nr. 5
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG
Het verheugt mij dat onderhavig wetsvoorstel met instemming is ontvangen.
De leden van de PvdA-fractie vroegen zich af in hoeverre de advisering
van de minister door het Kapittel een factor van betekenis is bij het neutraliseren
van de gevoeligheden inzake de onderscheiding van volksvertegenwoordigers.
Zij vroegen zich af welke betekenis aan de adviezen van het Kapittel wordt
toegekend nu het slechts kan toetsen aan de in de wet en het reglement vastgestelde
regels. Zij doelen daarbij op het in het Reglement op de Orde van de Nederlandse
Leeuw en de Orde van Oranje-Nassau (Stb. 1995, 264) neergelegde automatisme.
Artikel 14 van dit Reglement bepaalt dat leden van de Staten-Generaal na tien
jaar lidmaatschap geacht worden te voldoen aan de criteria op grond waarvan
men in aanmerking komt voor onderscheiding in de Orde van Oranje-Nassau en
leden van Provinciale Staten en gemeenteraden na twaalf jaar lidmaatschap.
In deze gevallen toetst het Kapittel derhalve of de voorgestelde persoon daadwerkelijk
het voorgeschreven aantal jaren volksvertegenwoordiger is geweest. Voor de
neutralisering van de gevoeligheid bij onderscheiding van volksvertegenwoordigers
heeft de advisering door het Kapittel geen betekenis. De tussenkomst van een
adviesorgaan kan de politieke gevoeligheid van beslissingen in het algemeen,
en dus ook met betrekking tot onderscheidingen, nimmer neutraliseren. De minister
blijft immers verantwoordelijk voor zijn beslissing, ook indien hij voorafgaand
over de te nemen beslissing is geadviseerd door een onafhankelijk orgaan.
De gevoeligheid waar deze leden op doelen is overigens door het in het reglement
neergelegde automatisme reeds weggenomen.
Deze leden vroegen ook naar het gewicht van de adviezen van het Kapittel
inzake voorstellen tot onderscheiding van volksvertegenwoordigers, nadat burgemeester
en commissaris der Koningin de voorstellen voor onderscheiding hebben beoordeeld.
Zoals eerder reeds werd aangegeven ten aanzien van het Kapittel betreft het
toetsen van voorstellen tot onderscheiding van volksvertegenwoordigers
het toetsen aan de in het Ordereglement neergelegde eisen. Dit geldt voor
zowel de burgemeester als voor de Commissaris van de Koningin als voor het
Kapittel. Een groot gewicht komt het advies van het Kapittel derhalve niet
toe. Wel komt het de zorgvuldigheid ten goede.
Dezelfde leden vroegen wat de regering zou doen indien na evaluatie zou
blijken dat er zodanige knelpunten in de uitvoering van het nieuwe stelsel
worden gesignaleerd dat advisering door een extern orgaan nodig en wenselijk
blijkt. Het Kapittel brengt ingevolge artikel 9 van het Besluit Kapittel voor
de civiele orden jaarlijks verslag uit van zijn werkzaamheden en bevindingen.
Knelpunten zullen derhalve in een vroeg stadium al worden onderkend. Bovendien
brengt het Kapittel om de vier jaar een rapport uit aan mij waarin zijn taakvervulling
aan een nader onderzoek wordt onderworpen en voorstellen kunnen worden gedaan
voor gewenste veranderingen. Dit rapport wordt, voorzien van een standpunt
van mij, aan de beide Kamers der Staten-Generaal toegezonden. In het licht
hiervan kan ik mij niet voorstellen dat zich uit een evaluatie knelpunten
zullen voordoen die van een zodanige omvang zijn dat een extern adviescollege
ingeschakeld zal moeten worden.
De leden van de D66-fractie vroegen om een nadere toelichting op het in
de memorie van toelichting gestelde dat er geen behoefte meer zou zijn aan
advisering inzake het decoratiestelsel in Nederland, de Nederlandse Antillen
en Aruba. Ik begrijp deze vraag aldus dat het hier gaat om een nadere toelichting
waarom er geen behoefte meer zou bestaan aan een algemene adviestaak. Zoals
ook al in de memorie van toelichting is aangegeven, is het van het begin af
aan de bedoeling geweest om het Kapittel slechts tijdelijk een algemene adviestaak
in de zin van artikel 79 Grondwet te geven, met name met het oog op de uitvoeringsregelingen
in het kader van het nieuwe decoratiestelsel. Nu deze taak volbracht is, ben
ik van mening dat een algemene adviestaak voor het Kapittel overbodig is geworden.
Het is overigens mogelijk, hier vroegen deze leden ook naar, om in voorkomende
gevallen het Kapittel naar de uitvoerbaarheid van een voorgenomen wijziging
van de uitvoeringsregelingen te vragen. Een formeel wettelijke regeling van
een dergelijke uitvoeringstoets acht de regering in dit geval niet nodig.
De Minister van Binnenlandse Zaken,
H. F. Dijkstal