24 631
Wijziging van de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met verlenging van de verblijfsduur voor bepaalde categorieën leerlingen in m.a.v.o. en v.b.o. (regeling verlenging verblijfsduur leerlingen m.a.v.o. en v.b.o.)

nr. 5
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 1 mei 1996

Ondergetekende dankt de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen voor de opmerkingen en vragen. Zij hoopt dat het antwoord, dat mede namens de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij wordt uitgebracht, zal bijdragen aan een spoedige mondelinge behandeling opdat het wetsvoorstel tijdig tot wet kan worden verheven en op 1 augustus 1996 ook daadwerkelijk in werking kan treden.

Algemeen

De leden van VVD-fractie vragen een toelichting op de in de memorie van toelichting genoemde scholen, te weten de school voor v.b.o. van de Revalidatie Scholengemeenschap te Arnhem, de school voor v.b.o. De Schalm te St. Michielsgestel en de school voor v.b.o. aan doven te Voorburg.

Ondergetekende begrijpt deze vraag als een verzoek de regeling van deze scholen toe te lichten. In dat verband wordt verwezen naar artikel 24, zesde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs. Op grond van die bepaling kunnen bij algemene maatregel van bestuur scholen voor voorbereidend beroepsonderwijs of afdelingen daarvan worden aangewezen, waarvan de schoolwerkplannen de goedkeuring van de minister behoeven. Die amvb is het besluit van 7 december 1973 (Stb. 620). In dat besluit zijn in artikel 1, onderdeel 1f, technische scholen voor onder meer gehandicapte leerlingen aangewezen. De hier genoemde scholen voor gehandicapte leerlingen in Arnhem, St. Michielsgestel en Voorburg vallen onder artikel 1, onder deel 1f.

De leden van deze fractie merken ten aanzien van de categorie «leerlingen die buiten Nederland primair onderwijs hebben gevolgd» op, dat verlengen van de verblijfsduur geen doel op zich mag zijn. Zij zijn van oordeel dat juist ten aanzien van deze leerlingen een verhoogde inspanning zal moeten worden verricht om hen zo snel mogelijk de Nederlandse taal bij te brengen.

Geantwoord wordt dat deze stellingname wordt onderschreven. Zulks blijkt ook uit de memorie van toelichting, waar staat vermeld dat «Uitgangspunt bij de regeling van een verlenging blijft dat leerlingen niet langer dan vijf jaren in m.a.v.o. en v.b.o. verblijven. Een langere verblijfsduur leidt tot een ongewenst late instroom in de tweede fase en het vervolgonderwijs. Om die redenen moet slechts in dringende gevallen een verlenging mogelijk zijn.». Daarom wordt voorgesteld dat een verzoek tot verlenging niet eerder wordt gedaan dan in het vijfde jaar waarin een dergelijke leerling voortgezet onderwijs volgt, en wordt ook voorgesteld dat zo'n verzoek aan de inspectie wordt gericht.

Het toetsingscriterium voor de inspectie is toegespitst op de kwaliteiten van de leerling waarvoor verlenging wordt gevraagd, maar dat behoeft de inspectie er niet van te weerhouden ook, meer in het algemeen, te bezien welke inspanningen de school zich getroost om leerlingen die buiten Nederland primair onderwijs hebben gevolgd, in staat te stellen het onderwijs in het gebruikelijke aantal jaren af te ronden.

In antwoord op de vraag van de leden van de VVD-fractie naar het aantal leerlingen waarvoor een verblijfsduur verlenging noodzakelijk is, geeft ondergetekende aan dat het naar schatting om ca. 500 leerlingen zal gaan. Daarbij gaat het om ongeveer 300 leerlingen die buiten Nederland primair onderwijs hebben gevolgd.

De leden van de fractie van D66 vragen waarom ook niet voor blinde leerlingen een verblijfsduurverlenging mogelijk is gemaakt. Zij vragen dit naar aanleiding van de in de memorie van toelichting genoemde scholen.

Ondergetekende merkt op dat de genoemde scholen voor doven en slechthorenden te Sint Michielsgestel en Voorburg worden bekostigd op basis van de Wet op het voortgezet onderwijs. Op basis van die wet worden geen scholen bekostigd die specifiek bestemd zijn voor blinde of slechtziende leerlingen. Een uitzondering voor blindenonderwijs behoeft derhalve niet te worden gemaakt.

De leden van de fractie van D66 stellen vragen over de overgang met betrekking tot het volgen van onderwijs op grond van de ISOVSO naar onderwijs op grond van de WVO. Zij wijzen daarbij op de positie van gehandicapte leerlingen en zij plaatsen hun vragen tegen de achtergrond van de uitwerking van de nota «Recht doen aan Verscheidenheid».

Ondergetekende antwoordt dat zij het voornemen heeft om delen van het ISOVSO-onderwijs, te weten het VSO-LOM, het VSO-MLK en het VSO-ZMOK, per 1 augustus 1998 onder te brengen in de WVO en deze te positioneren als leerwegondersteunend onderwijs (hulpstructuur bij de in te voeren leerwegen in het m.a.v.o. en v.b.o.) en arbeidsmarktgericht onderwijs. Daarbij zal ook de vraag aan de orde komen naar de maximale verblijfsduur voor deze leerlingen. Inzet zal zijn dat pas na duidelijke indicatiestelling ontheffing van de maximale verblijfsduur kan worden verleend.

Tot slot vragen de leden van deze fractie naar de gevolgen van deze wijziging voor het ziekenhuisonderwijs. Vallen leerlingen die tijdelijk gebruik maken van deze voorziening ook onder de verlenging van de verblijfsduur.

Het antwoord op deze vraag luidt bevestigend. Verlenging kan worden gevraagd in het vijfde jaar, indien de leerling op het moment van aanvragen voor het volgen van mavo of vbo staat ingeschreven in het reguliere voortgezet onderwijs en die leerling, ofwel in de eerste vier jaren meer dan 12 maanden het onderwijs niet heeft kunnen volgen, dan wel in het vijfde jaar lange tijd het onderwijs niet heeft kunnen volgen wegens ziekte. Met «het onderwijs niet heeft kunnen volgen» wordt gedoeld op het niet hebben kunnen volgen van voortgezet onderwijs op grond van de WVO dat wordt gevolgd op het moment van aanvragen van de verlenging.

Indien een leerling in het vijfde jaar ziekenhuisonderwijs volgt, en in dat jaar niet weer mavo- of vbo-onderwijs aan een reguliere VO-school gaat volgen, is de onderhavige verlengingsmogelijkheid uiteraard niet van toepassing omdat het ziekenhuisonderwijs niet onder de WVO maar onder de ISOVSO valt.

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,

T. Netelenbos

Naar boven