat is hiervan de oorzaak? (blz. 16)

De Rietkerk-uitkering is bestemd voor een groep van indertijd ruim 4000 gezinnen en alleenstaanden van Molukse afkomst. Deze groep, die steeds kleiner wordt, krijgt een vaste netto-uitkering. (De over de uitkeringen verschuldigde premies worden door het Ministerie van Binnenlandse Zaken betaald.)

Op grond van aantallen voor 1996 te verwachten uitkeringen (die door het SAIP, de Stichting Administratie Indonesische Pensioenen zijn aangeleverd) is berekend dat f 0,3 mln voor andere doeleinden kon worden aangewend. In dit kader wordt thans voorgesteld deze middelen in te zetten ten behoeve van de rondetafelgesprekken Integratiebeleid.

Artikel 03.04. Zorgwet VVTV

26, 27 en 28

Bijstelling van de raming levert een meevaller op van 20 miljoen. Wat gaat er gebeuren met deze meevaller? Is rekening gehouden met de mogelijkheid dat de uitstroom uit de centrale opvangcentra zal toenemen (ondermeer als gevolg van inloop van achterstanden bij vergunningverlening en het loslaten van het terughoudend beleid inzake vergunningverlening)? Graag ook een toelichting op de post uitvoeringskosten COA. (blz. 16)

Waarom levert de bijstelling van de raming (137 miljoen) van het aantal VVTV-ers slechts 20 miljoen op terwijl sprake is van een teruggang van 30%? (blz. 16)

Ten behoeve van de uitvoeringskosten van verstrekkingen aan gemeenten door het COA op grond van de Zorgwet VVTV is een bedrag van f 438 000 opgenomen. Waaruit bestaan deze kosten en is er een relatie tussen het aantal statushouders en de uitvoeringskosten? (blz. 17)

– Meevaller

In 1995 zijn minder VVTV-statussen verleend dan de oorspronkelijke prognose: van de voor 1995 geraamde 6500 VVTV-verleningen zijn er feitelijk ongeveer 4500 verleend, een reductie van 30%. Als gevolg hiervan ontstaat er een meevaller in 1996 ten gunste van het generale beeld. De uitgavenraming voor 1996 is met f 20 mln neerwaarts bijgesteld (een reductie van 15%). De procentuele daling van de uitgaven blijft achter bij die van de VVTV-verleningen. Een van de redenen hiervoor is dat er in 1996 voldoende middelen beschikbaar dienen te blijven voor het uitbetalen van de inrichtingskostenvergoeding en de verhoging van het «kinderkopje» aan gemeenten. Dit is tijdens het in februari jl. gehouden bestuurlijk overleg met de VNG en IPO overeengekomen. Tevens dienen in 1996 nog nabetalingen plaats te vinden die betrekking hebben op in 1995 verleende voorschotten.

– Toename statusverleningen

Het begrotingskader voor 1996 is onder andere gebaseerd op een prognose van 6000 VVTV-verleningen. Op basis van deze prognose worden de huisvestingstaakstellingen voor gemeenten berekend. Indien Justitie het terughoudend VVTV-beleid loslaat, zullen naar verwachting meer statussen worden verleend. Dit kan een begrotingsbijstelling voor 1996 noodzakelijk maken.

– Uitvoeringskosten COA

De uitvoering van de Zorgwet VVTV is ondergebracht bij het COA. Het COA draagt zorg voor de uitplaatsing van statushouders naar gemeenten, de uitvoering van het financieel beheer van de Zorgwet en de directe communicatie met de gemeenten.

De taakopdracht van het COA inzake de Zorgwet is geregeld via een protocol. Hierin zijn voor 1995 tot en met 1997 afspraken gemaakt over de personele en apparaatskosten en produktiviteitsnormen. De verwachting is dat een verdere groei van het aantal statushouders zal leiden tot een toename van de uitvoeringskosten.

Artikel 05.23. Bijdragen regionale politie

29

Waarom heeft de overboeking van het ministerie van Justitie voor Bijzondere Opsporingskosten politie plaatsgevonden? (blz. 20)

De Regeling bijzondere opsporingskosten politie (BOP), waarvan het budget wordt verantwoord op de Justitie begroting, is vervallen. Door de oprichting van de Kernteams (IRT's) zijn de uit het BOP-budget gefinancierde taken deels door deze Kernteams overgenomen.

De helft van het BOP-budget blijft voor de regionale politiekorpsen – voor bijzondere opsporingstaken door tussenkomst van het Openbaar Ministerie – op de Justitie-begroting beschikbaar. De andere helft wordt met ingang van 1996 vanuit de begroting van Binnenlandse Zaken via de algemene bijdrage aan de regionale politiekorpsen ter beschikking gesteld.

30

De raming van de post asieldossier voor extra-politie inzet is gebaseerd op een jaarlijkse instroom van 30 000 asielzoekers. Het ministerie van Justitie hanteert na bijstelling echter een lagere schatting van de instroom, nl. 27 000. Kan dit verschil worden verklaard, en wat zijn de gevolgen van een lagere schatting van de jaarlijkse instroom van asielzoekers? (blz. 20)

De bij het «asieldossier» betrokken departementen hanteren alle hetzelfde jaar-instroomcijfer van 30 000 asielzoekers. Het door het ministerie van Justitie gehanteerde aantal van 27 000 is het aantal asielzoekers dat vanuit de aanmeldcentra doorstroomt naar de onderzoeks- en asielzoekerscentra. Het verschil van 3000 wordt gevormd door de asielzoekers die kansloos zijn om te worden toegelaten en die na de procedure, die gevolgd wordt in de aanmeldcentra, worden verwijderd.

Artikel 05.24. Overige uitgaven regionale politie

31

Kan een nadere toelichting worden gegeven op de onderschrijding betreffende het project Integraal Veiligheidsbeleid? (blz. 22)

Het betreft geen onderschrijding maar een reallocatie van artikel 05.24 naar artikel 05.21 (f 250 000) ter financiering van onderzoek in het kader van het project Integraal Veiligheidsbeleid dat ten laste komt van dit artikel.


XNoot
1

Samenstelling: Leden: Van Erp (VVD), V. A. M. van der Burg (CDA), Te Veldhuis (VVD), Van der Heijden (CDA), De Cloe (PvdA), voorzitter, Janmaat (CD), Van den Berg (SGP), Scheltema-de Nie (D66), ondervoorzitter, Apostolou (PvdA), Kalsbeek-Jasperse (PvdA), Zijlstra (PvdA), Van der Hoeven (CDA), Remkes (VVD), Gabor (CDA), Koekoek (CDA), Nijpels-Hezemans (Groep Nijpels), Oedayraj Singh Varma (GroenLinks), Hoekema (D66), Essers (VVD), Dittrich (D66), Dijksman (PvdA), De Graaf (D66), Cornielje (VVD), Rouvoet (RPF), Rehwinkel (PvdA).

Plv. leden: Korthals (VVD), Dankers (CDA), Van Hoof (VVD), Bijleveld-Schouten (CDA), Liemburg (PvdA), Poppe (SP), Schutte (GPV), Jeekel (D66), Van Heemst (PvdA), Noorman-den Uyl (PvdA), Vreeman (PvdA), Verhagen (CDA), Van der Stoel (VVD), Mateman (CDA), Mulder-van Dam (CDA), Van Wingerden (AOV), Rabbae (GroenLinks), Van Boxtel (D66), H. G. J. Kamp (VVD), Assen (CDA), M. M. van der Burg (PvdA), Bakker (D66), Klein Molekamp (VVD), Leerkes (U55+), Van Oven (PvdA).

Naar boven