nr. 4
VERSLAG
Vastgesteld 12 maart 1996
De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken1,
belast met het voorbereidend onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de
eer als volgt verslag uit te brengen.
Onder het voorbehoud dat de hierin gestelde vragen en gemaakte opmerkingen
tijdig zullen zijn beantwoord, acht de commissie de openbare behandeling van
het wetsvoorstel genoegzaam voorbereid.
De leden van de PvdA-fractie hebben met instemming kennis genomen van
het voorliggende wetsvoorstel. Deze leden onderschrijven het standpunt van
de regering, dat het voorstel Herzieningswet adviesstelsel – dat op
1 januari 1997 in werking zal treden – deze wijziging in de taken van
het Kapittel voor de civiele orden noodzakelijk maakt. Nu de algemene adviestaken
vervallen, blijft het Kapittel de minister wie het aangaat, adviseren over
het verlenen van onderscheidingen in een der civiele orden.
De leden van de PvdA-fractie hebben hierover een vraag die naar hun oordeel
relevant is in het kader van de discussie over de verlening van onderscheidingen
aan volksvertegenwoordigers. In het geldende reglement is vastgehouden aan
automatische toekenning van onderscheidingen aan volksvertegenwoordigers vanwege
het vermeende risico van politisering.
In hoeverre, zo vragen deze leden, is de advisering van de minister door
het Kapittel een factor van betekenis bij het neutraliseren van de gevoeligheid
bij onderscheiding van volksvertegenwoordigers? Het Kapittel is immers onafhankelijk
en toetst alleen aan de in de wet en het reglement vastgestelde regels. Welke
betekenis wordt aan de adviezen van het Kapittel toegekend?
Aangezien de procedure voor de toekenning van onderscheidingen, zoals
in het geldende reglement is vastgesteld, voor volksvertegenwoordigers dezelfde
is als voor de overige burgers, vragen de leden van de PvdA-fractie om een
nadere toelichting over het gewicht van de adviezen van het Kapittel,
nadat burgemeester en Commissaris der Koningin de voorstellen voor een onderscheiding
hebben beoordeeld.
De regering stelt, dat aan een algemene adviestaak inzake het decoratiestelsel
noch voor Nederland, noch voor de Nederlandse Antillen en Aruba nog behoefte
is. De leden van de PvdA-fractie vragen of het niet zo zou kunnen zijn, dat
na de eerste evaluatie van het nieuwe decoratiestelsel, zodanige knelpunten
in de uitvoering van het nieuwe stelsel worden gesignaleerd, dat advisering
door een extern orgaan nodig en wenselijk blijkt. Wat zal de regering in een
dergelijke situatie doen?
De leden van de D66-fractie merken op dat in het kader van de herziening
van het adviesstelsel het voorstel Herzieningswet adviesstelsel aan alle externe
adviescolleges ex artikel 79 van de Grondwet de adviestaak zal worden ontnomen.
Omdat het Kapittel een adviestaak heeft op grond van een rijkswet, heeft de
Herzieningswet dit ene college niet kunnen raken. Het voorliggende voorstel
van rijkswet is dan ook geheel in de lijn van de herziening van het adviesstelsel.
Twee adviestaken van het Kapittel zullen komen te vervallen. Dit betreft
advisering ten aanzien van algemene aspecten van het beleid en advisering
over bij de Kamer aanhangig gemaakte initiatiefwetsvoorstellen. In de toelichting
wordt gesteld dat er geen behoefte meer zou zijn aan advisering inzake het
decoratiestelsel in Nederland, de Nederlandse Antillen en Aruba. De leden
van de D66-fractie vragen of dat nader kan worden toegelicht.
Ook de adviestaak ten aanzien van de uitvoeringsregelingen, zijnde het
Reglement op de Orde van de Nederlandse Leeuw en de Orde van Oranje-Nassau
komt te vervallen. De regering stelt dat advisering ten aanzien van deze reglementen
eenmalig is en daar nu geen behoeft meer aan is. Het blijkt dat ook bij de
meest recente wijziging van die reglementen het advies van het Kapittel is
gevraagd en benut (zie Stb. 1996, 89 en de brief van de Minister van Binnenlandse
Zaken d.d. 15 februari 1996). Volgend uit het onderhavige voorstel zal het
Kapittel alleen blijven adviseren over het verlenen van onderscheidingen.
Gezien de specifieke positie van het Kapittel, een college bestaande uit deskundigen,
en de verwevenheid van de concrete verlening van Orden en het achterliggende
beleid, vraagt de D66-fractie of het wel mogelijk blijft het Kapittel bij
het tot stand komen van nieuwe uitvoeringsregelingen om een visie te vragen.
De voorzitter van de commissie,
De Cloe
De griffier voor dit verslag,
Van Hezik
XNoot
1Samenstelling: Leden: Van Erp (VVD), V. A. M. van der Burg (CDA), Te Veldhuis
(VVD), Van der Heijden (CDA), De Cloe (PvdA), voorzitter, Janmaat (CD), Van
den Berg (SGP), Brinkman (CDA), Scheltema-de Nie (D66), ondervoorzitter, Apostolou
(PvdA), Kalsbeek-Jasperse (PvdA), Zijlstra (PvdA), Van der Hoeven (CDA), Remkes
(VVD), Gabor (CDA), Nijpels-Hezemans (Groep Nijpels), Oedayraj Singh Varma
(GroenLinks), Hoekema (D66), Essers (VVD), Dittrich (D66), Dijksman (PvdA),
De Graaf (D66), Cornielje (VVD), Rouvoet (RPF), Rehwinkel (PvdA).
Plv. leden: Korthals (VVD), Dankers (CDA), Van Hoof (VVD), Bijleveld-Schouten
(CDA), Liemburg (PvdA), Poppe (SP), Schutte (GPV), Mulder-van Dam (CDA), Jeekel
(D66), Van Heemst (PvdA), Noorman-den Uyl (PvdA), Vreeman (PvdA), Verhagen
(CDA), Van der Stoel (VVD), Mateman (CDA), Van Wingerden (AOV), Rabbae (GroenLinks),
Van Boxtel (D66), H. G. J. Kamp (VVD), Assen (CDA), M. M. van der Burg (PvdA),
Bakker (D66), Klein Molekamp (VVD), Leerkes (U55+), Van Oven (PvdA).